Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13291

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 24 april 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 9 april 2025

Overdracht advies aan UHT: 15 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 1 november 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2005 tot en met 2012. Later is in overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar afgestemd dat het verzoek ziet op de jaren 2007 tot en met 2014.
  • UHT heeft bij beschikking van 31 maart 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 24 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2014.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 mei 2023, ingekomen op 17 mei 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. De vertegenwoordiging van belanghebbende is daarna overgenomen.
  • UHT heeft op 24 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 13 maart 2025 heeft UHT aanvullende stukken ingediend.
  • Op 9 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Toeslagjaren 2007 en 2008

De Commissie ziet geen aanknopingspunten dat bij de toekenning of aanpassing van de KOT voor de jaren 2007 en 2008 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) dan wel hardheid van het stelsel.

De KOT is per november 2007 toegekend conform de aanvraag van belanghebbende. In 2008 is de KOT automatisch gecontinueerd op basis van die aanvraag. Voor beide jaren geldt daarnaast dat de KOT bij definitieve beschikking is verhoogd in verband met een lager toetsingsinkomen. Het aantal opvanguren is hierbij ongewijzigd en daarmee conform de aanvraag gebleven. Uit de stukken, in het bijzonder de betaal- en verrekenoverzichten, volgt dat van een terugvordering van de KOT geen sprake was.

Belanghebbende komt daarom voor de jaren 2007 en 2008 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2009

De Commissie ziet evenmin aanknopingspunten om UHT te adviseren dat er bij de toekenning of aanpassing van de KOT voor het jaar 2009 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel.

Bij beschikking van 6 november 2009 is de KOT voor 2009 verlaagd vanwege een stopzetting van de KOT per 1 november 2009. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de bewijslast dat hij de KOT heeft stopgezet bij UHT ligt. UHT verwijst hiervoor naar XML bestand (productie 23). Dit betreft een uitdraai van de digitale stopmelding die op 31 augustus 2009 is gedaan met de DigiD van belanghebbende. Deze stopzetting is per beschikking van 6 november 2009 (productie 18) ook aan belanghebbende bevestigd. Belanghebbende heeft hiertegen destijds geen bezwaar aangetekend. De Commissie ziet geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de digitale stopzetting door of namens belanghebbende. B/T mocht daarop afgaan.

Bij definitieve beschikking van 22 mei 2012 is de KOT nogmaals verlaagd. B/T heeft deze beschikking vastgesteld op basis van de informatie uit het antwoordformulier en de jaaropgave die belanghebbende op 10 november 2010 heeft toegezonden aan B/T (productie 22). Hoewel bij de voorgaande beschikkingen van 2009 ook KOT werd toegekend voor de dochter van belanghebbende, heeft belanghebbende in het geheel geen informatie overgelegd over eventuele opvang van zijn dochter in 2009, enkel over opvang van zijn jongste zoon. B/T heeft als gevolg daarvan bij de definitieve beschikking geen KOT meer toegekend ten behoeve van de dochter van belanghebbende.

De Commissie overweegt hierover dat B/T mocht uitgaan van de juistheid en de volledigheid van de door belanghebbende ingezonden informatie. Dat B/T geen extra uitvraag heeft gedaan over de situatie van de dochter van belanghebbende getuigt niet van vooringenomen handelen. Daarbij merkt de Commissie op dat hoewel bij de definitieve beschikking de KOT voor een van twee kinderen wegviel, sprake was van een relatief kleine verlaging van de KOT: deze wijzigde van €9.677,- naar € 9.136,-.

Uit het voorgaande concludeert de Commissie dat voor toeslagjaar 2009 sprake is geweest van reguliere wijzigingen van de KOT, die conform de wet zijn uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2010 t/m 2014

UHT stelt dat zij in geen enkel systeem van B/T iets heeft aangetroffen dat wijst op een aanvraag van KOT door belanghebbende voor de jaren 2010 tot en met 2014 (en daarna).

Nu op geen enkele wijze uit de stukken blijkt of anderszins aannemelijk is geworden dat belanghebbende in de jaren 2010 tot en met 2014 daadwerkelijk aanspraak had op KOT, is de Commissie van mening dat belanghebbende voor deze jaren geen beroep op de Wht kan doen.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Verloop herstelproces

De Commissie heeft oog voor de klachten die belanghebbende op de hoorzitting geuit heeft over het herstelproces en de mentale impact die hij en zijn echtgenote ervaren. Het is begrijpelijk teleurstellend dat belanghebbende pas in deze fase van het herstelproces antwoord heeft kunnen krijgen op voor hem relevante vragen. De Commissie hoopt met dit advies bij te dragen aan het begrip van belanghebbende over zijn zaak.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter