BAC 2023-13389
Publicatiedatum 17-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 12 april 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 2 februari 2026 om 13:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 1 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 en 2011.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 27 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 t/m 2014. In overleg met belanghebbende is het verzoek beperkt tot de jaren 2010 en 2011, omdat uitsluitend in die jaren KOT is aangevraagd.
- UHT heeft bij besluit van 27 april 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 4 april 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 en 2011.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 mei 2023, ingekomen op 23 mei 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 21 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 29 januari 2026 heeft gemachtigde zijn bezwaarschrift aangevuld door een e-mailbericht met elf bijlagen.
- Op 2 februari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 2 februari 2026 heeft gemachtigde ter aanvulling van hetgeen hij tijdens de hoorzitting heeft gesteld, een e-mailbericht ingezonden met één bijlage.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 5 februari 2026 een uitdraai uit het BARC-systeem ingezonden. Op 12 februari 2026 heeft UHT nog negen producties ingezonden. Gemachtigde heeft daar op 3 maart 2026 op gereageerd middels een e-mailbericht met één bijlage. Gemachtigde heeft daarna op 19 maart 2026 wederom een e-mailbericht ingezonden met één bijlage.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, heeft UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Equality of Arms
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. In zijn ogen wordt hij in zijn procesbelang geschaad, omdat hij niet de beschikking krijgt over zijn persoonlijk dossier en/of een volledig bezwaardossier en daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt.
De Commissie overweegt dat zij een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie is in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgt op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De beschouwing met de bijbehorende producties, waaronder ook de “Overzichten (uit)betalingen en/of verrekeningen toeslagen”, is op 14 oktober 2025 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Afgewezen toeslagjaren
Bij het bestreden besluit heeft UHT geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2010 en 2011 geen recht heeft op compensatie wegens vooringenomen handelen, hardheid van het stelsel of een onterechte opzet/grove-schuldkwalificatie (hierna: O/GS-kwalificatie).
De Commissie constateert op basis van het dossier dat B/T in de toeslagjaren 2010 en 2011 vooringenomen heeft gehandeld, aangezien de KOT over die jaren is stopgezet zonder voorafgaande uitvraag bij belanghebbende. Er doet zich echter een ernstige onregelmatigheid voor. Evident bestond geen recht op KOT, aangezien het kind waarvoor de KOT was aangevraagd vanaf 9 september 2009 stond ingeschreven op een adres op Curaçao, terwijl de opgegeven kinderopvanginstelling in Nederland was gevestigd.
Belanghebbende stelt in dit verband dat zijn ex-partner heeft gefraudeerd door op zijn naam KOT aan te vragen en de uitbetalingen te laten plaatsvinden op bankrekeningen van belanghebbende die onder haar beheer stonden. Hoewel denkbaar is dat de ex-partner met de DigiD van belanghebbende of op andere wijze frauduleus KOT heeft aangevraagd, is dit niet aannemelijk geworden en is de ex-partner geen derde. Er is dus geen sprake van fraude door een derde dat alsnog compensatie wegens vooringenomen handelen zou rechtvaardigen.
De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verzoek om stukken met betrekking tot afgewezen O/GS-tegemoetkoming
Naar aanleiding van hetgeen tijdens de hoorzitting is besproken, heeft UHT op 5 februari 2026 een uitdraai uit het BARC-systeem overgelegd. Gemachtigde heeft verzocht tevens de overige documenten met betrekking tot het O/GS-onderzoek te ontvangen.
De Commissie is van opvatting dat gelet op de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Tweede Kamer, vergaderjaar 2025-2026, 36 708, nr. 68) UHT standaard en actief inzage dient te verstrekken in alle stukken die aan de O/GS-kwalificatie ten grondslag liggen. Indien de beoordeling van UHT (mede) berust op de vaststelling dat geen informatie over belanghebbende beschikbaar is in een geraadpleegde gegevensbron, dient UHT die vaststelling te onderbouwen, bijvoorbeeld met een schermafbeelding van de resultaten en de geraadpleegde systemen. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraak van Rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545.
Aan UHT wordt geadviseerd om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van het voorgaande, inzage te verstrekken in alle stukken die aan de O/GS-kwalificatie ten grondslag liggen en belanghebbende tevens voorafgaand aan het besluit op bezwaar in de gelegenheid te stellen daarop te reageren.
Hardheid van het stelsel/beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat hij op grond van hardheid in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die hij heeft geleden door de verrekeningen van de terugvordering over de jaren 2010 en 2011 met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De B/T heeft bij deze verrekeningen geen rekening gehouden met de beslagvrije voet.
Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en de systematiek van de compensatieregeling kan echter niet worden afgeleid dat de wetgever bij de compensatie op grond van hardheid dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De wet vermeldt de situatie van verrekening niet expliciet. Uit de wetsgeschiedenis (de nota naar aanleiding van het eindverslag) blijkt dat de reikwijdte van de hardheidsregeling bewust enigszins beperkt is gehouden en dat eventuele uitbreidingen een nieuwe bewuste afweging van de wetgever vergen (Kamerstukken II 2021-2022, 36 151, nr. 7, p. 14).
Geen proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar ongegrond te verklaren;
- het bestreden besluit niet te herroepen; en
- geen procesvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter