BAC 2023-13340
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 11 april 2023 (UHT-CWS LOP BZW)
Hoorzitting: 14 maart 2024 en 24 juni 2024
Overdracht advies aan UHT: 12 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen het besluit met kenmerk UHT-CWS LOP BZW ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het op 25 mei 2023 door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding van 11 april 2023 (kenmerk UHT-CWS LOP BZW) na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS).
Procesverloop
- Op 2 juni 2020 heeft belanghebbende verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met belanghebbende is besloten dat de herbeoordeling de jaren 2008 en 2009 zou betreffen.
- Op 24 februari 2021 heeft UHT naar aanleiding van de eerste toets een forfaitair bedrag van € 30.000, - aan belanghebbende toegekend.
- Bij beschikking van 6 september 2021 is het definitieve compensatiebedrag vastgesteld op € 44.261, -. Aan belanghebbende is aanvullend € 14.261, - uitbetaald.
- Belanghebbende heeft op 13 oktober 2021 een verzoek om aanvullende schade ingediend bij CWS.
- Op 28 juni 2022 heeft een toelichtingsgesprek plaatsgevonden bij CWS, waarin belanghebbende zijn verzoek om aanvullende schadevergoeding heeft toegelicht. Hiervan is een verslag gemaakt dat door belanghebbende is goedgekeurd.
- Op 15 juli 2022 heeft belanghebbende wederom een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij CWS.
- Op 5 oktober 2022 heeft op verzoek van belanghebbende een tweede toelichtingsgesprek plaatsgevonden bij CWS, waarin belanghebbende zijn verzoeken om aanvullende schadevergoeding van 13 oktober 2021 en 15 juli 2022 nader heeft toegelicht. Van dit toelichtingsgesprek is geen verslag aangetroffen in het dossier.
- Belanghebbende heeft van UHT de bestreden beschikking ontvangen met dagtekening 11 april 2023. De definitief berekende aanvullende werkelijke schadevergoeding bedraagt € 11.615, -.
- Bij brief van 25 mei 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende bezwaar gemaakt.
- Bij brief van 2 juni 2023 heeft UHT de ontvangst bevestigd van het namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift.
- Op 5 juli 2023 heeft UHT schriftelijk gereageerd op de bezwaargronden van belanghebbende.
- Bij brief van 6 maart 2024 is namens belanghebbende een aanvullend bezwaarschrift ingediend.
- Op 7 maart 2024 is dit bezwaarschrift doorgezonden aan UHT met het verzoek om een aanvullende schriftelijke reactie.
- Op 7 maart 2024 heeft de Commissie partijen laten weten dat de geplande hoorzitting van 14 maart 2024 het karakter van een regiezitting zal krijgen.
- Op 12 maart 2024 heeft UHT een aanvullende schriftelijke reactie ingediend.
- Op 14 maart 2024 heeft de Commissie een regiezitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Het verslag van deze hoorzitting is gevoegd bij dit advies.
- Op 28 maart 2024 heeft UHT een (tweede) aanvullende schriftelijke reactie opgesteld.
- Op 11 april 2024 is namens belanghebbende gereageerd op de aanvullende reactie.
- Op 20 juni 2024 laat UHT weten dat CWS binnen afzienbare tijd haar beleid zal aanpassen en dat UHT het bezwaar aan dit aangepaste beleid zal toetsen in de te nemen beslissing op bezwaar.
- Op 24 juni 2024 heeft de Commissie opnieuw een hoorzitting gehouden in aanwezigheid van partijen. Het verslag van deze tweede hoorzitting is eveneens gevoegd bij dit advies.
- Op 16 oktober 2024 heeft UHT nogmaals een (derde) aanvullende schriftelijke reactie opgesteld. Onderdeel van deze reactie is een aanvullend advies van CWS (van 18 september 2024), waarin CWS is ingegaan op de gevolgen van het per 1 juli 2024 gewijzigde beleid voor de casus van belanghebbende. CWS is niet ingegaan op de schadeposten die op basis van het nieuwe beleid niet wijzigen ten opzichte van het advies van de CWS van 16 februari 2023.
- Op 25 november 2024 heeft gemachtigde namens belanghebbende gereageerd op de aanvullende schriftelijke reactie.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft het bezwaarschrift behandeld en het navolgende advies uitgebracht.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Toetsingskader
De Commissie stelt ten aanzien van de door haar te verrichten toetsing van het bestreden besluit van UHT het volgende voorop.
In het kader van de hersteloperatie KOT biedt het kabinet gedupeerde ouders de mogelijkheid - naast de (deels) forfaitaire compensatie - ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie daarover eerder ook het advies van de BAC van 29 april 2022, zaak nr. BAC 2021-2219, te raadplegen via www.herstel.toeslagen.nl).
De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt
i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.
Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM.
Nadat CWS heeft beoordeeld of de gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt het advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Daarbij is van belang dat het advies past binnen de door CWS vastgelegde beleidskaders.
UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die afwijkt van het advies van de CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden. In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op de juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht.
Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden.
Aanvullende beschouwing UHT van 16 oktober 2024
CWS heeft een nieuw schadekader ontwikkeld. Op 1 juli 2024 heeft CWS dit kader gepubliceerd. De Commissie heeft UHT tijdens de hoorzitting van 24 juni 2024 gevraagd naar de gevolgen van dit nieuwe schadekader voor het bestreden besluit. CWS heeft als gevolg daarvan op 18 september 2024 een nader advies verstrekt, waarbij zij is ingegaan op de schadeposten die door het nieuwe beleid tot een andere uitkomst leiden. UHT heeft op 16 oktober 2024 een aanvullende beschouwing opgesteld, waarin zij dit advies volgt. Concreet betekent dit dat aan belanghebbende (na aftrek van alle verrekenposten) een aanvullende schadevergoeding van in totaal € 3.656, - wordt toegekend (boven op het bedrag dat hem bij de bestreden beschikking is toegekend).
Vergoeding immateriële schadevergoeding
CWS begroot de immateriële schade op basis van haar nieuwe beleid op € 24.800, - Hierop wordt de eerder in de beslissing op bezwaar van 17 februari 2024 (integrale beoordeling) toegekende immateriële schadevergoeding van € 10.180, - en € 11.000, - in de bestreden beschikking van 11 april 2023 met kenmerk UHT-CWS LOP BZW, in mindering gebracht. De aanvullende immateriële schadevergoeding op basis van het nieuwe schadekader komt daarom neer op een bedrag van € 3.620, - (inclusief de 1% verhoging betreft het een bedrag van €3.656, -).
CWS vindt het aannemelijk dat belanghebbende en zijn gezin door de problemen met de KOT over de toeslagjaren 2008 en 2009 veel stress en verdriet hebben ervaren. Een vergoeding voor het zo veroorzaakte geestelijk leed is op zijn plaats, gelet op de aard en ernst van de kinderopvangtoeslagproblematiek en de gevolgen daarvan voor de ouder en zijn gezin.
Daarbij houdt CWS rekening met de component 'Aantasting in de persoon, eer en goede naam', meer in het bijzonder de factoren 'sociale impact', 'moeilijke financiële omstandigheden', 'terugbetaling kinderopvangtoeslag', 'tijdsduur dat de kinderopvangtoeslagschuld boven het hoofd van de ouder heeft gehangen', 'dwangverrekening' en 'voeren van bezwaar, beroep procedures'. Ook de componenten 'Kind' en 'Schok door confrontatie terugvorderingen', 'Jaren kinderopvangtoeslag niet aangevraagd' en 'De periode vanaf het eerste vooringenomen handelen tot het herstel'.
| Immateriële schadeposten | |
| Immateriële schade | € 24.800 |
| Subtotaal | € 24.800 |
| In mindering: reeds toegekende immateriële schadevergoeding in de compensatiebeschikking van 11 april 2023. | € 11.000 |
| In mindering: reeds toegekende immateriële schadevergoeding in de bob van 17 februari 2024. | € 10.180 |
| Totaal toe te kennen bedrag: | € 3.620 (€ 3.656 incl. 1 %) |
Vergoeding materiele schadevergoeding
CWS adviseert om een aanvullende schadevergoeding toe te kennen voor kosten van vrije dagen en reiskosten van € 2.400, -. Op basis van de beslissing op bezwaar IB heeft UHT al een bedrag van € 2.545, - aan de ouder betaald. CWS adviseert daarom om geen aanvullend bedrag aan de ouder te vergoeden.
| Materiele schadeposten | |
| Vrije dagen en reiskosten | €2.400 |
| Subtotaal | €2.400 |
| In mindering: reeds toegekende materiele schadevergoeding in de bob van 17 februari 2024. | €2.545 |
| Totaal toe te kennen bedrag: | € 0 |
Vaste vergoeding procedure CWS
CWS hanteert op grond van het schadekader een vaste vergoeding van € 500,- (inclusief wettelijke rente) per huishouden voor de tijd die ouders kwijt zijn aan de procedure bij CWS. Belanghebbende ontvangt daarom een aanvullende vergoeding van € 500,-. Dit bedrag wordt niet verrekend met de definitieve compensatiebeschikking van 11 april 2023 (kenmerk UHT-CWS LOP BZW).
UHT beslist op basis hiervan dat het besluit van 11 april 2023 met kenmerk UHT-CWS LOP BZW in de beslissing op bezwaar zal worden herroepen op basis van het nieuwe schadekader. Daarbij merkt UHT op dat de bestreden beschikking van 11 april 2023 niet onrechtmatig is geweest. Het nieuwe schadekader is namelijk op 1 juli 2024 gepubliceerd en daarmee na het primaire advies van de CWS van 16 februari 2023 en de bestreden beschikking van 11 april 2023 met kenmerk UHT-CWS LOP BZW.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT het (op de advisering door CWS gebaseerde) bestreden besluit op goede gronden heeft genomen.
Volledigheid dossier
Belanghebbende stelt dat niet alle relevante stukken van haar dossier in haar bezit zijn. Volgens belanghebbende ontbreekt onder meer een deugdelijke tijdlijn van de situatie van belanghebbende. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. Bij de eerste schriftelijke reactie van UHT zijn de stukken die ten grondslag hebben gelegen aan de totstandkoming van de bestreden beschikking overgelegd. Deze op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 16 januari 2024 samen met een schriftelijke reactie van UHT aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. Op 12 maart 2024, 28 maart 2024, 25 april 2024 en 16 oktober 2024 heeft UHT bovendien aanvullende schriftelijke reacties opgesteld en ingediend. Deze schriftelijke reacties met bijbehorende producties, waaronder ook het verzoekformulier en de adviezen van CWS van 16 februari 2023 en 18 september 2024, zijn aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit en gelegenheid gehad om daarop te reageren. Hiervan heeft gemachtigde ook gebruik gemaakt. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
De Commissie merkt op dat de stukken die betrekking hebben op het besluit over de integrale beoordeling al eerder, in de bezwaarprocedure over de definitieve compensatiebeschikking, zijn toegezonden aan gemachtigde en belanghebbende. De Commissie stelt daarbij vast dat het Informatie- en beoordelingsformulier onderdeel uitmaakt van deze stukken, evenals overige informatie over integrale beoordeling.
Omdat deze stukken al in het bezit zijn van gemachtigde en belanghebbende, ontbreekt de noodzaak deze nogmaals te verstrekken. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Zorgvuldigheid van het adviestraject
Belanghebbende meent dat sprake is van een onzorgvuldig doorlopen adviestraject. Het traject zou te vroeg zijn gestart en er zou zijn aangestuurd op intrekking van het verzoek om aanvullende schade. Ook is het verslag van het toelichtingsgesprek van 5 oktober 2022 niet in het dossier terug te vinden, net als de (antwoorden op) vragen die nadien zijn gesteld.
De Commissie heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden dat ten aanzien van belanghebbende sprake is geweest van een onzorgvuldig doorlopen adviestraject. Hoewel de Commissie uit de stukken opmaakt dat het adviestraject op een voor belanghebbende kennelijk (te) vroeg moment is gestart, blijkt uit de correspondentie dat CWS dit uitdrukkelijk heeft onderkend en belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gegeven om het verzoek om aanvullende schade op een later moment aan te vullen en/of te specificeren. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid ook gebruik gemaakt.
Overigens is de Commissie ook niet van onzorgvuldig handelen door CWS gebleken.
De Commissie stelt vast dat bij de stukken een verslag van het toelichtingsgesprek tussen belanghebbende en CWS op 5 oktober 2022 ontbreekt, zoals belanghebbende heeft gesteld. De Commissie constateert evenwel dat belanghebbende op basis van het verzoekformulier, het verslag van het toelichtingsgesprek op 24 juni 2022 en het advies van CWS met daarin steeds opgenomen de toelichting van de ouder per schadepost een volledig beeld heeft kunnen krijgen van de inhoud van het verzoek van belanghebbende en het daaropvolgende advies van CWS. Voor zover daarin naar het oordeel van belanghebbende schadeposten onderbelicht zijn gebleven, heeft belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure voldoende gelegenheid gekregen deze schade en het causaal verband met de KOT over het voetlicht te brengen. Ook in die zin is belanghebbende niet benadeeld. Tot slot heeft CWS in een aanvullend advies van 18 september 2024 nogmaals alle door belanghebbende genoemde schadeposten bekeken. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Vaststelling KOT
Belanghebbende meent dat het toeslagjaar 2010 ten onrechte niet bij de beoordeling is betrokken. Ook meent zij dat het, indachtig artikel 19 van de Awir, te lang heeft geduurd voordat de KOT over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 is vastgesteld.
Met betrekking tot het verzoek van belanghebbende om een beoordeling van het toeslagjaar 2010, stelt de Commissie op basis van de stukken vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende, dat geleid heeft tot meergenoemde compensatiebeschikking van 6 september 2021, alleen zag op de toeslagjaren 2008 en 2009. Nu de onderhavige bezwaarprocedure uitsluitend betrekking heeft op de beoordeelde jaren, ziet de Commissie geen mogelijkheid om toeslagjaar 2010 (alsnog) in haar advisering in het kader van de aanvullende schade te betrekken.
Belanghebbende stelt bovendien feitelijk dat de vaststelling van de KOT over de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 niet op juiste wijze heeft plaatsgevonden. De Commissie stelt vast dat de bezwaargronden over de voorschot- en definitieve beschikkingen over voornoemde toeslagjaren, zo deze al binnen de in de Wht gestelde kaders vallen, niet thuishoren in de onderhavige bezwaarprocedure. De bezwaarprocedure over de integrale beoordeling is al afgerond. UHT dient zich in de onderhavige procedure te beperken tot de in de Wht met betrekking tot die aanvullende schade gestelde kaders. Daarom adviseert de Commissie UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Beslistermijn
Belanghebbende kan zich niet vinden in de lange doorlooptijd van de bezwaarprocedure. Hij stelt dat hij al in mei 2023 een voorlopig bezwaarschrift heeft ingediend en dat hij heeft nog steeds geen reactie heeft ontvangen. Belanghebbende verzoekt de Commissie hierover een standpunt in te nemen.
Voor zover belanghebbende meent dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, merkt de Commissie op dat bescherming tegen overschrijding van de redelijke termijn geldt als uitgangspunt voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en meerdere rechterlijke instanties. Hierbij zijn termijnen gesteld waarbinnen de bezwaar- en beroepsfase tezamen met het hoger beroep dienen te zijn afgerond. De redelijke termijn vangt daarbij aan met indiening van een bezwaarschrift en eindigt op het moment dat het geschil door de rechter in laatste instantie wordt afgedaan. Er kan daarom pas worden vastgesteld of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als de procedure is afgerond. Het voorgaande weerhoudt de Commissie ervan om in deze fase van de procedure op dit punt een inhoudelijk standpunt in te nemen.
Vertragingsschade
Belanghebbende meent dat de forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar vertragingsschade is en niet aangemerkt kan worden als aanvullende werkelijke schade.
De Commissie stelt vast dat de forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar een rol speelt bij de vergoeding van de immateriële schade in het kader van de integrale beoordeling. In die procedure heeft UHT op 17 februari 2024 een beslissing op bezwaar genomen. In de onderhavige bezwaarprocedure is de toekenning van de aanvullende werkelijke schade aan de orde. Deze is opgebouwd uit per bouwsteen toegekende bedragen aan aanvullende werkelijke schadevergoeding. De aanvullende werkelijke schade bedraagt dus, anders dan, de forfaitaire vergoeding, niet € 500,- per half jaar. De Commissie acht het bezwaar om die reden ongegrond en adviseert UHT overeenkomstig te beslissen.
Ondertekening adviezen CWS
Tijdens de hoorzitting heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het niet ondertekenen door CWS van haar adviezen.
De Commissie stelt vast dat CWS haar adviezen over de te vergoeden aanvullende werkelijke schade dient op te stellen overeenkomstig de Instellingsregeling Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade (hierna: de Instellingsregeling). Hoewel in artikel 7 lid 1 van de Instellingsregeling staat dat CWS haar eigen werkwijze vaststelt en hierin niet met zoveel woorden valt terug te lezen dat het advies ondertekend dient te worden, acht de Commissie ondertekening vanuit het oogpunt van een zorgvuldige totstandkoming van de adviezen geraden.
De Commissie heeft CWS (naar aanleiding van eerdere bezwaarprocedures) hierover bevraagd. CWS heeft vervolgens geconstateerd dat niet alle door haar vastgestelde adviezen zijn ondertekend en door middel van een verklaring (her)bevestigd dat alle eerder door of namens CWS uitgebrachte adviezen zijn vastgesteld, ondanks dat niet alle vastgestelde adviezen zijn voorzien van een handtekening. Naar het oordeel van de Commissie is deze formele tekortkoming daarmee in voldoende mate hersteld. Daarom adviseert zij tot ongegrondverklaring van dit bezwaar.
Bouwstenen
Belanghebbende stelt dat CWS de toepassing van de bouwstenen onvoldoende heeft toegelicht in haar advies. Belanghebbende erkent daarbij dat UHT alsnog een berekening van de per bouwsteen toegekende vergoeding heeft gegeven, maar acht dit onvoldoende. Volgens belanghebbende had CWS dit zelf moeten doen. UHT reageert met het standpunt dat CWS dit ook heeft gedaan, maar dat UHT vervolgens nog heeft bekeken of alles klopt, of het beleid goed is toegepast en of er niets is gemist. UHT stelt dat zij goed inzichtelijk heeft gemaakt waarmee rekening is gehouden bij de beoordeling van de verschillende bouwstenen en genoegzaam heeft toegelicht waarom het advies navolgbaar is.
De Commissie maakt uit de in het advies opgenomen tabel op dat CWS per schadepost een bedrag aan aanvullende werkelijke schade heeft toegekend. Daarbij is door CWS een onderscheid gemaakt tussen de materiele schade (reiskosten, kosten van vrije dagen en verlies aan inkomen) en de immateriële schade. De vergoeding voor immateriële schade is niet per te onderscheiden bouwsteen berekend. In de aanvullende schriftelijke reactie van 28 maart 2024 heeft UHT een aanvullende berekening opgesteld, waarin zij de vergoeding voor immateriële schade alsnog per bouwsteen heeft verduidelijkt. De Commissie oordeelt dat UHT door de aanvulling op dit punt op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht, waarbij UHT verbeteringen heeft aangebracht om de redenering van het advies van CWS voor belanghebbende meer begrijpelijk en navolgbaar te maken. Voor zover dit begrip nog niet direct volgde uit de bestreden beschikking, heeft UHT deze door de diverse aanvullende beschouwing(en) en een toelichting tijdens de hoorzitting in voldoende mate gegeven.
In het aanvullende advies (van 18 september 2024) heeft CWS duidelijk gemaakt hoe de vergoeding voor immateriële schade is berekend en op welke onderdelen een aanvullende vergoeding wordt toegekend. Dit heeft CWS gedaan aan de hand van de bouwstenen en het benoemen van de factoren die hebben meegewogen bij het bepalen van de vergoeding voor immateriële schade. UHT heeft ook hier een toelichting bij gegeven, zodat de aanvullende advisering met betrekking tot de aanvullende werkelijke schade naar het oordeel van de Commissie al met al zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond. De Commissie adviseert UHT voorts om in de beschikking op bezwaar per factor nader uit te werken welk bedrag is toegekend.
Bezwaren tegen aanvullend advies
Belanghebbende is van oordeel dat UHT niet is ingegaan op de vragen van de Commissie met betrekking tot het gewijzigd beleid. Hij stelt dat wel is ingegaan op de gevolgen van het gewijzigde beleid voor belanghebbende, maar niet op het nieuwe beleid van CWS zelf en de gevolgen daarvan voor de door UHT genomen beschikkingen in het algemeen.
De Commissie constateert dat op de website van UHT is vermeld dat CWS een nieuw schadekader en een nieuwe werkwijze heeft ontwikkeld. Op 1 juli 2024 publiceerde de CWS dit aangepaste kader, zodat dit sindsdien ook voor belanghebbende te raadplegen is. Het schadekader gaat over de vergoeding van de werkelijke schade. UHT heeft op haar website vermeld dat op alle nu in behandeling zijnde adviezen en nieuwe adviezen van CWS en alle daarop gebaseerde beschikkingen dit kader van toepassing is.
Uit het aanvullend advies blijkt dat CWS ook in zaken waarin de ouder in bezwaar is gegaan nader advies uitgebracht wordt over de gevolgen van het nieuwe beleid. CWS gaat daarbij in op de schadeposten die door het nieuwe beleid tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden. Voor belanghebbende heeft dit ertoe geleid dat CWS het advies van 16 februari 2023 ook heeft aangevuld met een aanvullende schadevergoeding voor de kosten van de procedure bij CWS. CWS gaat niet in op de schadeposten die op basis van het nieuwe beleid niet wijzigden ten opzichte van het advies van de CWS van 16 februari 2023. De Commissie stelt vast dat belanghebbende met de publicatie van het beleid, een uitleg daarvan op de website en het aanvullend advies van 18 september 2024 (en de toelichting daarbij van UHT) voldoende geïnformeerd is, zodat zij adviseert tot ongegrondverklaring van dit bezwaar.
Zienswijze
Belanghebbende stelt dat hij het aanvullend advies niet in concept voorgelegd heeft gekregen, waardoor hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze op het voorgenomen advies kenbaar te maken. Hij meent dat hij deze gelegenheid op grond van artikel 5a lid 3 sub d van de Instellingsregeling had moeten krijgen.
De Commissie overweegt dat artikel 5a lid 3 sub d van de Instellingsregeling voorschrijft dat CWS een adviesprocedure dient te hebben, waarvan de wijze waarop aanvragers van KOT hun visie kenbaar kunnen maken op het voorgenomen advies van CWS een onderdeel uitmaakt. Hoewel voor haar niet duidelijk is hoe CWS deze verplichting heeft vormgegeven in haar processen, heeft belanghebbende in het kader van de onderhavige bezwaarprocedure de gelegenheid gekregen en benut om zijn bezwaren met betrekking tot de (nadere) advisering door CWS toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele procedurele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat verder niet is aangegeven welk nadeel belanghebbende door dit - in zijn visie - nalaten heeft gehad, laat de Commissie dit punt verder buiten beschouwing. De Commissie adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Hoogte materiele en immateriele schadevergoeding
Belanghebbende kan zich niet vinden in de hoogte van de vergoeding van de aanvullende werkelijke schade. De Commissie bespreekt per onderdeel wat de bezwaren van belanghebbende ter zake zijn en hoe zij deze bezwaren beoordeelt.
- Materiele schadevergoeding
De bezwaren van belanghebbende richten zich onder meer tegen de toegekende vergoeding voor de aanvullende werkelijke materiele schade.
- Kosten van vrije dagen
Belanghebbende stelt 25 vrije dagen te hebben moeten opnemen voor de bezoeken aan zijn advocaat en het bijwonen van zittingen. Op deze dagen heeft belanghebbende niet kunnen werken, zodat sprake is van inkomensschade. Belanghebbende begrijpt niet waarom UHT is uitgegaan van 15 verlofdagen. Ook is volgens belanghebbende niet duidelijk waarom niet is geadviseerd over de kosten gemaakt voor het bijwonen van zittingen en het bezoeken van de advocaat. Volgens belanghebbende dient te worden uitgegaan van hetgeen belanghebbende ter zake stelt.
De Commissie stelt vast dat CWS in haar advies van 16 februari 2023 heeft geconstateerd dat belanghebbende geen onderbouwende stukken heeft overgelegd met betrekking tot het opnemen van vrije dagen en ook anderszins een nadere toelichting ontbreekt. Hoewel in het verzoekformulier geen verzoek staat met betrekking tot de kosten gemaakt voor het bijwonen van zittingen en het bezoeken van de advocaat, heeft CWS geoordeeld dat aannemelijk is dat belanghebbende vrije dagen heeft moeten inroosteren voor bezoeken aan de advocaat en het bijwonen van zittingen. CWS heeft aan de hand van het aantal zittingen in de beroeps- en hoger beroepsprocedures en het uitgangspunt van een voorbespreking per procedure en een voorbespreking per zitting vervolgens berekend dat er in totaal 16 voorbesprekingen hebben plaatsgevonden, elk van een halve dag. Daarnaast heeft CWS aannemelijk geacht dat belanghebbende voor het bijwonen van de zittingen per zitting de gehele dag niet kon werken. Ook hierdoor heeft belanghebbende 14 dagdelen niet kunnen werken. CWS hanteert een bedrag van € 75,- per dagdeel voor deze verletdagen. CWS adviseert de schade in verband met kosten van vrije dagen daarom te stellen op € 2.250, -. UHT heeft dit bedrag overgenomen, omdat niet is gebleken dat belanghebbende daadwerkelijk 25 vrije dagen heeft opgenomen en hij een hogere schade heeft geleden dan de door CWS begrootte schade.
In het advies naar aanleiding van het bezwaar van 18 september 2024 heeft CWS deze vergoeding opnieuw berekend. De CWS hanteert voor verletkosten voor regelzaken per huishouden een vaste vergoeding van € 300,- per toeslagjaar waarvoor UHT-compensatie heeft toegekend. Dat betekent dat CWS voor verletkosten adviseert om aan belanghebbende, uitgaande van twee toeslagjaren (2008 en 2009), een aanvullende schadevergoeding van € 600,- toe te kennen. Dit bedrag is inclusief eventuele reiskosten en inclusief wettelijke rente. CWS hanteert daarnaast een vaste vergoeding van € 200,-per huishouden per gevoerde procedure. De ouder heeft met betrekking tot de toeslagjaren 2008 en 2009 drie keer bezwaar gemaakt, drie keer beroep bij de Rechtbank Rotterdam ingesteld en drie keer hoger beroep bij de Raad van State aangetekend. Dat betekent dat de CWS adviseert om aan belanghebbende voor verletkosten een aanvullende schadevergoeding van € 1.800, - toe te kennen. Dit bedrag is inclusief eventuele reiskosten en inclusief wettelijke rente. In totaal komt de geadviseerde forfaitaire vergoeding daarmee op een bedrag van € 2.400, -.
Omdat UHT op basis van de beslissing op bezwaar van de integrale beoordeling van 17 februari 2024 al een forfaitair bedrag van € 2.545, - aan belanghebbende heeft toegekend voor de materiele schade, adviseert CWS UHT om geen aanvullend bedrag aan belanghebbende toe te kennen. UHT volgt CWS hierin. In reactie hierop merkt belanghebbende nog op dat dit geen schadevergoeding is die wegens verletkosten al is toegekend aan belanghebbende, zodat hem niet duidelijk is waarom de werkelijke schade tegen dit forfaitaire bedrag is weggestreept.
De Commissie acht de motivering in het bestreden besluit (en de aanvulling daarop) toereikend en navolgbaar. Zij overweegt hiertoe dat de in het verzoekformulier opgegeven kosten niet concreet zijn onderbouwd met een nadere toelichting of stukken. De Commissie acht het daarom begrijpelijk dat voor de berekening van de kosten voor vrije dagen wordt gewerkt met een standaardbedrag per huishouding per toeslagjaar en dat een standaardbedrag per gevoerde procedure wordt berekend. Hoewel het advies van 18 september 2024 inhoudelijk afwijkt van het advies van 17 februari 2024, is belanghebbende hierdoor in geld niet benadeeld.
Dat belanghebbende uiteindelijk geen aanvullend bedrag aan schade krijgt, acht de Commissie eveneens begrijpelijk. In het aanvullend schadekader is opgenomen dat belanghebbende in de definitieve compensatiebeschikking van UHT voor de materiele schade een forfaitaire vergoeding is toegekend van 25 procent van het bedrag dat door BD/T ten onrechte is teruggevorderd. Alleen indien aannemelijk wordt dat de werkelijke schade hoger is dan het forfaitaire bedrag dat UHT al heeft toegekend, zal CWS adviseren om een aanvullende schadevergoeding uit te keren. Nu de werkelijke schade in het geval van belanghebbende lager is dan het door UHT al toegekende bedrag, acht de Commissie het besluit van UHT geen aanvullend bedrag aan schadevergoeding toe te kennen, navolgbaar.
Het advies van CWS is op dit punt al met al zorgvuldig tot stand gekomen, de redenering daarin is begrijpelijk en de getrokken conclusies sluiten erop aan, zodat de Commissie tot het oordeel komt dat de besluitvorming op dit punt navolgbaar is. De Commissie adviseert tot ongegrondverklaring van dit bezwaar.
Reiskosten
Belanghebbende stelt dat hij CWS niet heeft verzocht om een vergoeding van de reiskosten die hij heeft gemaakt voor het brengen/ophalen van zijn jongste kind van en naar school, zoals UHT zijn desbetreffende verzoek kennelijk heeft opgevat. Hij heeft willen betogen dat hij op de haal- en brengmomenten van zijn jongste kind van en naar school geen rijlessen kon geven en dat hij voor vergoeding van de aldus gemiste inkomsten als aanvullende schade in aanmerking komt. Gelet hierop is belanghebbende van oordeel dat deze post niet juist is beoordeeld en dat het advies van CWS op dit punt ondeugdelijk is.
UHT heeft hier tegenin gebracht dat uit het door belanghebbende op 15 juli 2022 ingediende verzoekformulier blijkt dat belanghebbende CWS heeft verzocht om vergoeding van de reiskosten die hij heeft gemaakt voor het brengen en halen van zijn jongste kind van en naar school. CWS heeft ten aanzien hiervan geoordeeld dat dit kosten zijn die belanghebbende altijd had moeten maken, met of zonder KOT-problematiek. CWS ziet daarom geen aanleiding te adviseren deze reiskosten aan belanghebbende te vergoeden.
De Commissie maakt uit het dossier op dat belanghebbende inderdaad heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met het brengen en halen van de dochter van belanghebbende naar en van school. Niet is verzocht om vergoeding van schade in verband met het niet kunnen werken als gevolg van de KOT-problematiek. Er heeft naar het oordeel van de Commissie dan ook geen onjuiste beoordeling plaatsgevonden.
Overigens geldt voor de onderhavige inkomensschade hetzelfde als hetgeen CWS heeft geadviseerd voor de reiskosten. Het kind van belanghebbende had ook zonder KOT-problematiek naar school gebracht moeten worden. De Commissie acht het bestreden besluit en het onderliggende advies in het licht van de in het verzoekformulier opgenomen toelichting begrijpelijk. De Commissie adviseert mitsdien tot ongegrondverklaring van dit bezwaar.
Inkomensschade
CWS acht het onvoldoende aannemelijk dat belanghebbende inkomensschade heeft geleden als gevolg van de problemen met de KOT. CWS heeft daartoe geoordeeld dat de problemen met de KOT in oktober 2012 zijn begonnen en het jongste kind van belanghebbende op 4 februari 2013 de 12-jarige leeftijd heeft bereikt en met ingang van augustus/september 2013 naar het voortgezet onderwijs is gegaan. Vanaf dat moment bestond geen recht meer op KOT. Ook stelt CWS dat de inkomensgegevens in 2010 en latere jaren geen specifieke daling laten zien. UHT heeft dit advies overgenomen.
Belanghebbende stelt dat gerekend dient te worden vanaf het moment van stopzetting van de KOT eind 2009, omdat er toen allerlei horrorverhalen de ronde deden over de harde aanpakt door B/T. Voor de berekening van zijn inkomensschade gaat belanghebbende uit van vier jaar. CWS gaat volgens hem bovendien ten onrechte uit van inkomensgegevens in 2010 en latere jaren, waaruit geen specifieke daling van het inkomen zou blijken. Belanghebbende vraagt zich af waarom geen nadere toelichting aan hem is gevraagd over zijn inkomen. Het had op de weg van CWS gelegen belanghebbende te benaderen en nadere informatie en/of stukken op te vragen. CWS heeft dit volgens belanghebbende nagelaten.
De Commissie acht het bestreden besluit op dit onderdeel navolgbaar. Uit het verslag van het toelichtingsgesprek van 28 juni 2022 van CWS met belanghebbende blijkt dat CWS belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld de schadeposten aan te vullen. Belanghebbende heeft dit vervolgens ook gedaan. Volgens CWS en UHT heeft belanghebbende gesteld dat hij en zijn partner gedurende vier jaar (vanaf eind 2009) minder hebben kunnen werken als gevolg van de eigen opvang van hun jongste kind, maar volgt dit niet uit de onderliggende feiten en omstandigheden. UHT ziet in de eerste plaats geen reden om te rekenen vanaf eind 2009, omdat uit de integrale beoordeling blijkt dat de eerste vooringenomen handeling eerst in september/oktober 2012 heeft plaatsgevonden en de dwangverrekeningen hebben plaatsgevonden van maart 2017 tot 7 september 2019. Daarbij weegt UHT ook mee dat het jongste kind vanaf augustus/september 2013 naar het voortgezet onderwijs ging en belanghebbende de KOT zelf met ingang van 2010 heeft stopgezet. UHT ziet bovendien in de inkomensgegevens van belanghebbende en zijn partner ook geen aanknopingspunten voor het aannemen van de door belanghebbende over een periode van vier jaar gestelde inkomensschade van € 197.600, -. Over de periode tussen 2010 en 2015 zijn geen significante inkomensdalingen te zien. De Commissie acht het standpunt van UHT en CWS dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van inkomensschade over de periode januari 2010 tot en met augustus 2013 als gevolg van de KOT-problematiek navolgbaar. De Commissie acht het bezwaar op dit onderdeel ongegrond.
Vergoeding voor immateriele schade
Zoals hiervoor in het advies staat vermeld, acht CWS het aannemelijk dat belanghebbende met zijn gezin door de problemen met de KOT over de toeslagjaren 2008 en 2009 veel stress en verdriet heeft ervaren. Daarom heeft CWS in het aanvullend advies van 18 september 2024 de immateriele schade begroot op € 24.750, -.
Belanghebbende kan zich niet vinden in de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade. Volgens belanghebbende is in het advies niet uiteengezet, voor welke onderdelen welke schadevergoeding is toegekend. Belanghebbende stelt dat de vaststelling van de immateriële schade volgens de verfijnde kaders had moeten plaatsvinden.
Belanghebbende stelt ook dat ook aansluiting gezocht moet worden bij de schadeafhandeling volgens het strafrecht. Volgens belanghebbende had CWS ook een vergoeding voor immateriële schade moeten toekennen voor het oudste kind. Ook is niet duidelijk waarom voor het jongste kind slechts een vergoeding van €2.250, - is toegekend, terwijl uit de bandbreedte zoals die is opgenomen in het nieuwe schadekader blijkt dat de vergoeding ligt tussen de € 1.500, - en € 3.000, -. Belanghebbende vraagt zich tot slot af waarom bij de berekening van bouwsteen C is uitgegaan van de winst uit onderneming voor de ondernemersaftrek en niet is gerekend met zijn door CWS vastgestelde inkomen.
De Commissie stelt allereerst vast dat UHT in haar aanvullende schriftelijke reacties van 28 maart 2024 van 25 april 2024 heeft toegelicht welke bouwstenen een rol hebben gespeeld bij de toekenning van de immateriële schade en welk bedrag per bouwsteen is toegekend. Eventuele tekortkomingen in de motivering zijn daarmee naar het oordeel van de Commissie hersteld, zodat zij adviseert tot ongegrondverklaring van het bezwaar dat niet is verduidelijkt voor welke onderdelen welke schadevergoeding is toegekend.
De Commissie stelt bovendien vast dat CWS op 18 september 2024 een aanvullend advies heeft uitgebracht, waarin zij de immateriële schade heeft begroot op € 24.800, -. De Commissie constateert dat de vaststelling van de immateriële schade daarmee (alsnog) volgens de verfijnde kaders heeft plaatsgevonden, waarbij eveneens is verduidelijkt voor welke onderdelen schadevergoeding is toegekend. De elementen die de CWS meeweegt in de begroting van de immateriële schade zijn daarbij in het aanvullend advies helder uiteengezet. De Commissie acht ook dit bezwaaronderdeel ongegrond.
Ter onderbouwing van de immateriële schade van de ouder maakt CWS - zo blijkt uit haar advies - gebruik van het verhaal van de ouder, zoals weergegeven in het verslag van het intakegesprek en in het verzoekformulier. Hieruit volgt dat belanghebbende CWS verzocht heeft om vergoeding voor immateriële schade voor zichzelf, voor zijn partner en voor het jongste kind. De Commissie acht om die reden navolgbaar dat het advies van CWS zich in eerste instantie heeft beperkt tot een oordeel over belanghebbende, zijn partner en het jongste kind toekomende schadevergoeding en niet ook ingaat op de situatie van het oudste kind. In het aanvullend advies van 18 september 2024 heeft CWS ook advies uitgebracht over de situatie van het oudste kind. CWS heeft geoordeeld dat het oudste kind, geboren op 7 april 1994, ten tijde van de problemen rondom de KOT 18 jaar oud was. In haar advies van 18 september 2024 is door CWS meegewogen dat het oudste kind het grootste deel van de tijd waarin de problemen speelden, niet thuiswonend was, zodat CWS het niet aannemelijk acht dat hij een verminderde kwaliteit van leven heeft ervaren. UHT heeft dit standpunt overgenomen. De Commissie acht het advies en het bestreden besluit gelet hierop volledig en navolgbaar.
De vraag van belanghebbende waarom bij de berekening van bouwsteen C niet is gerekend met het door CWS vastgestelde inkomen van de ouder, heeft UHT in haar aanvullende beschouwing van 25 april 2024 beantwoord. UHT heeft toegelicht dat de door CWS vastgestelde winst uit onderneming voor de ondernemingsaftrek het bruto-inkomen betreft en het door CWS vastgestelde belastbaar inkomen. Op grond van het beleidskader Begroting Immateriele Schadevergoeding dient bij deze bouwsteen te worden uitgegaan van het gezamenlijk bruto-inkomen en niet van het belastbaar inkomen. Naar het oordeel van de Commissie is ook deze vraag daarmee voldoende beantwoord.
Anders dan belanghebbende stelt, volgt uit het wettelijk kader dat CWS zich bij het bepalen en adviseren over de aanvullende schadevergoeding moet houden aan het civiele schadevergoedingsrecht. Hierbij is de aanvullende opdracht geformuleerd dat de CWS ruimhartig te werk moet gaan bij de vaststelling van de schade, het causaal verband tussen de gestelde schade en het handelen van de B/T en bij de begroting van de schade. Dit gaat naar het oordeel van de Commissie echter niet zover, dat aansluiting gezocht zou moeten worden bij de schadeafhandeling volgens het strafrecht, zoals belanghebbende bepleit.
De Commissie is van oordeel dat het bestreden besluit voor wat betreft de immateriële schade al met al zorgvuldig tot stand gekomen is, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies erop aansluiten, zodat de Commissie meent dat de besluitvorming op dit punt navolgbaar is. De Commissie adviseert tot ongegrondverklaring van dit bezwaar.
Private schulden
Belanghebbende claimt dat ook sprake is geweest van private schulden en dat die niet zijn meegenomen door CWS. De Commissie merkt ten aanzien hiervan op dat CWS de werkelijke schade begroot binnen het kader van de Wht. Het gaat dan om alle schade die belanghebbende door de problemen met de KOT heeft geleden. Deze schade dient onderscheiden te worden van de schulden van belanghebbende. Deze worden niet beoordeeld in het kader van de advisering door CWS. Hiervoor kan belanghebbende terecht op de website Hulp bij uw schulden I Herstel Toeslagen (UHT).
Fraude en discriminatie
Belanghebbende stelt jarenlang als fraudeur te zijn bestempeld en daardoor leed en pijn te hebben ervaren. Ook stelt belanghebbende dat sprake zou zijn geweest van discriminatie en ongelijke behandeling. CWS heeft in haar advies vastgesteld dat belanghebbende niet is vermeld op de Fraude Signaleringslijst (FSV). UHT onderschrijft dit (mede aan de hand van een aantal producties in het bezwaardossier) en stelt vast dat in het bezwaardossier ook overigens geen aanwijzingen zijn te vinden waaruit de stellingen van belanghebbende zouden kunnen blijken.
De Commissie stelt vast dat uit het dossier blijkt dat belanghebbende niet voorkomt op de Fraude Signaleringslijst (FSV). Uit de beschikbare informatie volgt dan ook niet dat belanghebbende is aangemerkt als fraudeur of dat sprake is geweest van discriminatie. Het bezwaar dat deze feiten ten onrechte niet als bron voor aanvullende schade zijn aangemerkt, acht de Commissie daarom niet gegrond.
Kosten rechtsbijstand
Belanghebbende verzoekt in bezwaar om een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand die hij heeft gemaakt voor de procedure bij CWS.
De Commissie constateert dat CWS in haar aanvullend advies van 18 september 2024 belanghebbende alsnog een aanvullende vergoeding van € 500,- voor de kosten van de procedure bij CWS heeft toegekend en dat daarmee door CWS en UHT aan dit bezwaar is tegemoetgekomen.
Proceskostenvergoeding
Artikel 7:15 Awb bepaalt dat de in het kader van de bezwaarprocedure gemaakte proceskosten die een belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken, worden vergoed indien het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Nu UHT het bestreden besluit weliswaar zal herroepen, maar zij dit niet doet wegens onrechtmatig handelen maar op grond van het nieuwe schadekader van CWS, is toekenning van een proceskostenvergoeding hier niet aan de orde. Het nieuwe schadekader is namelijk gepubliceerd na het primaire advies van de CWS en na de bestreden beschikking.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT het aanvullend advies van 18 september 2024 in de definitieve besluitvorming te betrekken, het bezwaar ongegrond te verklaren en af te zien van toekenning van een proceskostenvergoeding.
Secretaris
Fungerend voorzitter