BAC 2023-13445
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 25 april 2023 (UHT-DCH)
Overdracht advies aan UHT: 23 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek tot toekenning van een proceskostenveroeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor de jaren 2012 en 2014 en is geen compensatie toegekend voor de jaren 2013, 2015 en 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 25 januari 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2016.
- UHT heeft bij beschikking van 1 april 2021 (UHT-B DMB2) aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 januari 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna Wht) niet van toepassing is voor de maanden juli tot en met december 2012 en voor de toeslagjaren 2013, 2014, 2015 en 2016. CvW oordeelde dat voor de maanden januari tot en met juni 2012 de compensatieregeling van artikel 2.1 Wht wel van toepassing is. Voorts dient volgens CvW voor de terugvordering over de maanden juli tot en met december 2012 en voor het jaar 2013 een O/GS-tegemoetkoming te worden toegekend en dient de voor het jaar 2012 opgelegde boete van € 344 te worden gecompenseerd.
- UHT heeft bij de beschikking vooraankondiging van 23 februari 2023 met kenmerk UHT-VCH aan belanghebbende een (voorlopige) compensatie van €5.271 toegekend voor de maanden januari tot en met juni 2012.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende (definitieve) compensatie toegekend van € 6.500 voor de jaren 2012 (januari tot en met juni) en 2014 (voor een boete) en geen compensatie toegekend voor de maanden juli tot en met december 2012 en de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. Omdat belanghebbende reeds een bedrag van € 30.000 had ontvangen, volgde geen verdere betaling.
- Gemachtigde heeft bij brief van 9 mei 2023, ingekomen op 10 mei 2023, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 27 september 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
- Vervolgens heeft de Commissie in overleg met partijen een hoorzitting gepland op 8 mei 2025.
- Gemachtigde heeft bij brief van 30 april 2025 de gronden van het bezwaar aangevuld en de Commissie bericht dat belanghebbende en hijzelf niet ter zitting zullen verschijnen omdat de zaak op de stukken kan worden afgedaan.
- UHT heeft op 22 mei 2025 schriftelijk gereageerd op de aanvullende gronden.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2012 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016 af te wijzen.
Motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel
De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT ten aanzien van de
motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie constateert dat UHT in de bijlage bij de bestreden beschikking (het invul- en beoordelingsformulier) al een toelichting per toeslagjaar heeft gegeven waarmee UHT de bestreden beschikking per jaar motiveert.
Verder heeft UHT in bezwaar een schriftelijke beschouwing en een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend waarin UHT een aanvullende uitgebreide uitleg heeft gegeven met behulp van het informatie- en beoordelingsformulier, overzichten van het Landelijk Incasso Centrum en overige producties. Naar het oordeel van de Commissie is het bestreden besluit hierdoor voldoende onderbouwd.
Op 9 december 2024 zijn de schriftelijke beschouwing en het bezwaardossier aan gemachtigde toegezonden. Gemachtigde en belanghebbende hebben hierdoor nogmaals kennis kunnen nemen van de redenen die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en de stukken in het dossier en hebben zij de gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog stukken zouden ontbreken die van belang zijn voor het door UHT genomen besluit. Van enige schending van het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:7 en 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht is dan ook niet gebleken. De door belanghebbende in dit verband ontwikkelde bezwaren kunnen dus niet tot het door haar gewenste doel leiden.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beoordeling compensatieberekening
UHT heeft tijdens het bezwaar de verschillende toeslagjaren in detail behandeld in de schriftelijke beschouwing en komt gemotiveerd tot de conclusie dat het compensatiebedrag in de bestreden beschikking correct is berekend. De Commissie zal het bezwaar van belanghebbende hierna per jaar behandelen, waarbij opgemerkt wordt dat belanghebbende kennelijk geen bezwaar heeft tegen de gang van zaken met betrekking tot het jaar 2012.
2013
Belanghebbende maakt bezwaar tegen het feit dat vooringenomenheid is vastgesteld (vanwege het niet aanwezig zijn van de vraagbrieven) maar geen compensatie is toegekend op grond van evident geen recht op KOT. Zij ontving een ziektewetuitkering, waarbij aan haar ingevolge de Wet verbetering Poortwachter re-integratieverplichtingen waren opgelegd. Zij stelt dat zij daarom wel tot de doelgroep van de KOT behoorde en dat zij daarom gecompenseerd had moeten worden op grond van vooringenomenheid dan wel subsidiair op grond van hardheid nu sprake is geweest van een terugvordering of een verlaging van meer dan €1.500 en de KOT mogelijk aan de KOI is uitbetaald maar van belanghebbende is teruggevorderd.
UHT stelt dat belanghebbende over 2013 een uitkering heeft ontvangen op grond van de Ziektewet. Volgens UHT is over geheel 2013 sprake van evident geen recht op KOT wegens het niet verrichten van werkzaamheden door belanghebbende wegens ziekte.
Tijdens een periode van ziekte kan recht bestaan op KOT mits de noodzaak bestaat op het afnemen van kinderopvang. Belanghebbende heeft dit echter niet gesteld en ook niet aannemelijk gemaakt. Daarom is er over toeslagjaar 2013 geen sprake geweest van doelgroeperschap.
Uit het LIC overzicht 2013 (productie 31) blijkt verder dat de KOT over toeslagjaar 2013 uitsluitend is betaald aan belanghebbende. Uitbetalingen aan een kinderopvanginstelling (KOI) hebben over 2013 niet plaatsgevonden. De ‘KOT naar KOI’-regeling is daarom niet aan de orde, zelfs als voor meer dan € 1.500 aan KOT is teruggevorderd. Aan de voorwaarden voor hardheid is niet voldaan en er is geen sprake van bijzondere omstandigheden. UHT handhaaft de conclusie dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie. Belanghebbende heeft wel een tegemoetkoming ontvangen voor de onterechte O/GS kwalificatie over 2013. Bij beschikking met kenmerk UHT-O OGS B van 26 april 2023 is haar een tegemoetkoming toegekend van € 2.005 over de tweede helft van toeslagjaar 2012 en toeslagjaar 2013.
Op grond van het door partijen gestelde en het bezwaardossier stelt de Commissie vast dat belanghebbende in 2013 niet heeft gewerkt en een uitkering ontving op grond van de Ziektewet. Niet aannemelijk is voorts geworden dat zij desondanks recht had op KOT omdat ze kinderopvang nodig had en heeft genoten. Ook is gebleken dat de KOT naar KOI regeling niet van toepassing is omdat de KOT werd betaald aan belanghebbende. Van bijzondere omstandigheden is geen sprake geweest.
De Commissie concludeert dat belanghebbende geen aanspraak heeft op compensatie en adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
2014
Voor toeslagjaar 2014 stelt belanghebbende dat zij tot 4 mei 2014 een ziektewetuitkering ontving, waarbij aan haar in gevolge de Wet verbetering Poortwachter re-integratieverplichtingen waren opgelegd waardoor zij van 1 januari tot en met 1 juli 2014 tot de doelgroep zou behoren. Op grond van vooringenomenheid had zij derhalve gecompenseerd moeten worden dan wel subsidiair op grond van hardheid nu er sprake is van een terugvordering of een verlaging van meer dan € 1.500 terwijl de KOT aan de KOI is uitbetaald en bij cliënte is teruggevorderd. Belanghebbende is van mening dat hierbij als uitgangspunt dient te worden genomen dat er vanaf 1 januari tot 1 augustus 2014 daadwerkelijk opvang is genoten (ouder heeft op 10 augustus 2014 met ingang van 1 augustus 2014 de KOT stopgezet).
UHT stelt dat belanghebbende een ziekte-uitkering ontving tot en met 4 mei 2014 en voor de rest van 2014 niet heeft gewerkt of als doelgroeper stond geregistreerd. Dit betekent dat over 2014 sprake is van een situatie van evident geen recht op KOT. Dit gegeven leidt ertoe dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie op grond van vooringenomenheid.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende tot 4 mei 2014 een uitkering ontving op grond van de Ziektewet. Belanghebbende stelt wel dat zij in de periode 1 januari 2014 – 4 mei 2014 re-integratieverplichtingen had, maar maakt die stelling niet aannemelijk. Zij stelt, anders dan van haar verwacht had mogen worden, ook niet wat die verplichtingen inhielden en waarom zij daarom oppas nodig had. Uit het bezwaardossier is voorts niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende in 2014 heeft gewerkt of anderszins kwalificeerde als doelgroeper. Zij had dus geen recht op KOT over 2014. Ook is gebleken dat de KOT naar KOI regeling niet van toepassing is omdat de KOT werd betaald aan belanghebbende. Van bijzondere omstandigheden in de zin van de Wht is geen sprake gebleken.
De Commissie concludeert dat belanghebbende op grond van de Wht geen aanspraak heeft op compensatie.
De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
2015 en 2016
Belanghebbende stelt dat zij over 2015 en 2016 geen KOT meer heeft kunnen aanvragen vanwege de handelswijze van B/T. Om die reden vindt belanghebbende dat zij over 2015 en 2016 voor compensatie in aanmerking komt.
Volgens UHT blijkt uit het bezwaardossier dat belanghebbende over de jaren 2015 en 2016 geen KOT heeft aangevraagd en gebruik heeft gemaakt van opvang. In het aanvullende bezwaarschrift is dit ook erkend door belanghebbende.
Op grond van de Wht komt een belanghebbende geen forfaitaire compensatie toe over een jaar waarvoor geen KOT is aangevraagd en waarin geen opvang is afgenomen, ook in het geval het niet aanvragen van KOT en/of het geen gebruik maken van geregistreerde opvang het gevolg zou zijn van de handelswijze van B/T met betrekking tot eerdere jaren. Belanghebbende heeft dus geen recht op forfaitaire compensatie over deze jaren.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar tegen het bestreden besluit ongegrond is en de beschikking in stand kan blijven, dient het verzoek van belanghebbende om toekenning van een proceskostenvergoeding te worden afgewezen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT om:
- het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH ongegrond te verklaren;
- het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te kennen, af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter