Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13311

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 17 augustus 2022 met als kenmerk UHT-CWS LOP BZW

Hoorzitting: 10 juli 2024

Ontvangst bezwaarschrift: 23 augustus 2022

Overdracht advies aan UHT: 30 juli 2024

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de beschikking van 17 augustus 2022 met kenmerk UHT-CWS LOP BZW in stand te laten.

Met betrekking tot berekeningsjaar 2008 heeft UHT als standpunt ingenomen dat zij een toewijzende compensatiebeslissing neemt en aan belanghebbende een nabetaling verstrekt. Voor zover belanghebbende vervolgens van mening is dat haar schade nog niet volledig is vergoed, adviseert de Commissie belanghebbende om bij CWS een verzoek in te dienen tot vergoeding van aanvullende werkelijke schade. Hierbij kan belanghebbende zich laten adviseren door een advocaat. Het ligt in dit geval in de reden dat zo’n verzoek met voorrang wordt behandeld.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding van 17 augustus 2022 met kenmerk UHT-CWS LOP BZW. Belanghebbende heeft verzocht om toekenning van aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade. Deze beschikking (hierna: de bestreden beschikking) is uitgebracht na advies van de Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade (hierna: CWS) van 22 maart 2022.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moet de bestreden beschikking geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • UHT heeft beslist dat belanghebbende definitief recht heeft op een compensatiebedrag van € 50.180,-. Deze compensatie heeft betrekking op berekeningsjaren 2009 tot en met 2012.
  • Belanghebbende heeft op 3 juni 2021 een verzoek om aanvullende schadevergoeding ingediend bij CWS.
  • CWS heeft op 22 maart 2022 geadviseerd om een aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade ad € 7.070,- toe te kennen.
  • Bij beschikking van 17 augustus 2022 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij (overeenkomstig het advies van CWS) aanvullende schadevergoeding voor werkelijke schade ad € 7.070,- ontvangt.
  • Bij brief ontvangen op 23 augustus 2022 heeft belanghebbende een bezwaarschrift ingediend tegen de bestreden beschikking.
  • Bij schriftelijke reactie van 14 juli 2023 heeft UHT gereageerd op het bezwaar van belanghebbende.
  • Bij e-mails van 8 juli en 18 juli 2024 heeft UHT nader gereageerd, waarbij is vermeld dat een toewijzende compensatiebeschikking over 2008 wordt opgemaakt met een compensatiebedrag van € 22.959,-.
  • Belanghebbende heeft aangegeven dat zij niet gehoord wenst te worden. De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft het bezwaarschrift in haar vergadering van 10 juli 2024 behandeld.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Het toetsingskader

In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt de wet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld (zie ook Afdeling Bestuursrechtspraak 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3620).

De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt

i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en

ii) dat die schade het gevolg is van de handelswijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.

Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM.

Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt het advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die ten nadele van de belanghebbende afwijkt van het advies van CWS, maar dit moet dan goed onderbouwd worden.

In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op een juiste wijze invulling heeft gegeven aan de vergewisplicht. Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT in negatieve zin is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of dit goed onderbouwd heeft plaatsgevonden. De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS.

Bezwaren belanghebbende

Belanghebbende heeft geen bezwaar tegen de beslissing van UHT om voor berekeningsjaren 2009 tot en met 2012 een aanvullende schadevergoeding van €7.070,- toe te kennen. Belanghebbende voert aan dat zij voor berekeningsjaar 2008 ook aanspraak heeft op compensatie van aanvullende werkelijke schade. Zij heeft KOT aangevraagd voor 2008, maar dit is niet toegekend. Hierdoor heeft zij schade geleden en zij wenst dat UHT haar compenseert.

Advies CWS

In haar advies vermeldt CWS dat zij haar beoordeling beperkt tot de jaren 2009 tot en met 2012, omdat alleen deze jaren herbeoordeeld zijn in de definitieve compensatiebeschikking. Deze beschikking vormt het startpunt van het onderzoek en het advies voor CWS.

In haar advies vermeldt CWS dat uit de aan haar bekende gegevens blijkt dat belanghebbende geen recht heeft op KOT over 2008. De reden daarvan is dat belanghebbende zich te laat had gemeld om de KOT aan te vragen. Over het berekeningsjaar 2008 is daarom geen KOT toegekend aan belanghebbende. CWS heeft vervolgens (uitsluitend) beoordeeld of aannemelijk is dat het niet toekennen van KOT over 2008 het gevolg is van de opstelling van Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) over de jaren 2009 tot en met 2012. Dit is, aldus CWS, niet het geval omdat de KOT-problematiek pas is ontstaan vanaf eind augustus 2011. Op dat moment was al lang sprake van een situatie dat geen KOT over 2008 werd toegekend.

Beslissing UHT

UHT neemt het advies van CWS over en verwijst hiernaar in haar beslissing van 17 augustus 2022. In haar schriftelijke reactie van 14 juli 2023 geeft UHT aan dat zij telefonisch heeft toegelicht waarom belanghebbende over 2008 geen KOT heeft ontvangen. Omdat belanghebbende over 2008 geen KOT heeft ontvangen, heeft UHT over dat jaar geen compensatiebeslissing genomen. Aangezien CWS uitsluitend kan adviseren over de berekeningsjaren waarvoor belanghebbende een definitieve compensatiebeschikking heeft ontvangen is het jaar 2008 niet beoordeeld door de CWS. UHT stelt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is.

De Commissie

De Commissie overweegt, mede op basis van het bezwaar van belanghebbende en de reactie van UHT als volgt. Het staat vast dat belanghebbende voor berekeningsjaar 2008 geen KOT heeft ontvangen. Dit jaar is wel beoordeeld door UHT, maar voor dit jaar is geen (forfaitaire) compensatiebeslissing genomen. CWS heeft voor 2008 niet geadviseerd tot vergoeding van aanvullende werkelijke schade omdat voor dat jaar geen forfaitaire compensatie is toegekend. De Commissie ziet dit anders.

Uit het door UHT overgelegde bezwaardossier blijkt dat B/T volgens het beoordelingsteam van UHT in berekeningsjaar 2008 vooringenomen heeft gehandeld jegens belanghebbende. In het ‘formulier integrale beoordeling ouder’; productie 9, pagina 71 en 72 wordt onder andere vermeld: “Conclusie: Gelet op het bovenstaande blijkt dat de aanvraag niet in behandeling is genomen. Er zijn geen beschikkingen verstuurd en de ouder heeft geen KOT ontvangen voor dit jaar. Ouder is hierdoor vooringenomen behandeld. B/T beschikt voor dit jaar over onvoldoende gegevens om de compensatieberekening mogelijk te maken. Ook de KOI Viewer toont geen gegevens voor het jaar 2008. Ouder kan voor vergoeding van de geleden schade doorverwezen worden naar de Commissie van werkelijke schade.

UHT heeft in haar mails van 8 juli en 18 juli 2024 aangegeven dat zij op basis van het vertrouwensbeginsel alsnog over zal gaan tot het opstellen van een toewijzende compensatiebeschikking voor 2008. Aan belanghebbende wordt een nabetaling gedaan voor 2008. De Commissie neemt met instemming kennis van dit standpunt.

Voor zover belanghebbende na ontvangst van de nadere compensatie over 2008 van mening is dat haar schade nog niet volledig is vergoed, adviseert de Commissie belanghebbende om bij CWS een verzoek in te dienen tot vergoeding van aanvullende werkelijke schade. Hierbij kan belanghebbende zich laten adviseren door een advocaat. Daarnaast kan zij bezwaar aantekenen tegen de te ontvangen beschikking over 2008.

Conclusie

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om de beschikking van 12 april 2022 met kenmerk UHT-HD CWS in stand te laten.

Secretaris

Fungerend voorzitter