BAC 2023-13475
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 2 mei 2023 (UHT-DCH) en 23 mei 2023 (UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 24 februari 2025 om 14:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 11 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 2 mei 2023 (UHT-DCH) en 23 mei 2023 (UHT-O OGS B).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van in totaal €25.325,- voor de jaren 2010 tot en met 2013.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010, 2011, 2012 en 2013.
- UHT heeft bij beschikking van 30 juni 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 22 november 2022 aan UHT toegestuurd.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 30 januari 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.021,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 2 mei 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €22.748,-.
- UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 24 mei 2023 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende een tegemoetkoming O/GS toegekend voor een bedrag van € 2.577,-.
- Gemachtigde heeft bij brieven van resp. 6 en 8 juni 2013 tegen deze twee (2) beschikkingen bezwaarschriften ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 6 november 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 16 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 24 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend. De Commissie zal hieronder, mede op grond van hetgeen besproken tijdens de hoorzitting, het advies toelichten.
Incomplete herbeoordeling toeslagjaren
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de toeslagjaren 2007, 2008, 2009, 2014 en 2015 moeten worden meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren omdat zij ook in deze toeslagjaren KOT ontving.
De Commissie stelt vast dat het (oorspronkelijke) verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2010, 2011, 2012 en 2013. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft de nu alsnog gevraagde toeslagjaren in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om deze aanvullende toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de gedane toezegging van UHT om de toeslagjaren 2007, 2008, 2009, 2014 en 2015 door te zetten naar de juiste afdeling binnen UHT om als aanvullend verzoek in herbeoordeling te nemen. Nu deze werkwijze kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie de onderhavige bezwaarprocedure niet aan.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Motivering- en zorgvuldigheidsbeginsel
De Commissie is van oordeel dat UHT de berekeningen bij het uitbrengen van de bestreden beschikkingen voldoende heeft toegelicht. Hiernaast geldt dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, de uitgebreide uitleg met behulp van LIC-overzichten en de overige producties de bestreden beschikkingen voldoende zijn onderbouwd.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In haar ogen wordt zij in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over haar persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.
De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke reactie/beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen”, is op 24 september 2024 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
De juistheid van de verschillende onderdelen van de compensatieberekening en de OGS-tegemoetkoming zijn door gemachtigde bij gebrek aan wetenschap betwist. Inmiddels beschikt belanghebbende over het bezwaardossier en heeft de zaaksbehandelaar van UHT bij de schriftelijke beschouwing ieder onderdeel van de compensatieberekening toegelicht. Voor zover elementen van de compensatieberekening hierna niet aan de orde komen, ziet de Commissie geen aanleiding te adviseren ze aan te passen.
De immateriële schadevergoeding
De Commissie overweegt dat op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht de forfaitaire vergoeding voor immateriële schade moet worden berekend vanaf de datum van de eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening voor KOT die een direct gevolg is van (onder meer) institutionele vooringenomenheid. UHT hanteert echter een voor belanghebbenden begunstigend beleid, dat voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade wordt uitgegaan van de datum van de eerste vooringenomen handeling door de B/T. Naar de opvatting van de Commissie moet dit beleid ook in het geval van belanghebbende worden gevolgd. Dit betekent dat de datum van de eerste stopbrief - 26 oktober 2011 - de juiste aanvangsdatum is voor de berekening van de immateriële schadevergoeding.
Uit hoofde van voornoemd art. 2.3 lid 4 Wht dient de datum van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie te worden gebruikt als einddatum voor de berekening van de immateriële schadevergoeding. Dit zou dus de datum van de bestreden beschikking moeten zijn, 2 mei 2023. Uit de schriftelijke reactie van UHT blijkt echter dat zij voor de einddatum van de berekening ten onrechte is uitgegaan van een latere datum, namelijk 10 mei 2023. Nu dit in het voordeel van belanghebbende uitvalt, adviseert de Commissie om dit niet aan te passen.
Op grond van artikel 2.2 aanhef en onder g Wht wordt rente vergoed over het niet uitgekeerde bedrag vanwege het verminderen of niet toekennen van de KOT of het beëindigen van de voorschotverlening van KOT. De rente wordt volgens artikel 2.3 lid 7 Wht berekend met overeenkomstige toepassing van artikel 27 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Op grond van artikel 27 Awir wordt de rente enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en eindigt op de datum van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, tot herziening van de tegemoetkoming of tot herziening van de terugvordering.
Uit de schriftelijke reactie van UHT blijkt dat voor toeslagjaren 2010 en 2013 is uitgegaan van zowel een verkeerde start- als einddatum voor deze berekening.
Voor toeslagjaar 2010 zou de startdatum voor de berekening 1 juli 2011 moeten zijn, terwijl UHT 26 oktober 2011 als startdatum heeft gebruikt.
Voor toeslagjaar 2013 zou de startdatum voor de berekening 1 juli 2014 moeten zijn, terwijl UHT 30 januari 2013 als startdatum heeft gebruikt.
Voor beide toeslagjaren zou de einddatum van de berekening gelijk moeten zijn aan de datum van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie. Dit zou 2 mei 2023 moeten zijn, terwijl UHT 10 mei 2023 als einddatum heeft gebruikt.
De berekeningen van de rentebedragen op basis van de juiste start- en einddata voor beide toeslagjaren zijn door UHT als bijlage bij de schriftelijke beschouwing overgelegd. Uit deze berekeningen volgt dat belanghebbende voor beide toeslagjaren meer rente heeft ontvangen dan wettelijk gezien vereist. Aangezien een en ander in het voordeel van belanghebbende is uitgevallen, adviseert de Commissie om niet ten nadele van belanghebbende aan te passen.
Nu de bedragen in de compensatieberekeningen niet worden aangepast, hoeft de aanvullende vergoeding van 1% niet opnieuw te worden berekend.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op deze punten ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. De Commissie adviseert UHT om dit verzoek af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek voor een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter