BAC 2023-13363
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 19 mei 2023 met kenmerk UHT-DCH
Hoorzitting: 29 april 2025 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 26 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) voor de toeslagjaren 2007 en 2009 een compensatie toegekend ter grootte van € 30.000 en is het compensatiebedrag vastgesteld op € 3.751. Belanghebbende heeft over de jaren 2008, 2010 en van 2014 tot en met 2016 geen recht op compensatie.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 1 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over 2010, 2012 en 2014. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is het herbeoordelingsverzoek aangepast naar de toeslagjaren 2007 tot en met 2010 en van 2014 tot en met 2016.
- UHT heeft bij beschikking van 12 augustus 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat over de jaren 2008, 2010 en 2014 tot en met 2016 de compensatieregeling niet van toepassing is. Over de jaren 2007 en 2009 is belanghebbende door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen behandeld. Belanghebbende dient hiervoor gecompenseerd te worden.
- UHT heeft met de beschikking van 19 mei 2023 met kenmerk UHT-DCH (hierna: de bestreden beschikking) aan belanghebbende over de toeslagjaren 2007 en 2009 het compensatiebedrag op € 3.751 vastgesteld. Over de jaren 2008, 2010 en 2014 tot en met 2016 heeft belanghebbende geen recht op compensatie.
- Gemachtigde heeft bij brief van 22 mei 2023 tegen de bestreden beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 30 juli 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 29 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal naar aanleiding van de ingediende bezwaarschriften ingaan op:
- Het bezwaardossier;
- Strijd met het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel.
Belanghebbende stelt prijs op het bezwaardossier zodat de gronden van het bezwaar verder aangevuld kunnen worden. Op grond van het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb moet het orgaan dat bevoegd is om op het bezwaar te beslissen de op de zaak betrekking hebbende stukken in ieder geval aan de gemachtigde ter beschikking stellen. De Commissie stelt vast dat de gemachtigde op 9 december 2024 in het bezit is gesteld van alle op de zaak betrekking hebbende documenten en de schriftelijke beschouwing van 30 juli 2024. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Strijd met het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel
Belanghebbende voert aan dat sprake is van strijd met het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT bij de toekenning van compensatie over 2007 en 2009 en afwijzing van compensatie over de jaren 2008, 2010 en van 2014 tot en met 2016 rekening heeft gehouden met het informatie -en beoordelingsformulier en de (voorschot)beschikkingen. In het bezwaardossier zijn daarbij de SAS- en LIC-overzichten, RKT-bestanden en overige producties opgenomen, zodat daarmee de bestreden beschikking voldoende is onderbouwd. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde haar bezwaar nog verder uitgebreid en toegelicht. In essentie gaat het daarbij om de bezwaargronden die zien op de volgende onderwerpen:
- Toeslagjaar 2008;
- Ontbreken van 2009 in de compensatieberekening;
- Toeslagjaar 2014;
- Beroep op de hardheidsclausule conform artikel 9.1 van de Wht;
- O/GS-kwalificatie.
Toeslagjaar 2008
Gemachtigde voert aan dat belanghebbende in 2008 door B/T vooringenomen is behandeld omdat er onvoldoende uitvraag is gedaan. In bezwaar heeft belanghebbende het verzuim hersteld, maar is haar alsnog verweten dat niet op informatieverzoeken is gereageerd, zoals het verstrekken van een jaaropgave. De kinderopvang verliep via de gemeente Schiedam, die een bureau inschakelde voor de administratie en het verrichten van de betalingen. Belanghebbende werkte als vrijwilliger bij de opvanglocatie van haar dochter. B/T wist hiervan en had zelf contact moeten opnemen met de gemeente. De stopzetting van de KOT werd zonder haar betrokkenheid geregeld. Belanghebbende is in 2007 vooringenomen behandeld en dat heeft doorgewerkt naar toeslagjaar 2008.
