Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13280

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 februari 2023 (UHT-DCH) en 14 maart 2023 (UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 4 mei 2026

Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen kinderopvangtoeslag (hierna: de bestreden besluiten).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 44.227,- voor de jaren 2010, 2011 en 2012. Met toepassing van diezelfde wet is aan belanghebbende een tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) toegekend van € 9.535,-.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 22 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over (uiteindelijk) de jaren 2010, 2011, 2012 en 2014.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de maanden januari en mei tot en met augustus 2011 en de toeslagjaren 2012 en 2014 de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is.
  • UHT heeft bij de bestreden besluiten aan belanghebbende bedragen toegekend van respectievelijk € 44.227,- en € 9.535,-.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 26 mei 2023, ingekomen op 26 mei 2023, tegen deze besluiten bezwaar gemaakt ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 8 oktober 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 26 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 4 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 12 mei 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 21 mei 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet is geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

Dossier

De Commissie is van opvatting dat aan belanghebbende de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt. Daarmee is voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. UHT heeft schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift. Ook deze reactie is aan gemachtigde gezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid gehad om daarop te reageren. De Commissie ziet in de concrete stellingen van belanghebbende en UHT geen aanleiding om aan te nemen dat in het beschikbaar gestelde dossier stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Daarom adviseert de Commissie UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken, is (thans) geen sprake van strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit kan onbeantwoord blijven, nu één en ander niet leidt tot het herroepen ervan. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren (of gedeelten daarvan) waarvoor geen compensatie is toegekend

De Commissie zal hierna die toeslagjaren c.q. de gedeelten daarvan bespreken waarvoor UHT geen compensatie heeft toegekend.

Toeslagjaar 2011

De Commissie overweegt dat voor de maanden februari tot en met april en september tot en met november reeds is aangenomen dat sprake is geweest van vooringenomen handelen. Voor die periode is aan belanghebbende compensatie op grond van vooringenomenheid toegekend. Voor zover belanghebbende meent daarnaast voor diezelfde periode ook aanspraak te hebben op compensatie wegens hardheid, volgt de Commissie dat standpunt niet. Per periode wordt één regeling toegepast en de regeling wegens vooringenomenheid is de meest ruimhartige. Voor de maanden januari en mei tot en met augustus was weliswaar sprake was van een terugvordering van meer dan € 1.500, maar de KOT die aan de kinderopvanginstelling werd uitbetaald bedroeg € 5.451, terwijl de werkelijke opvangkosten volgens de jaaropgave € 6.482,44 bedroegen. Dus doet zich niet het geval voor dat teveel aan de kinderopvanginstelling werd uitbetaald en en vervolgens dat teveel betaalde bij belanghebbende werd teruggevorderd. Daarom bestaat voor die maanden geen aanspraak op compensatie wegens hardheid. Ten aanzien van O/GS constateert de Commissie dat weliswaar sprake is geweest van een kwalificatie O/GS voor delen van dit toeslagjaar, maar dat , gelet op het door UHT gestelde en de daaraan ten grondslag gelegde stukken, de Commissie van oordeel isdat de bestreden beschikking op dit onderdeel juist is. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012

De Commissie overweegt dat in dit toeslagjaar twee verlagingen van de KOT hebben plaatsgevonden. Voor zover het de tweede verlaging wegens non-respons betreft, acht de Commissie het, nu de uitvraagbrieven niet in de systemen zijn terug te vinden, aannemelijk dat sprake is geweest van vooringenomen handelen. Dat leidt in dit geval echter niet tot een aanspraak op compensatie. Er is namelijk een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende kan worden toegerekend. Uit het dossier volgt dat belanghebbende vanaf november 2011 tot en met 11 januari 2012 als VOW (vertrokken onbekend waarheen) stond geregistreerd en vanaf 11 januari 2012 op een nieuw adres stond ingeschreven. Uit de eigen verklaring van belanghebbende volgt dat vanaf de verhuizing naar het nieuwe adres geen opvang meer is afgenomen. Ook overigens bevatten de stukken geen concrete aanwijzingen dat in 2012 opvang is afgenomen. Onder deze omstandigheden is de Commissie van oordeel dat evident geen recht op KOT bestond in dit toeslagjaar. Daarom blijft compensatie wegens vooringenomenheid achterwege. Ten aanzien van hardheid overweegt de Commissie dat weliswaar sprake is van een terugvordering of verlaging van € 1.500 of meer, maar dat niet is gebleken van een kleine formele tekortkoming, het slechts gedeeltelijk betalen van de opvangkosten, fraude door een derde of andere bijzondere omstandigheden die aanspraak geven op compensatie wegens hardheid. Daarbij komt dat de KOT rechtstreeks aan belanghebbende is uitbetaald. Uit de stukken volgt dat in 2011 en 2012 sprake was van een kwalificatie O/GS. Op zichzelf brengt dat niet mee dat voor 2012 aanspraak bestaat op een hogere tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 Wht. De Commissie ziet in hetgeen is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat UHT dit bezwaaronderdeel onjuist heeft beoordeeld. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2014

Belanghebbende voert aan dat voor dit jaar compensatie dient plaats te vinden op grond van vooringenomen handelen van B/T. Volgens belanghebbende is onvoldoende informatie uitgevraagd en was sprake van wisselende toeslagpartners. Daarbij voert belanghebbende aan dat het niet uitmaakt wie aan het einde van het jaar als toeslagpartner stond geregistreerd, indien slechts in januari en februari opvang is afgenomen. Verder wijst belanghebbende erop dat zij in dit jaar, gelet op de persoonlijke omstandigheden, sterk afhankelijk was van kinderopvang. Ook voert zij aan dat het op grond van de Awir mogelijk is om toeslagen met terugwerkende kracht aan te vragen.

De Commissie overweegt voor toeslagjaar 2014 als volgt. Naar aanleiding van de hoorzitting van 4 mei 2026 heeft de Commissie UHT gevraagd nader te onderzoeken of belanghebbende over toeslagjaar 2014 alsnog in aanmerking komt voor compensatie. UHT heeft in de aanvullende beschouwing erkend dat voor dit toeslagjaar sprake is geweest van vooringenomen handelen. Eerder had UHT zich op het standpunt gesteld dat compensatie achterwege moet blijven omdat sprake was van een ernstige onregelmatigheid, namelijk evident geen recht op KOT, omdat niet aannemelijk is dat in de te compenseren periode gekwalificeerde kinderopvang werd afgenomen. De Commissie constateert dat UHT dit standpunt niet langer handhaaft De Commissie onderschrijft de nieuwe opstelling van UHT. De feiten en omstandigheden van dit geval brengen mee dat niet kan worden aangenomen dat belanghebbende evident geen recht had op KOT. Belanghebbende komt over toeslagjaar 2014 dan ook in aanmerking voor compensatie wegens vooringenomen handelen van B/T. Nu belanghebbende over toeslagjaar 2014 op grond van vooringenomenheid voor compensatie in aanmerking komt, behoeft de vraag of daarnaast sprake is geweest van hardheid geen afzonderlijke bespreking. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel gegrond te verklaren.

Berekeningen c.q. hoogte van de compensatie toeslagjaren 2010, 2011 en 2012

De Commissie zal hierna per toeslagjaar de door UHT gemaakte compensatieberekening bespreken.

Toeslagjaren 2010 en 2011

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de compensatieberekeningen voor de toeslagjaren 2010 en 2011 onjuist zijn vastgesteld. UHT heeft in de beschouwing erkend dat de berekeningen op meerdere onderdelen niet juist zijn. Nu meerdere componenten wijzigen, overweegt de Commissie dat ook component P, de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal, en de immateriële schade opnieuw moeten worden berekend. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel gegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2012

De Commissie overweegt dat belanghebbende ook heeft aangevoerd dat de compensatieberekening voor toeslagjaar 2012 onjuist is vastgesteld. De Commissie constateert echter dat uit het door UHT ingenomen standpunt, zoals dat thans voorligt, geen concrete en uitgewerkte correcties voor afzonderlijke componenten van de berekening over 2012 blijken. De Commissie kan daarom niet vaststellen op welke onderdelen de oorspronkelijke berekening voor dat toeslagjaar onjuist zou zijn en op welke wijze die berekening in de beslissing op bezwaar zal worden aangepast. Voor zover UHT in de beslissing op bezwaar ook ten aanzien van 2012 tot aanpassing van de berekening overgaat, geeft de Commissie UHT in overweging die aanpassing duidelijk en inzichtelijk te motiveren met verwijzing naar de juiste onderliggende stukken en de juiste berekeningscomponenten. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel, voor zover het toeslagjaar 2012 betreft en UHT de berekening alsnog aanpast, gegrond te verklaren.

Proceskosten

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen besluit UHT-DCH gegrond te verklaren, het bestreden besluit UHT-DCH te herroepen en met inachtneming van dit advies een nieuw besluit te nemen, het bezwaar tegen het besluit UHT-O-OGS-B ongegrond te verklaren en om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter