Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13315

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 3 maart 2023 met kenmerk UHT-HD CWS

Hoorzitting:  9 januari 2025 om 13:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 23 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren ten aanzien van twee extra verletdagen en de onderdelen B en D van de vergoeding voor immateriële schade. Ook adviseert de Commissie om het verzoek om vergoeding van de kosten van juridische bijstand toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende op 6 april 2023 ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking ‘aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade’ (hierna: CWS) van 3 maart 2023 met kenmerk UHT-HD CWS.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van €4.802.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 13 oktober 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2005 tot en met 2015.
  • Bij brief van 23 december 2020 met kenmerk UHT-VC I heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat hij een voorlopige compensatie ontvangt voor een bedrag van € 25.454.
  • Bij beschikking van 29 januari 2021 met kenmerk UHT-B ADJ heeft UHT een aanvullende vergoeding toegekend van € 4.546 op grond van de Catshuisregeling.
  • Bij beschikking van 26 februari 2021 met kenmerk UHT-DC I heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat, ondanks gemaakte fouten door Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) over de toeslagjaren 2009, 2011, 2012, 2013 en 2014, het bedrag van € 25.454 niet is veranderd.
  • Op 7 april 2021 heeft de toenmalige gemachtigde van belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.
  • Belanghebbende heeft op 21 oktober 2021 de Commissie verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. De Commissie heeft dit verzoek op 27 oktober 2021 doorgestuurd naar CWS.
  • De CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 februari 2023 aan UHT toegestuurd.
  • UHT heeft het advies van CWS gevolgd en bij beschikking van 3 maart 2023 met kenmerk UHT-HD CWS aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 4.802. Dit is € 505 meer dan het geadviseerde bedrag van CWS van € 4.297.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 april 2023, ingekomen op 7 april 2023, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 oktober 2023, ingekomen op 26 oktober 2023, het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 5 juni 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 23 augustus 2024 heeft UHT een aanvullende schriftelijke reactie ingediend vanwege het nieuwe schadekader van CWS.
  • Op 6 januari 2025 heeft gemachtigde op de reactie van UHT gereageerd.
  • Op 9 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • Naar aanleiding van de hoorzitting heeft UHT op 16 januari 2025 een schikkingsvoorstel aan belanghebbende gedaan in combinatie met haar reactie op hetgeen tijdens de hoorzitting is aangevoerd door belanghebbende.
  • Op 24 januari 2025 heeft gemachtigde een aanvullende toelichting en bijbehorende stukken overgelegd.
  • Op 7 februari 2025 heeft gemachtigde gereageerd op het schikkingsvoorstel van UHT. Op dezelfde dag heeft UHT opnieuw een schikkingsvoorstel gedaan.
  • Op 27 februari 2025 heeft UHT aan gemachtigde gevraagd of belanghebbende inderdaad niet akkoord is gegaan met het tweede schikkingsvoorstel. Op 24 maart 2025 heeft gemachtigde dit bevestigd.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Toetsingskader

In het kader van de hersteloperatie KOT biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van B/T waarvoor de ouder al gecompenseerd is. CWS vervult hierbij een adviserende rol. Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.

In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval dat UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of deze afwijking goed onderbouwd is.

De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat de bezwaren zich beperken tot de hierna te bespreken aspecten.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Belanghebbende voert aan dat UHT met het nemen van het bestreden besluit in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel zoals bepaald in de artikelen 3:2 en 3:46 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). UHT meent dat geen sprake is van een ondeugdelijk of onzorgvuldig genomen besluit.

De Commissie onderschrijft het ingenomen standpunt van UHT ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. In het nadere advies aan CWS van 8 mei 2024 is nader toegelicht of belanghebbende in aanmerking komt voor aanvullende schadevergoeding. In aanvulling hierop heeft UHT het bestreden besluit door middel van het indienen van een schriftelijk verweer nader gemotiveerd. Het bestreden besluit is volgens de Commissie al met al voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en gemotiveerd, zodat zij adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Bezwaarprocedure integrale beoordeling

Belanghebbende stelt dat zijn vorige gemachtigde enkel toestemming heeft gegeven voor het doorzenden van het pro forma bezwaarschrift tegen de definitieve compensatiebeschikking naar CWS en niet tot beëindiging van de bezwaarprocedure tegen de integrale beoordeling (hierna: IB). UHT voert aan dat door deze akkoordverklaring met het doorzenden van het bezwaar naar CWS, het maken van IB-bezwaar definitief is uitgesloten en daarmee een schikking in het kader van de IB niet meer aan de orde kan zijn.

De Commissie is van oordeel dat de bezwaarprocedure met betrekking tot de IB inderdaad niet ten einde is gekomen en adviseert UHT om gemachtigde een kans te bieden aanvullende gronden in te dienen in het kader van die procedure. Indien gewenst kan de Commissie vervolgens advies uitbrengen.

Inkomensverlies belanghebbende

Ten eerste merkt de Commissie op dat UHT onder het kopje Inkomensverlies in de beschouwing van 5 juni 2024 ook een subkopje heeft opgenomen omtrent de immateriële schadevergoeding. De paragraaf over het inkomensverlies betreft echter de materiële schadevergoeding. De Commissie interpreteert het vermelden van de immateriële schadevergoeding op deze plaats in de beschouwing als aanleiding voor het toepassen van het medische advies door CWS.

Belanghebbende voert in bezwaar aan dat ten onrechte geen causaal verband is aangenomen tussen de KOT-problemen en de ontslagen bij de [werkgever] en [werkgever] als gevolg van stress. Daartoe heeft belanghebbende toegelicht dat hij zich bij zijn huisarts had gemeld vanwege gezondheidsklachten.

In de aanvullende reactie van 6 januari 2025 heeft belanghebbende aangevoerd dat hij een bedrijfsarts heeft bezocht die een burn-out heeft vastgesteld. In de aanvullende gronden van 24 januari 2025 stelt belanghebbende dat hij in 2014 aan zijn voormalige werkgever heeft verteld dat hij in een problematische situatie verkeerde en schulden had bij de Belastingdienst. Hieromtrent is een verklaring overgelegd. De verklaring van de bedrijfsarts zou later worden overgelegd.

Belanghebbende stelt verder dat hij zonder de toeslagenaffaire vermoedelijk een vast dienstverband had gehad en dat hij en zijn partner minder stress en gezondheidsklachten zouden hebben ervaren. Hij voert ook aan dat hij vanwege de financiële problemen met de KOT veel sneller heeft moeten kiezen om de eigen onderneming te starten, terwijl hij de voorkeur had om in loondienst te blijven werken.

Daarnaast stelt belanghebbende dat het onderzoek van de medische deskundige die CWS heeft geraadpleegd niet kan worden gebruikt als uitgangspunt voor het vaststellen van het causale verband tussen de gezondheidsklachten en de KOT-problemen, omdat het onderzoek beperkt was.

CWS en UHT vinden het onvoldoende aannemelijk dat de ontslagen bij [werkgever] en [werkgever] werden veroorzaakt door slecht functioneren en stress- en vermoeidheidsklachten als gevolg van de problemen met de KOT. Zij achten het echter wel aannemelijk dat de KOT-problemen een negatieve invloed hebben gehad op de gezondheidsproblemen van belanghebbende.

Ter zitting heeft UHT aangevoerd dat een enkele verklaring van een oud-werkgever niet voldoende is om een causaal verband tussen de medische klachten en de problemen met de KOT aannemelijk te maken. Daarnaast heeft UHT op 7 februari 2025 schriftelijk bevestigd dat op basis van de geleverde informatie en stukken zij niet verwacht tot een hogere schadevergoeding te zullen komen.

Op grond van het dossier is de Commissie van oordeel dat UHT op het punt van deze schade het advies van CWS heeft mogen volgen. Belanghebbende heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat de ontslagen en de daarop volgende werkloosheid het gevolg waren van de KOT-problemen, aangezien de bezoeken aan de huisarts dateren van november 2016. De periodes dat belanghebbende werkzaam was bij [werkgever] was 2014-2015 en bij [werkgever] 2017-2018. In de periode van werkloosheid daarna heeft belanghebbende zijn huisarts ook niet bezocht. De Commissie is daarom van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gezondheidsklachten het directe en enkele gevolg zijn van de KOT-problemen.

De Commissie overweegt verder dat uit het Beoordelingskader Materiële Schade van CWS volgt dat CWS zelf geen medische beoordeling kan doen. CWS heeft op basis van het ingewonnen onafhankelijk medisch advies van 25 april 2024 vastgesteld dat de gezondheidsklachten niet zijn veroorzaakt door de problemen met de KOT, maar dat die problemen naar alle waarschijnlijkheid wel een verergerende of onderhoudende rol hebben gespeeld. Hoewel de Commissie begrijpt dat inderdaad niet kan worden uitgesloten dat het verloop van de klachten milder had kunnen zijn geweest zonder de KOT-problematiek, is het oorzakelijk verband met de medische klachten van belanghebbende naar het oordeel van de Commissie onvoldoende aannemelijk.

De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Inkomensschade partner belanghebbende

In de aanvullende gronden van 24 januari 2025 licht belanghebbende toe waaruit de inkomensschade van zijn partner bestaat. De partner van belanghebbende heeft vanaf november 2015 gezondheidsklachten ervaren vanwege stress ten gevolge van de financiële problemen met de KOT en is per 29 juli 2016 arbeidsongeschikt geraakt. Zij is door het ontvangen van een Ziektewetuitkering 30% in inkomen achteruit gegaan. Belanghebbende heeft gespreksverslagen van het UWV toegevoegd aan het dossier.

De Commissie is van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de gezondheidsklachten het directe en enkele gevolg zijn van de KOT-problemen. Uit de gespreksverslagen blijkt dat de partner van belanghebbende lichamelijke en psychische klachten ervoer, maar dat niet is gebleken dat deze zijn ontstaan vanwege problemen met de KOT. Wel is in het verslag van de huisarts van 7 januari 2025 te zien dat tijdens de zwangerschap van de partner van belanghebbende sprake was van onrust bij de ex-partner van belanghebbende vanwege de toeslagenaffaire. De Commissie begrijpt dat zonder de KOT-problematiek de medische klachten van de partner van belanghebbende minder erg hadden kunnen zijn, maar het oorzakelijk verband met de KOT-problematiek is naar het oordeel van de Commissie onvoldoende aannemelijk.

De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Rentelasten

Belanghebbende stelt dat hij rentelasten heeft moeten voldoen in verband met verschillende leningen die hij is aangegaan. Hij is leningen aangegaan met Santander vanwege zijn auto, met zijn schoonouders vanwege de woning en de echtscheidingsprocedure en op zijn creditcard vanwege andere schulden.

CWS en UHT achten het enerzijds niet voldoende aannemelijk dat de noodzaak om voornoemde leningen aan te gaan rechtstreeks en uitsluitend is veroorzaakt door de terugvorderingen van de KOT. Anderzijds vinden CWS en UHT het wel aannemelijk dat belanghebbende, als de problemen met de KOT er niet waren geweest, minder had hoeven lenen en/of de leningen eerder had kunnen aflossen.

In de aanvullende gronden van 24 januari 2025 heeft belanghebbende rentekosten toegevoegd met betrekking tot twee leningen op naam van zijn partner voor het opstarten van zijn eigen onderneming genaamd [naam onderneming], waarvan ook de overeenkomst op naam van de partner van belanghebbende staat. Ook is e-mailcorrespondentie toegevoegd waaruit blijkt dat belanghebbende hulp kreeg van de afdeling Schulden & Preventie van de gemeente Breda. Belanghebbende heeft de eigen onderneming opgestart vanwege de noodzaak van een vast inkomen en de behoefte aan continuïteit, vrijheid en flexibiliteit.

De Commissie kan het standpunt van CWS en UHT volgen omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de KOT-schulden de directe en enige aanleiding waren om de leningen aan te gaan. De Commissie acht het bezwaar van belanghebbende op dit onderdeel ongegrond.

Omzetderving/verletkosten

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zijn partner en hij aanwezig waren bij het toelichtingsgesprek bij CWS en daarvoor en voor het regelen van bepaalde zaken hij op bepaalde dagen zijn onderneming heeft moeten sluiten. Belanghebbende heeft de verletkosten berekend op basis van zijn reguliere dagomzet. CWS heeft in het advies van 8 mei 2024 het aantal verletdagen op twaalf dagen bepaald en UHT heeft in het kader van het nieuwe schadekader van CWS forfaitaire vergoedingen toegekend.

Belanghebbende meent echter dat ten onrechte de opgenomen vrije dagen voor incidentele bezoeken aan medische behandelaren niet zijn meegenomen. In de aanvullende reactie van belanghebbende van 6 januari 2025 worden nog eens drie dagdelen genoemd die voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen.

De Commissie is het met UHT eens dat CWS op grond van de door belanghebbende aangevoerde gegevens terecht is uitgegaan van de noodzaak voor belanghebbende tot het vrij nemen van één dag voor het toelichtingsgesprek voor belanghebbende en zijn partner. Daarnaast is de schatting van CWS van twaalf verletdagen voor het regelen van zaken die samenhingen met de problemen met de KOT naar het oordeel van de Commissie niet onredelijk.

Het telefonische consult met de praktijkondersteuner van GGZ op 30 september 2021 is naar het oordeel van de Commissie geen activiteit die voor vergoeding in aanmerking komt. De Commissie is echter wel van oordeel dat de twee bezoeken aan de huisarts op 5 juli en 13 september 2021 voor vergoeding in aanmerking komen. Hoewel niet is gebleken hoeveel dagen belanghebbende verder heeft besteed aan bezoeken die in verband stonden met de KOT-problemen van belanghebbende, ziet de Commissie aanleiding om UHT te adviseren om het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en uit te gaan van twee extra verletdagen.

Vergoeding voor immateriële schade

UHT heeft de immateriële schadevergoeding op grond van het nieuwe schadekader van CWS opnieuw beoordeeld en concludeert dat belanghebbende recht heeft op een aanvullende immateriële schadevergoeding.

Belanghebbende stelt dat de vergoeding voor immateriële schadevergoeding dient te worden verhoogd omdat hij een grotere aanspraak op KOT had gehad als hij die had aangevraagd in 2014 tot en met heden. Belanghebbende meent dat dit valt onder bouwsteen D. Belanghebbende voert daarnaast aan in de aanvullende gronden dat hij geen advocaat kon betalen voor het voeren van procedures omtrent de omgang met zijn kinderen. De omgangsregeling is daardoor nadeliger uitgevallen, omdat belanghebbende zijn eigen belangen moest behartigen. Volgens belanghebbende moet deze omstandigheid in het kader van de immateriële schade worden meegewogen, voor belanghebbende zelf of van de kinderen en/of het gezin. Belanghebbende stelt ten slotte dat voor het immateriële leed dat de drie kinderen van belanghebbende is aangedaan een vergoeding dient te worden toegekend. De toeslagenaffaire heeft een negatieve invloed gehad op de ontwikkeling van de jongste zoon van belanghebbende en deze stelling wordt toegelicht in een analyseverslag van een gezinsbegeleidingsinstelling.

Vanwege de beperkte financiële middelen is belanghebbende dichterbij zijn kinderen gaan wonen zodat de reiskosten lager zouden uitvallen. Belanghebbende verwijst naar bouwsteen B van de immateriële schadevergoeding.

Naar aanleiding van de hoorzitting en de aanvullende reacties van belanghebbende heeft UHT in haar aanvullende reacties/schikkingsvoorstellen van 16 januari en 7 februari 2025 de bouwstenen van de immateriële schadevergoeding nader toegelicht en op punten verhoogd. De Commissie overweegt dat de inhoud van de schikkingsvoorstellen van UHT buiten de omvang van de bezwaarprocedure staat en derhalve buiten beschouwing blijft voor dit advies. De weging van de bouwstenen in de aanvullende reacties van UHT komen echter wel voor advisering van de Commissie in aanmerking, omdat deze een inhoudelijke beoordeling betreft op grond van het huidige schadekader van CWS. De Commissie is van oordeel dat zowel bouwsteen B als bouwsteen D terecht verhoogd zijn door UHT en zij adviseert UHT om de voorgestelde bedragen op te nemen in de beslissing op bezwaar.

Voor wat betreft de herberekening van de immateriële schadevergoeding vraagt de Commissie aan UHT extra aandacht voor de eerder toegekende bedragen, met name de (mogelijk dubbele) verrekening met het reeds toegekende bedrag aan immateriële schadevergoeding en het Catshuissurplus.

Ten aanzien van de bouwstenen B en D adviseert de Commissie aan UHT om dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen.

Conclusie

Tekst

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter