Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13279

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 21 september 20232 (UHT-DC I), 21 september 2022 (UHT-DC-I A), 21 september 2022 (UHT-DH5 A)

Hoorzitting: 28 februari 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 4 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de beschikking van 21 september 2022 met kenmerk UHT-DC I gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen. De Commissie adviseert voorts om de bezwaren gericht tegen de beschikkingen van 21 september 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) compensatie toegekend voor een bedrag van € 52.391 voor het jaar 2009 en de maanden januari tot en met oktober 2010 en geen compensatie toegekend voor de maanden november en december van 2010 en het jaar 2011.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht worden te zijn genomen op grond van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 18 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 en 2012. Na overleg met belanghebbende zijn de jaren 2009, 2010 en 2011 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij beschikking van 7 juli 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 april 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de maanden november en december van 2010 en het jaar 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikkingen van 21 september 2022 met kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de maanden november en december 2010 en het jaar 2011.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 26 april 2023, ingekomen op 3 mei 2023, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft bij vooraankondiging van 7 juli 2022 met kenmerk UHT-VC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 45.938.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 52.391 voor het jaar 2009 en de maanden januari tot en met oktober 2010.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 26 april 2023, ingekomen op 3 mei 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 februari 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 28 februari 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 28 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 3 maart 2025 een nadere schriftelijke beschouwing ingediend. Gemachtigde heeft daar op 18 maart 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Procedurele bezwaren

De op de zaak betrekking hebbende stukken

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. Als voorbeeld haalt zij de brief van 24 juli 2019 aan waarin Belastingdienst Toeslagen (hierna: B/T) heeft gereageerd op het verzoek om een betalingsregeling. Deze brief is niet opgenomen in het bezwaardossier noch in het ouderdossier terug te zien.

De Commissie overweegt op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting recht heeft op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. UHT heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift van belanghebbende het bezwaardossier overgelegd en de daarbij horende schriftelijke beschouwing van 28 februari 2024. Belanghebbende heeft hiermee kunnen beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken, met uitzondering van de brief van 24 juli 2019 waarin het verzoek om een betalingsregeling door B/T is gehonoreerd. Het is niet de aangewezen gang van zaken dat belanghebbende de brief van 24 juli 2019 niet heeft kunnen inzien voorafgaand aan de hoorzitting. Daarmee is op zichzelf sprake van een schending van het Gemachtigde heeft in haar nadere reactie van 18 maart 2025 naar aanleiding van die brief gereageerd. Niet is derhalve gebleken dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Termijnoverschrijding

Gemachtigde wijst erop dat UHT de beslistermijnen structureel overschrijdt. De Commissie wijst erop dat de wet de termijnen stelt. Het bieden van een structurele, collectieve oplossing voor de termijnproblemen van UHT, kan alleen de wetgever doen. Aan de gedupeerde ouders is nu alleen nog de mogelijkheid om bij termijnoverschrijding na een ingebrekestelling, een beroep niet tijdig beslissen in te dienen hetgeen belanghebbende dan ook heeft gedaan.

Beoordeling forfaitaire compensatieberekening 2009 en 2010 (januari tot en met oktober)

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2009 en de maanden januari tot en met oktober 2010 op de juiste wijze heeft berekend. Daarnaast ziet de Commissie zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de maanden november en december 2010 en het jaar 2011 af te wijzen.

Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Commissie staat daarmee vast dat B/T over het jaar 2009 en over de periode januari tot en met oktober 2010 institutioneel vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld. UHT heeft ter compensatie volgens de forfaitaire systematiek van de Wht, een bedrag van €52.391 toegekend.

UHT heeft naar aanleiding van deze bezwaarprocedure nogmaals gekeken naar de compensatieberekening en blijkens het gestelde in haar schriftelijke beschouwing geconstateerd dat onderdeel o 'de rente over de gemiste KOT' over beide toeslagjaren onjuist is berekend. UHT heeft toegezegd de rente over de gemiste KOT voor beide toeslagjaren te herzien. De toeslagrente over 2009 wordt € 7.111. Verder is gebleken dat verschillende onderdelen in de compensatieberekening ten aanzien van het toeslagjaar 2010 onjuist zijn berekend. UHT heeft toegezegd de onjuist berekende onderdelen te herzien.

UHT acht het bezwaar op dit onderdeel derhalve gegrond en zal de compensatieberekening aanpassen in de beslissing op bezwaar. UHT heeft daarnaast toegezegd dat, overeenkomstig het beleid van UHT in zaken waarin het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum de datum van de beslissing op bezwaar zal worden gehanteerd. Daarnaast heeft UHT toegezegd ook bij de berekening van de rentevergoeding over het toeslagjaar 2010 als einddatum de datum van beslissing in bezwaar te hanteren. Tot slot zal door UHT ook de hoogte van de aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal in de beslissing op bezwaar worden aangepast (onderdeel p in de compensatieberekening). De Commissie adviseert UHT derhalve om aan de in de beschouwing gedane toezeggingen gevolg te geven, de compensatieberekening aan te passen conform de in de beschouwing opgenomen toezeggingen en om bij haar beslissing op bezwaar een nieuwe compensatieberekening aan belanghebbende te verstrekken.

Het is de Commissie voorts opgevallen dat UHT ten aanzien van de startdatum voor de immateriële schadevergoeding twee verschillende data noemt. In de nieuwe berekening die bij de beschouwing van 28 februari 2024 is gevoegd, wordt gesproken over een startdatum van 20 april 2011. In de beschouwing zelf wordt een startdatum van 25 februari 2010 genoemd. De Commissie adviseert UHT om na te gaan welke startdatum van toepassing is en geeft UHT daarbij mee om, indien zij van mening is dat de startdatum 20 april 2011 is, op grond van het vertrouwensbeginsel uit te gaan van 25 februari 2010 als startdatum voor de immateriële schadevergoeding.

Beoordeling afwijzing compensatie november en december 2010 en heel 2011

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij ook in de maanden november en december 2010 en in toeslagjaar 2011 vooringenomen is behandeld door B/T en zij ook over deze periode compensatie dient te ontvangen.

Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T of van hardheid van het stelsel. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht heeft op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake omdat het kind van belanghebbende in oktober 2010 is verhuisd naar het buitenland en pas in 2021 terug is gekomen naar Nederland. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt niet bestreden en ook volgens de Commissie blijkt uit de woonadresgegevens genoegzaam dat belanghebbende en haar kind niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven in de maanden november en december 2010 en geheel 2011. Die omstandigheid staat, ingevolge het bepaalde in artikel 4 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) in de weg aan toekenning van KOT. De Commissie meent dat, gelet op het vorenstaande, hier van een ernstige onregelmatigheid sprake is omdat er evident geen recht is op KOT nu buiten twijfel is dat belanghebbende in de bewuste periode niet in aanmerking komt voor KOT.

Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd.

Resumerend komt de Commissie tot de conclusie dat belanghebbende vanaf november 2010 tot en met december 2011 niet in aanmerking kan komen voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Overige bezwaargronden

Herbeoordeling niet meegenomen toeslagjaren

Gemachtigde geeft aan dat de toeslagjaren 2006, 2008 en 2012 en 2013 tevens dienen te worden herbeoordeeld. Tijdens de hoorzitting en in de aanvullende schriftelijke beschouwing van 3 maart 2025 heeft UHT toegezegd de toeslagjaren 2006, 2008, 2012 en 2013 te zullen herbeoordelen.

Uitleg bedragen Landelijk Incasso Centrum (LIC)

Gemachtigde heeft verzocht om uitleg van bepaalde bedragen uit de LIC-overzichten. De Commissie meent dat UHT in de schriftelijke beschouwing en de toelichting op de hoorzitting aan dit verzoek heeft voldaan.

Overschrijding termijn bij definitieve KOT-beschikkingen

Gemachtigde stelt dat er sprake is van vooringenomen handelen aangezien de definitieve KOT-beschikkingen zonder duidelijke redenen buiten de termijn van artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) zijn genomen; belanghebbende heeft gelet daarop recht op compensatie.

De Commissie ziet in die omstandigheid onvoldoende aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen en deelt voorts de mening van UHT dat dit bezwaar buiten het bestek van de Wht valt. De door gemachtigde gestelde omstandigheid kan, gelet op het hier toepasselijke regelgevende kader, niet tot het door belanghebbende gewenste resultaat leiden. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Discriminatie

Gemachtigde stelt dat er in het geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie. Zij wijst daarbij op het onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College), waaruit blijkt dat Toeslagenouders met een buitenlandse afkomst vaker door B/T zijn gecontroleerd. Dit onderzoek wordt door gemachtigde aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt. Hoewel het onderzoek van het College aanwijzingen bevat over een bredere praktijk van mogelijke discriminatie door B/T, kan het door gemachtigde aangevoerde vermoeden dat ook in het specifieke geval van belanghebbende sprake is geweest van discriminatie, in een procedure als de onderhavige, waarin belanghebbende als gedupeerde is aangemerkt - en in aanmerking is gekomen voor de meest ruimhartige forfaitaire herstelmaatregel - reeds hierom niet tot het door haar gewenste resultaat leiden.

FSV-overzicht

UHT heeft aangegeven dat belanghebbende niet in het FSV-overzicht voorkomt en heeft daartoe een printscreen overgelegd. De Commissie overweegt dat, bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende, gegevens de printscreen waarin staat vermeld dat belanghebbende niet in het FSV-overzicht is opgenomen in beginsel volstaat. Echter, mochten de gegevens ten aanzien van de KOI en het BSN van het kind meer informatie over een eventuele FSV-registratie kunnen verschaffen, dan adviseert de Commissie UHT om daar nader onderzoek naar te doen en daarover in de beslissing op bezwaar gemotiveerd op te reageren.

Opzet/grove schuld

Belanghebbende heeft betoogd dat haar een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd. UHT heeft na nader onderzoek geconstateerd dat B/T per brief van 24 juni 2019 wel een betalingsregeling heeft toegekend aan belanghebbende. De Commissie adviseert UHT daarom, nu dat bezwaar op dit onderdeel feitelijke grondslag mist, het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

De Commissie overweegt ten overvloede dat de enkele stelling dat belanghebbende een betalingsregeling is geweigerd, onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld en haar daarom een persoonlijke betalingsregeling is geweigerd.

Forfaitaire vergoedingen

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de toekenning van een forfaitaire vergoeding voor (im)materiele schade als zodanig niet is te verenigen met het evenredigheidsbeginsel. De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot het oordeel dat toepassing van het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als het onderhavige buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiele schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade en dat in alle fases van toekenning in rechtsbescherming wordt voorzien.

Vergoeding juridische kosten voor in het verleden gevoerde procedures

De vergoeding juridische bijstand onder onderdeel h is gebaseerd op het zesde lid van artikel 2.3 Wht dat bepaalt dat de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, Wht voor compensatie in aanmerking komt. Gemachtigde heeft dergelijke kosten niet aannemelijk gemaakt.

Zorgvuldigheid- en motiveringsbeginsel

Aangezien de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I niet in stand kan blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming deels onvoldoende zorgvuldig is geweest en ook onvoldoende is gemotiveerd.

Proceskostenvergoeding

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie, de eerste hiervoor geformuleerde vraag ontkennend en de tweede bevestigend beantwoordend, om het bezwaar tegen de beschikking van 21 september 2022 met kenmerk UHT-DC-I gedeeltelijk gegrond te verklaren, de overige bezwaren ongegrond te verklaren en om:

  • de, ingevolge de Wht samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zo verre te herroepen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

Secretaris

Fungerend voorzitter