Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13470

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 19 april 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 22 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 24 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaarschrift ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 20.420 voor de jaren 2008, 2009 en de maanden januari tot en met oktober 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 en 2011 tot en met 2018 en de maanden november en december 2010.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 10 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2018.
  • UHT heeft bij beschikking van 8 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 november 2022 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2007, 2011 tot en met 2018 en de maanden oktober tot en met december 2010 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 20.179.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking van 19 april 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende compensatie toegekend voor bedrag van € 20.420 voor de jaren 2008, 2009 en de maanden januari tot en met oktober 2010 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2007, de maanden november en december 2010 en 2011 tot en met 2018.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 30 mei 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 maart 2024 de gronden aangevuld.
  • UHT heeft op 27 juni 2024 schriftelijk gereageerd het op de bezwaarschrift.
  • Op 22 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • Op 26 mei 2025 heeft UHT een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft hier op 10 juni 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Geen persoonlijk dossier en/of onvolledig bezwaardossier

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en/of het volledige bezwaardossier. De Commissie overweegt hierover het volgende.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter.

Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is op 5 maart 2025 naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten. Dat belanghebbende de noodzaak voelt om haar persoonlijk dossier in handen te krijgen, begrijpt de Commissie en zij adviseert UHT daarom zich zoveel mogelijk in te spannen om het persoonlijk dossier aan belanghebbende te verstrekken. Tegelijkertijd is de Commissie van oordeel dat het niet hebben van het persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihil stellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19).

De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De enkele – niet nader met feiten of omstandigheden onderbouwde – stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. Dit deel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.

Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT

Belanghebbende verzoekt de Commissie advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen gevolgen van het overschrijden van de voor UHT geldende (beslis)termijnen. De Commissie gaat aan dit verzoek voorbij, nu de door UHT gehanteerde termijnen van beslissen buiten het kader van haar bevoegdheden vallen als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Bezwaarschriftenadviescommissie Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken en hardheid van het toeslagenstelsel.

Code ‘HOTHOR’ / discriminatie

Belanghebbende voert aan dat in het RKT-bestand staat dat zij in het HOTHOR (hoge toeslag, hoog risico) systeem is opgenomen, maar daarvan nooit in kennis is gesteld. Voorts verwijst belanghebbende met een link naar een publicatie van het College voor de Rechten van de Mens. Uit onderzoek zou blijken dat mensen van buitenlandse komaf aanzienlijk vaker werden geselecteerd voor een HOTHOR signalering dan personen met een Nederlandse achtergrond. Volgens belanghebbende is zij daarom gediscrimineerd. Als dat volgens B/T niet zo is, dan is het aan B/T om dit aan te tonen.

In het geval van belanghebbende blijkt nergens uit het bezwaardossier dat sprake is geweest van een HOTHOR-registratie. Indien dat wel het geval is geweest, merkt de Commissie daar nog het volgende over op . Jaarlijks worden door B/T aanvragen voor KOT behandeld die een HOTHOR-signalering hebben. Een HOTHOR-signalering wordt gedaan wanneer op basis van een aanvraag of wijziging van KOT een toeslagbedrag wordt berekend dat boven de ter zake vastgestelde norm van € 20.000 uitkomt. In dat geval komt een automatische melding in het systeem. Er wordt dan een handmatige controle uitgevoerd om te kijken of de aanvraag of wijziging juist is opgegeven. Een dergelijke risico inventarisatie wordt volledig automatisch toegepast bij iedere Kot-gerechtigde bij het passeren van het normbedrag van € 20.000 en betreft een vorm van regulier toezicht. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daar op zichzelf niet het doorslaggevende bevestigende antwoord op. Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of van discriminatie is op grond van de ter beschikking staande stukken en de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden niet gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende stelt dat de B/T op grond van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat ook dit bezwaar – wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.

Motivering van de beschikking

Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de onderdelen van de compensatieberekening zijn opgebouwd.

Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken – waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Informatie uit de KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen.

De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Verrekeningen

Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen van KOT met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT).