Belanghebbende heeft in 2008 gebruik gemaakt van kinderopvang en is nu niet meer in staat om een jaaropgave te reproduceren. Ze stelt dat in vergelijkbare situaties anderen wel worden geloofd en doet daarmee een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
UHT licht toe dat in een notitie van de gemeente is opgenomen dat er na 2007 geen kinderopvang meer zou zijn afgenomen. Uit de systemen van B/T blijkt eveneens dat er in 2008 geen kinderopvang is afgenomen. In bezwaar is de nihilstelling gehandhaafd omdat belanghebbende geen bewijs heeft aangeleverd waaruit blijkt dat er wel kinderopvang heeft plaatsgevonden.
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in het jaar 2008, nu belanghebbende in dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. De Commissie maakt uit de onderliggende stukken op dat belanghebbende in 2007 nog kinderopvang heeft afgenomen bij kinderopvanginstelling [naam] te Schiedam over de periode 5 maart tot en met 10 december 2007. In bezwaar heeft B/T de KOT alsnog hersteld door uit te gaan van de ingebrachte jaaropgave waaruit dat blijkt. Hoewel de KOT niet automatisch doorliep tot en met het einde van het jaar is de KOT toch voor een bedrag van € 937 voor het gehele jaar 2008 op voorschotbasis gecontinueerd. Het herhaalde verzoek om informatie van 26 februari 2010 waarin gevraagd werd om de daadwerkelijk gemaakte opvangkosten voor 2008 is niet meer terug te vinden in de systemen van B/T. De Commissie kan UHT dan ook volgen in het standpunt dat met de herzieningsbeschikking van 14 mei 2010 waarin het voorschot wordt herzien naar nihil vooringenomen is gehandeld. In deze bezwaarprocedure staat dat verder niet ter discussie. Belanghebbende heeft in bezwaar tegen de herziening geen informatie ingebracht waaruit blijkt dat er kinderopvang heeft plaatsgevonden. In de bezwaarprocedure is daar met de brief van 24 december 2010 nadrukkelijk om verzocht. Belanghebbende heeft in deze procedure bij het bezwaarschrift wederom de jaaropgave van 2007 bijgevoegd. B/T heeft het bezwaar van belanghebbende op 21 maart en 21 oktober 2011 ongegrond verklaard. Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende tegen de uitkomst in bezwaar beroep heeft aangetekend. Tegen de beschikking van 22 juni 2010 waarin het recht op KOT definitief is bepaald op nihil heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt. Daarmee zijn de rechtsgevolgen dat belanghebbende over het jaar 2008 geen recht heeft op KOT in kracht van gewijsde gegaan. De Commissie stelt in deze bezwaarprocedure vast dat belanghebbende niet aannemelijk heeft kunnen maken dat er kinderopvang heeft plaatsgevonden. Als belanghebbende door B/T vooringenomen is behandeld en gebleken is dat er evident geen recht is op KOT, dan blijft compensatie uit. Ook blijkt uit de informatie vanuit de Koi-viewer niet dat er kinderopvang is afgenomen.
Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd.
De Commissie gaat voorbij aan de stelling van belanghebbende dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel anderen in gelijke situaties wel worden geloofd. Belanghebbende heeft deze algemene stelling niet, onderbouwd met documenten of op andere wijze aannemelijk gemaakt.
Belanghebbende komt voor het jaar 2008 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Deze bezwaargrond treft, gelet op het voorgaande, geen doel.
Ontbreken van 2009 in de compensatieberekening
Gemachtigde heeft tijdens de hoorzitting opgemerkt dat in de beschouwing van UHT van 30 juli 2024 in de bijlage van de compensatieberekening toeslagjaar 2009 ontbreekt. In reactie daarop heeft UHT verklaard dat belanghebbende door B/T vooringenomen is behandeld, maar daarvoor niet wordt gecompenseerd. Compensatie is niet aan de orde omdat tijdens de behandeling in bezwaar is gebleken dat belanghebbende geen gekwalificeerde kinderopvang heeft afgenomen. In de beschouwing van 30 juli 2024 wordt dat verder toegelicht en dat niet wordt teruggekomen op de geboden compensatie dit toeslagjaar. Dit is de reden geweest om toeslagjaar 2009 niet meer in de bijlage van de compensatieberekening op te nemen.
