BAC 2023-13427
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 27 maart 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 26 februari 2025
Overdracht advies aan UHT: 17 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.721,- voor de jaren 2006, 2007 en 2009 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2008.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 2 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2008. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling uitgebreid met toeslagjaar 2009.
- UHT heeft bij beschikking van 17 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 januari 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende het jaar 2008 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 22.721,- (aangevuld tot
- € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling) voor de toeslagjaren 2006, 2007 en 2009 en geen compensatie toegekend voor het jaar 2008.
- Gemachtigde heeft bij brief van 5 mei 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 24 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 26 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, bij aanvullende beschouwing gedateerd 28 februari 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daarop op 28 maart 2025 gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2006, 2007 en 2009 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2008 af te wijzen.
Belanghebbende verzoekt om haar persoonlijk dossier. Zij stelt dat het bezwaardossier onvolledig is.
De Commissie onderschrijft het recht van belanghebbende op haar persoonlijk dossier. Het persoonlijk dossier bevat ook informatie over andere toeslagen. In de bezwaarprocedure is UHT echter gehouden om alle op het bestreden besluit betrekking hebbende stukken te overleggen. De beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 23 oktober 2024 toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
Verder adviseert de Commissie UHT om belanghebbende in de beschikking op bezwaar duidelijkheid te verschaffen over wanneer het verzoek om het persoonlijk dossier naar de juiste afdeling is doorgezonden en wanneer het persoonlijk dossier verwacht mag worden.
Compensatieberekening (toeslagjaren 2006, 2007 en 2009)
Belanghebbende betoogt dat de compensatieberekening onjuist is.
UHT erkent in de beschouwing dat de rentevergoeding voor gemiste KOT onjuist is berekend. Voor de jaren 2006 en 2007 zou het juiste bedrag in het nadeel van belanghebbende zijn, dat wordt daarom niet aangepast. Voor het jaar 2009 wordt de rentevergoeding voor gemiste KOT wel aangepast, van € 787,- naar € 831,-.
UHT zegt toe dat de vergoeding voor immateriele schade wordt berekend tot de datum van de beschikking op bezwaar. Ook wordt de aanvullende vergoeding van 1% aangepast.
Op de hoorzitting en in de aanvullende beschouwing heeft UHT ook toegezegd dat over 2007 nog een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand zal worden toegekend.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.
De Commissie meent dat het bedrag onder a ten aanzien van 2007 juist is vastgesteld op € 7.371,- in plaats van op € 7.500,- zoals gemachtigde heeft betoogd. Bij beschikking van 24 april 2007 (productie 20) is de KOT conform de aanvraag van 27 december 2006 vastgesteld op € 7.371,-, dat is overeenkomstig de melding van 24-04-2007 in de tijdlijn op pagina 28 van het dossier. Het onverschoonbaar overschrijden van de beslistermijn met de beschikking van 24 april 2007 is als vooringenomen beoordeeld.
De compensatie is berekend conform de aanvraag en dus geldt het bedrag van deze beschikking als uitgangspunt. Dat komt de Commissie juist voor.
Op grond van artikel 2.2. onder a van de Wht bestaat de compensatie uit een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een KOT die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid. Het niet tijdig verstrekken van het voorschot wordt als nihilbeschikking beschouwd (pagina 44 dossier). Er had conform de aanvraag een bedrag van € 7.371,- toegekend moeten worden; dat is dan het bedrag bedoeld in artikel 2.2. onder a Wht.
Er bestond voor UHT geen aanleiding om het bedrag van € 7.500,- in de beschikking van 1 mei 2012 (herziene berekening) als uitgangspunt voor de compensatieberekening te nemen.
Ten aanzien van toeslagjaar 2009 heeft belanghebbende op de hoorzitting betoogd dat zij zich de stopzetting van de KOT per 1 april 2009 niet kan herinneren. Uit het XML-bestand (productie 50) volgt dat de KOT op 31 maart 2009 om 19:46 uur met de DigiD van belanghebbende is stopgezet per 1 april 2009. De stopzetting is per beschikking van 16 april 2009 aan belanghebbende bevestigd (productie 36). Hiermee is naar de Commissie meent voldoende aannemelijk dat de KOT is stopgezet per 1 april 2009. Bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel mocht B/T ervan uitgaan dit door of namens belanghebbende werd gedaan.
Belanghebbende betoogt dat zij over toeslagjaar 2008 ook gedupeerd is en voor dit jaar gecompenseerd zou moeten worden. Zij heeft op 31 juli 2009 een jaaropgave ingediend, waarna zij 1,5 jaar heeft moeten wachten op een volledige nabetaling van de KOT. Verder is de bezwaarprocedure destijds op vooringenomen wijze door B/T behandeld; het bezwaarschrift is als informatieverzoek gekwalificeerd en de beschikking op bezwaar is niet aan de toenmalige gemachtigde toegezonden maar aan belanghebbende zelf.
Zij betoogt ook dat de beschikking van 8 mei 2012 in strijd met artikel 21 van de Awir en daarmee vooringenomen is.
UHT heeft nogmaals naar dit jaar gekeken, ook in het licht van de beoordeling over 2007. Zij is in de aanvullende beschouwing tot de conclusie gekomen dat over toeslagjaar 2008 geen recht op compensatie bestaat.
Ten aanzien van het betoog van belanghebbende dat de afwikkeling in dit toeslagjaar erg lang heeft geduurd en zij 1,5 jaar heeft moeten wachten op de nabetaling, merkt UHT op dat de afwikkeling langer heeft kunnen duren dan normaal omdat belanghebbende in eerste instantie op een signaallijst stond.
De lange duur tot vaststelling van een beschikking is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat sprake is van vooringenomenheid.
UHT stelt zich verder op het standpunt dat het op grond van artikel 21 Awir mogelijk is om de definitieve beschikking te herzien, indien er zich feiten en omstandigheden voordoen die niet eerder bekend waren. De definitieve beschikking is herzien vanwege een gewijzigd toetsingsinkomen. UHT noemt in dit verband een definitieve beschikking van 11 februari 2014 en een herziene beschikking van 30 december 2017; naar de Commissie meent worden de definitieve beschikking van 15 april 2010 en de herziene beschikking van 8 mei 2012 bedoeld.
De Commissie overweegt als volgt.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2008 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel.
Het voorschot KOT is over 2008 eenmaal neerwaarts bijgesteld, bij herziene berekening van de definitieve KOT bij beschikking van 8 mei 2012, van € 8.266,- naar € 6.921,- vanwege een hoger vastgesteld toetsingsinkomen.
De terugvordering KOT was daarmee gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. De Commissie heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat deze bijstellingen niet conform de wet zijn uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook geen aanspraak kan worden gemaakt op een O/GS-vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Daarnaast adviseert de Commissie UHT om belanghebbende in de beschikking op bezwaar duidelijkheid te verschaffen over (de grondslag van) de herziening van de KOT bij beschikking van 8 mei 2012; of dit is geweest op grond van artikel 20 of artikel 21 van de Awir en verder of voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van deze wettelijke regeling (Vergelijk ook het Handboek IB-Vaktechniek 3.13 onder 3.1.9).
Ook adviseert de Commissie UHT om belanghebbende in de beschikking op bezwaar duidelijkheid te verschaffen over de reden dat zij op de signaallijst stond en waarom dit gerechtvaardigd zou zijn geweest. De vermelding op de signaallijst is volgens UHT de reden dat veel tijd is verstreken tussen het toesturen van de jaaropgave 2008 in juli 2009 en de beschikkingen en nabetalingen in maart en april 2010 (Vergelijk ook het Handboek IB-Vaktechniek 3.13 onder 3.1.17).
In de wijze waarop B/T destijds het bezwaar tegen de beschikking van 8 mei 2012 heeft behandeld ziet de Commissie geen vooringenomen handelen dat kan leiden tot compensatie in de zin van artikel 2.1 lid 1 Wht. Evenmin is sprake van de situatie die in 2007 als vooringenomen is beoordeeld; het (onverschoonbaar) te laat beslissen op de aanvraag KOT.
Werkelijke schade
De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) bestemd.
Indien belanghebbende voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade in aanmerking wil komen, dient zij daartoe een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade in te dienen, dat door UHT voor advies wordt voorgelegd aan de CWS. Dit CWS-advies is vervolgens leidend bij het nemen van het besluit met betrekking tot de aanvullende compensatie.
Een andere route is die via Stichting (Gelijk)waardig Herstel.
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- de compensatieberekening als volgt aan te passen:
- een vergoeding voor kosten van rechtsbijstand toe te kennen voor toeslagjaar 2007;
- de rentevergoeding voor gemiste KOT over 2009 vast te stellen op € 831,-;
- de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de datum van de beschikking op bezwaar;
- de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen;
- belanghebbende duidelijkheid te verschaffen over het persoonlijk dossier, de (grondslag van de) herziening bij beschikking van 8 mei 2012 en de reden dat zij op de signaallijst stond (toeslagjaar 2008);
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
Secretaris
Fungerend voorzitter