De Commissie overweegt dat deze verrekeningen onderdeel zijn van de uitvoering die destijds aan de KOT is gegeven. De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS). Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2007

Belanghebbende voert aan dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor het toeslagjaar 2007.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2007 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel van hardheid van het stelsel. Uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende per 1 mei 2007 een wijziging in het aantal opvanguren heeft doorgegeven voor één kind. Op 6 mei en 2 september 2013 heeft B/T twee uitvraagbrieven verstuurd, waar door belanghebbende niet op is gereageerd. Vervolgens heeft B/T gebruik gemaakt van de gegevens uit de KOI-viewer, waaruit blijkt dat in dit jaar vanaf 1 mei 2007 voor één kind gebruik is gemaakt voor kinderopvang. Dit komt overeen met de door belanghebbende zelf doorgegeven wijziging. Voorts komt dit overeen met de jaaropgave die belanghebbende in de bezwaarprocedure tegen de hoogte van de KOT heeft verstrekt. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2007 was dan ook gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend.

Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2008

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat over het toeslagjaar 2008 ten onrechte een bedrag van € 2.726 is opgenomen onder component a van de compensatieberekening. Uit de tijdlijn van UHT zou namelijk blijken dat op 4 december 2007 een voorschot van € 7.361 aan belanghebbende is toegekend, zodat van dat bedrag uit had moeten worden gegaan.

De Commissie overweegt als volgt. Bij de berekening van de compensatie voor het toeslagjaar 2008 is terecht uitgegaan van een bedrag van € 2.726 onder component a in plaats van € 7.361. Uit de gegevens blijkt dat in dat jaar aanzienlijk meer KOT is uitbetaald dan er daadwerkelijk aan opvangkosten is gemaakt. In dergelijke gevallen wordt aangenomen dat belanghebbende had kunnen beseffen dat de ontvangen KOT te hoog was en wordt alleen gecompenseerd over het deel waarvoor daadwerkelijk recht bestond.

Het deel van de KOT dat evident te hoog was – omdat het ver boven de werkelijke kosten lag – wordt niet meegenomen in de compensatie. Voor de berekening is gebruikgemaakt van informatie uit KOI-viewer en de door belanghebbende zelf ingediende jaaropgave. Daarmee is het bedrag waarvoor geen recht bestond terecht buiten beschouwing gelaten en is component a correct vastgesteld op €2.726. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2009

UHT heeft in haar aanvullende schriftelijke beschouwing toegelicht dat bij de berekening van de KOT over dit jaar per abuis is uitgegaan van de overgelegde jaaropgave 2010. De daadwerkelijke kosten hadden vastgesteld moeten worden op € 3.572 zoals ook blijkt uit de jaaropgave 2009, maar zijn vastgesteld op €4.149. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen over de situaties waarin aanzienlijk meer KOT is uitbetaald dan er daadwerkelijk aan opvangkosten is gemaakt, stelt de Commissie vast dat component a vastgesteld diende te worden op € 3.572 - € 1.188 (de gemeentelijke bijdrage) = € 2.384. Omdat dit echter een fout is in het voordeel van belanghebbende is, mag het compensatiebedrag niet worden aangepast, zoals UHT ook heeft toegezegd.

Toeslagjaar 2010

In 2010 vond een automatische continuering plaats, waarbij op 5 december 2009 een voorschot van € 5.366 werd vastgesteld. Op 26 oktober 2011 werd de KOT op nihil gesteld, omdat volgens B/T niet was gereageerd op meerdere informatieverzoeken.

Belanghebbende diende op 12 maart 2013 een bezwaarschrift in en voegde daarbij jaaroverzichten toe. Hoewel het bezwaar buiten de wettelijke termijn was ingediend en daarom niet-ontvankelijk werd verklaard, is het wel opgevat als een verzoek tot herziening.

Uit het jaaroverzicht bleek dat er kinderopvang is afgenomen in de maanden januari tot en met september 2010. Op basis hiervan is de KOT op 4 mei 2013 definitief vastgesteld op € 3.823.

Omdat de verzonden informatieverzoeken niet zijn teruggevonden in de systemen van de B/T, heeft UHT geconcludeerd dat er sprake was van vooringenomen handelen. Op basis van het jaaroverzicht is vastgesteld dat opvang alleen plaatsvond in de maanden januari tot en met september. Voor deze periode heeft belanghebbende compensatie ontvangen; de maanden oktober, november en december zijn uitgesloten van compensatie. Deze gang van zaken komt de Commissie juist voor.

De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2011

Belanghebbende voert aan dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor het toeslagjaar 2011. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in 2011 omdat belanghebbende in dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. In de derde alinea van het bezwaarschrift van belanghebbende van 20 december 2012 (productie 31) tegen terugvordering van KOT staat onder meer:

In 2011 heb ik geen gebruik gemaakt van kinderopvang. Per 1 oktober 2010 heb ik de opvang opgezegd. Helaas heb ik dat te laat doorgegeven bij de belastingdienst en heb hierdoor nog wel in de maand oktober, november en december 2010 en in januari, februari en maart 2011 kinderopvangtoeslag ontvangen. Per april 2011 heb ik geen kinderopvangtoeslag meer ontvangen.

Belanghebbende heeft de juistheid van dat de inhoud van dit bezwaarschrift niet bestreden. Dat leidt tot de conclusie dat zij in 2011 inderdaad geen recht had op KOT en derhalve evenmin aanspraak kan maken op compensatie. Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012

Uit de in het geding gebrachte stukken is de Commissie gebleken dat over het toeslagjaar 2012 geen sprake is geweest van een neerwaartse bijstelling van de KOT. Het voorschot was namelijk op 29 december 2012 vastgesteld op € 496 en de KOT is vervolgens op 16 november 2013 definitief vastgesteld op € 496.

Gelet op voormelde bevindingen is de Commissie van oordeel dat UHT op goede gronden tot afwijzing van compensatie voor dit jaar is gekomen. Daarom acht de Commissie het bezwaar van belanghebbende op dit punt ongegrond.

Toeslagjaar 2013

Belanghebbende voert aan dat ten onrechte geen compensatie is toegekend voor het toeslagjaar 2013.

De Commissie overweegt dat, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2013 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. Uit het bezwaardossier blijkt dat de KOT automatisch is gecontinueerd en is vastgesteld op een bedrag van € 2.883. Vervolgens heeft belanghebbende via het digitale burgerportaal op 26 juli 2013 de KOT per 12 augustus 2013 zelf stopgezet. Naar aanleiding van deze wijziging heeft op 21 augustus 2013 een neerwaartse bijstelling plaatsgevonden en is de hoogte van het voorschot gewijzigd naar € 1.767. Vanwege een stijging in het toetsingsinkomen heeft er hierna een neerwaartse bijstelling plaatsgevonden en is op 13 november 2015 is de KOT definitief vastgesteld op € 1.510. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2013 was dan ook gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend.

Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2017 en 2018

Belanghebbende stelt dat zij vanwege de angst wegens eerdere problemen met de KOT geen KOT heeft durven aanvragen over de jaren 2017 en 2018. Indien belanghebbende meent dat zij door het missen van KOT over de jaren 2010 tot en met juli 2018 meer schade heeft geleden dan forfaitair wordt gecompenseerd, kan zij aanvullende compensatie verzoeken voor die werkelijke schade. Belanghebbende dient daartoe een verzoek tot vergoeding van die werkelijke schade in te dienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan CWS.

Toeslagjaar 2019

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het toeslagjaar 2019 ook beoordeeld hadden moeten worden.

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende aanvankelijk alleen zag op de toeslagjaren 2007 tot en met 2018. In dat licht

kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft het toeslagjaar 2019 in de herbeoordeling te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de ter zitting gedane toezegging van UHT om dit toeslagjaar als aanvullend verzoek in herbeoordeling te nemen. Nu deze werkwijze geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende impliceert, zal de Commissie de procedure niet aanhouden in afwachting van de beoordeling van her jaar 2019.

Vergoeding voor juridische kosten (component m)

In bezwaar stelt belanghebbende dat haar zonder geldige reden geen compensatie is geboden voor vergoeding voor juridische hulp en verzoekt deze compensatie alsnog toe te kennen.

De Commissie is uit de beschikbare stukken gebleken dat, voor zover sprake is geweest van (bezwaar)procedures tegen beschikkingen tot (voorlopige) vaststelling van de KOT over de onderhavige toeslagjaren, deze procedures destijds door belanghebbende zelf zijn gevoerd. Op grond van artikel 2.2 onderdeel f Wht kan een forfaitaire vergoeding voor juridische kosten slechts toegekend worden voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Nu niet gebleken is dat hiervan sprake is geweest, ziet de Commissie geen reden UHT te adviseren gevolg te geven aan het verzoek van belanghebbende.

Immateriële schadevergoeding (component n)

Belanghebbende betoogt dat het forfaitaire bedrag van € 500 per half jaar een te laag bedrag zou zijn voor haar situatie.

De Commissie wijst erop dat in het geval van compensatie op grond van artikel 2.1 Wht een forfaitaire compensatie wordt toegekend, waarmee gedupeerde ouders niet steeds het werkelijke nadeel dat zij ondervonden hebben, vergoed krijgen. Wanneer aannemelijk is dat de werkelijke schade als gevolg van het handelen van B/T hoger is dan de (deels) forfaitaire compensatie uit hoofde van artikel 2.3 Wht, kan belanghebbende op grond van artikel 2.1 lid 3 Wht in aanmerking komen voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Dat geldt ook voor immateriële schade. De aansluiting die gemachtigde zoekt bij de normbedragen uit het strafrecht voor ‘ten onrechte’ in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, gaat niet op. De Commissie verwijst naar een uitspraak van de Rechtbank Zeeland – West-Brabant van 23 juni 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:4449), waarin is overwogen dat in de situatie van de KOT-affaire geen sprake is van onrechtmatige detentie, zodat een vergelijking met de bedragen die in het strafrecht gebruikelijk zijn, reeds daarom niet op gaat. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Ouderverhaal

Belanghebbende stelt dat er geen oudergesprek heeft plaatsgevonden. De Commissie overweegt dat, hoewel dit niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door het nalaten van het oudergesprek heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing.

FSV-lijst, O/GS en discriminatie

Belanghebbende stelt dat de conclusies van UHT dat zij niet op de Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV) lijst heeft gestaan, dat zij niet voor een O/GS-tegemoetkoming en dat er geen sprake is geweest van discriminatie, niet worden onderbouwd met stukken.

FSV-lijst

De Commissie stelt vast dat uit het bezwaardossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de FSV-lijst. Het FSV-systeem is een systeem dat niet meer wordt gebruikt en daarom uitsluitend kan worden geraadpleegd door medewerkers met een speciale bevoegdheid. UHT heeft niet voldoende bevoegdheden om de door belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie te verstrekken. De Commissie adviseert UHT wel om aan belanghebbende alsnog een schermafdruk van de haar ter beschikking staande informatie te verstrekken tezamen met de beslissing op bezwaar.

O/GS

UHT heeft in de schriftelijke beschouwing, onder verwijzing naar een aanvullende productie, toegelicht dat geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie en gesteld dat er in het dossier ook geen stuk is aangetroffen waarin een verzoek van belanghebbende tot het treffen van een betalingsregeling is neergelegd. Ook uit andere omstandigheden is deze stelling niet aannemelijk geworden. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Discriminatie

Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, is de Commissie uit de ter beschikking staande stukken, de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden en uit de schriftelijke beschouwing van UHT niet gebleken.

Proceskostenvergoeding

Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van een proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, adviseert de Commissie belanghebbende om geen proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, het bestreden besluit in stand te laten en het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Secretaris

Fungerend voorzitter