De Commissie is met UHT van oordeel dat in deze bezwaarprocedure niet meer kan worden teruggekomen op de geboden compensatie voor toeslagjaar 2009. Dat UHT in de beschouwing van 30 juli 2024 in de bijlage compensatie dit jaar niet meer heeft meegenomen, acht de Commissie begrijpelijk.
Gemachtigde stelt dat B/T op de hoogte was dat belanghebbende in 2014 een re-integratietraject volgde en dat desondanks toch onnodig werd doorgevraagd.
Belanghebbende diende KOT terug te betalen terwijl zij die niet op haar rekening heeft ontvangen. Belanghebbende heeft diverse keren bezwaar gemaakt om te kijken naar de rol die de gemeente daarin speelde. Belanghebbende doet een beroep op de hardheidsregeling, hoewel het terug te vorderen bedrag onder de €1.500 blijft. UHT voert aan dat de KOT voor 2014 op grond van reguliere wijzigingen is aangepast en verwijst daarvoor naar de beschouwing van 30 juli 2014.
De Commissie overweegt dat, gelet op een en ander, niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2014 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. De Commissie stelt op basis van de onderliggende stukken vast dat de KOT tweemaal neerwaarts is bijgesteld. De eerste neerwaartse bijstelling vond plaats vanwege een wijziging van het aantal opvanguren. B/T heeft een tweede neerwaartse bijstelling toegepast vanwege het doorgeven van het juiste aantal opvanguren en aan de hand van de door belanghebbende gewerkte uren. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
De Commissie ziet in de informatieverzoeken van 11 juni en 13 augustus 2015 en 16 mei 2016 geen vooringenomen handelen, alleen al omdat deze verzoeken niet hebben geleid tot een neerwaartse beschikking.
De Commissie is van oordeel, gelet op het vorenstaande, dat deze bezwaargrond geen doel treft.
Beroep op de hardheidsclausule conform artikel 9.1 van de Wht.
Belanghebbende doet voor toeslagjaar 2014 een beroep op de hardheidsclausule conform artikel 9.1 van de Wht.
Op grond van artikel 9.1, lid 1, van de Wht kan UHT bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1, voor zover toepassing van dit artikel gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die heeft verzocht om de toekenning. Daarbij volgt uit de wetsgeschiedenis bij artikel 9.1 van de Wht dat de hardheidsclausule is bedoeld voor een bijzondere situatie waarin niet is voorzien en waarin toepassing van de wetsbepaling tot een zeer onbillijke uitkomst leidt. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat vasthouden aan de toepassing van de desbetreffende bepaling voor degene die heeft verzocht om toekenning van een van de genoemde herstelregelingen, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
De Commissie meent dat zo'n bijzondere situatie zich hier niet voordoet. Gemachtigde heeft haar stelling dat een onverkorte toepassing van artikel 2.1 van de Wht zal leiden tot een zeer onbillijke uitkomst niet gemotiveerd onderbouwd. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Belanghebbende meent dat het aannemelijk is dat een verzoek om te komen tot een betalingsregeling is afgewezen, omdat er op toeslagen beslag is gelegd en deze zijn stopgezet. In reactie daarop heeft UHT duidelijk gemaakt dat in de systemen van de Belastingdienst geen informatie is aangetroffen waaruit blijkt dat er een betalingsregeling is aangevraagd. Dat er op de toeslagen beslag is gelegd, wil niet zeggen dat het verzoek van belanghebbende om een betalingsregeling is afgewezen.
De Commissie heeft uit de onderliggende stukken niet kunnen opmaken dat belanghebbende een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd vanwege een O/GS-kwalificatie. Daarbij kan gewezen worden op het SAS-document waaruit blijkt dat bij belanghebbende geen sprake is geweest van een O/GS-kwalificatie (productie 74 van het bezwaardossier). Belanghebbende heeft haar stelling dat wel een betalingsregeling is aangevraagd niet met documenten aannemelijk gemaakt. De Commissie is voorts van mening dat het feit dat er is verrekend en beslag is gelegd op toeslagen niet zonder meer tot de conclusie leidt dat een persoonlijke betalingsregeling zou zijn afgewezen. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Nu de Commissie niet adviseert de primaire besluiten te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter