BAC 2023-13277
Publicatiedatum 03-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 14 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH
Hoorzitting: 29 april 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 10 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een compensatie toegekend ter grootte van € 30.000 waarbij het compensatiebedrag is vastgesteld op € 12.993 voor de toeslagjaren 2012 en 2016. Over de jaren 2013, 2014 en 2015 wordt geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 11 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de jaren 2012 tot en met 2017. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is de herbeoordeling aangepast naar de jaren 2012 tot en met 2016.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 juni 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat over de jaren 2012 tot en met 2015 geen sprake geweest is van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. In beginsel is over 2016 de compensatieregeling van toepassing met uitzondering van de maanden augustus tot en met december 2016. Over deze maanden heeft er geen geregistreerde kinderopvang plaatsgevonden.
- UHT heeft met de beschikking van 14 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH (hierna: de bestreden beschikking) aan belanghebbende medegedeeld dat over de toeslagjaren 2013 tot en met 2015 geen recht is op compensatie. Over 2012 en 2016 is de compensatieregeling wel van toepassing en bedraagt het compensatiebedrag € 12.993.
- Gemachtigde heeft bij brief van 25 mei 2023 tegen de bestreden beschikking een voorlopig bezwaarschrift ingediend. Op 27 februari 2024 heeft gemachtigde het bezwaarschrift verder aangevuld.
- UHT heeft op 24 september 2024 schriftelijk op het bezwaarschrift gereageerd.
- Op 29 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Op 8 mei 2025 heeft UHT per email een aanvullende reactie naar de Commissie gestuurd.
- Op 18 mei 2025 heeft gemachtigde per email op de aanvullende reactie van UHT gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie zal ingaan op de volgende bezwaargronden:
- Het persoonlijk dossier;
- Uitleg van de bedragen in de Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC)-overzichten;
- Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Awir;
- LRK-registratie;
- Toetsing van alle voorschot- en definitieve beschikkingen waarin KOT wordt vastgesteld;
- Informatie uit de Koi-viewer;
- Kinderopvang vanaf 1 augustus 2012;
- Strijd met het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel;
- Forfaitaire immateriele schadevergoeding;
- FSV-overzicht en meerdere toezichtsystemen;
- Vergoeding juridische kosten voor in het verleden gevoerde procedures;
- Afgenomen kinderopvang in Belgie;
- Niet herbeoordeelde jaren;
- Niet ten nadele van belanghebbende terugkomen op een gedane mededeling tot aanpassing van de vergoeding voor immateriele schade
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. UHT heeft op 29 januari 2025 de onderliggende stukken en de beschouwing naar de gemachtigde gestuurd. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Belanghebbende heeft hiermee kunnen beschikken over de op de zaak betrekking hebbende stukken. In deze bezwaarprocedure is het verstrekken van het persoonlijk dossier niet van belang. De Commissie is van oordeel dat op basis van het bezwaardossier en de schriftelijke beschouwing van UHT voldoende inzichtelijk is gemaakt hoe het compensatiebedrag en de afwijzing van compensatie over de jaren 2013 tot en met 2015 tot stand zijn gekomen. De bezwaargrond treft geen doel.
Uitleg van de bedragen in de LIC-overzichten
Belanghebbende heeft verzocht om een verduidelijking van de verrekeningen en betalingen die tussen 2012 en 2016 hebben plaatsgevonden.
De Commissie meent dat UHT door het opnemen van de LIC-overzichten in het bezwaardossier en door in de schriftelijke beschouwing naar deze overzichten te verwijzen, aan dit verzoek heeft voldaan. De bezwaargrond treft geen doel.
Het niet tijdig definitief beslissen conform artikel 19 van de Awir
Gemachtigde stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) op grond van artikel 19 van de Awir destijds niet binnen 13 weken en uiterlijk op 31 december volgend op het toeslagjaar een beschikking tot toekenning heeft genomen. Er is ook geen kennisgeving in het dossier opgenomen waaruit blijkt dat niet binnen 9 maanden een definitieve beslissing kan worden genomen.
De Commissie is van oordeel dat deze bezwaargrond buiten het bereik van deze bezwaarprocedure valt en laat het daarom verder onbesproken. De bezwaargrond treft geen doel.
Belanghebbende kan niet worden tegengeworpen dat gebruik is gemaakt van een niet-geregistreerde kinderopvanginstelling (LRK-registratie). Dat verwijt kan wel aan B/T worden tegengeworpen.
Om in aanmerking te komen voor KOT is op grond van artikel 1.5, tweede lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) vereist dat gebruik wordt gemaakt van een kinderopvanginstelling die geregistreerd is in het LRK-register. Daarbij kan van een aanvrager in het algemeen worden verlangd dat zij bij aanvang van de opvang enig onderzoek verricht. Verwacht mag worden dat belanghebbende daarbij onderzoek doet naar de LRK-registratie van de kinderopvanginstelling.
Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende wordt tegengeworpen dat gebruik is gemaakt van een kinderopvanginstelling die niet een geldige LRK-registratie bezit. De bezwaargrond treft geen doel.
Toetsing van alle voorschot- en definitieve beschikkingen waarin KOT wordt vastgesteld Belanghebbende meent over meerdere jaren recht te hebben op KOT.
De Commissie vertaalt deze bezwaargrond zo dat de eerder genomen beschikkingen KOT hier in deze bezwaarprocedure wederom ter discussie kunnen worden gesteld.
De Commissie stelt in zijn algemeenheid dat voor het aanvragen van KOT en het toekennen van voorschotten wordt uitgegaan van de juistheid van de aangeleverde gegevens die belanghebbende verstrekt. Daarbij wordt uitgegaan van de goede trouw van de aanvrager. B/T is, mede gelet op het belang van een spoedige betaling van voorschotten KOT, niet gehouden om voorafgaand aan het verlenen van voorschotten allerlei gegevens op juistheid te controleren.
De Commissie overweegt dat uit artikel 2.2 en 2.3 van de Wht voortvloeit dat UHT dient te beoordelen of bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2013 tot en met 2015 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Als op basis van reguliere wijzigingen blijkt dat het voorschot KOT te hoog is vastgesteld, wordt deze bijgesteld.
Deze bijstellingen worden conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel dan ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Uit de onderliggende stukken maakt de Commissie op dat de KOT over de toeslagjaren 2013 en 2014 neerwaarts is bijgesteld vanwege een hoger toetsingsinkomen. Over toeslagjaar 2015 blijkt dat er minder uren aan kinderopvang zijn afgenomen dan aanvankelijk bij de verstrekking van het voorschot is aangenomen. Het is de Commissie dan ook niet gebleken van institutioneel vooringenomen handelen door B/T over de toeslagjaren 2013 tot en met 2015.
In aansluiting op het voorgaande merkt de Commissie nog op dat de Wht geen herziening van onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen van de KOT beoogt. De regeling heeft niet tot doel alsnog (een hoger bedrag aan) KOT uit te keren, maar richt zich op de compensatie van ten onrechte teruggevorderde of niet toegekende KOT. Voor zover het bezwaar van belanghebbende zich richt op (de aantasting van) onherroepelijke vaststellingsbeschikkingen, gaat de Commissie hieraan voorbij. Deze bezwaargronden treffen dan ook geen doel.
Belanghebbende meent dat B/T bij de vaststelling van KOT niet blindelings op de Koi-viewer mag vertrouwen. De kinderopvanginstellingen zijn ook niet verplicht om de gegevens in de viewer te zetten.
De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT uit mogen gaan van de informatie vanuit de Koi-viewer, tenzij er contra-indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Met betrekking tot de onderhavige situatie merkt de Commissie op dat voor de jaren 2013 en 2014 de informatie uit de Koi-viewer in de beoordeling voor het neerwaarts bijstellen van de KOT geen enkele rol heeft gespeeld. Voor toeslagjaar 2015 heeft B/T vastgesteld dat de informatie uit de Koi-viewer in overeenstemming is met de jaaropgave. Voor de neerwaartse bijstelling van de KOT in toeslagjaar 2016 speelde de Koi-viewer eveneens geen rol omdat de neerwaartse bijstelling werd toegepast omdat DUO aan B/T doorgaf dat het kind van belanghebbende naar het basisonderwijs ging.
Belanghebbende maakte hierdoor vanaf 29 februari 2016 niet langer gebruik van dagopvang. De Commissie merkt met betrekking tot toeslagjaar 2012 op dat de KOT met ingang van 1 augustus 2012 ten onrechte is stopgezet en dat deze informatie niet in overeenstemming was met de Koi-viewer. Uit de Koi-viewer bleek immers dat belanghebbende van de kinderopvang gebruik maakte over de periode van januari tot en met augustus 2012. In deze situatie is op grond van de Koi-viewer en de verklaring van belanghebbende bij de persoonlijk zaaksbehandelaar geoordeeld dat belanghebbende vooringenomen is behandeld doordat geen rekening is gehouden met de maand augustus. In deze situatie heeft UHT door gebruikmaking van de informatie uit de Koi-viewer ten gunste van belanghebbende alsnog compensatie toegekend vanwege vooringenomen handelen. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Kinderopvang vanaf 1 augustus 2012
Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde aangevoerd dat vanaf 1 augustus 2012 gebruik is gemaakt van kinderopvang. In reactie daarop heeft UHT aangevoerd dat er is uitgegaan van de Koi-viewer. Uit de viewer is gebleken dat er tot augustus 2012 kinderopvang is afgenomen. Indien blijkt dat ook na 1 augustus 2012 kinderopvang is afgenomen, dan zal daarmee rekening worden gehouden.
De Commissie maakt uit het informatie- en beoordelingsformulier van UHT op dat belanghebbende voor toeslagjaar 2012 wordt gecompenseerd vanwege vooringenomen handelen, omdat zonder uitvraag de KOT is stopgezet vanaf 1 augustus 2012. Uit de Koi-viewer over toeslagjaar 2012 blijkt dat belanghebbende tot en met augustus gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Dat blijkt eveneens uit de toelichting die belanghebbende bij de persoonlijk zaakbehandelaar heeft gegeven, het zogenaamde ouderverhaal. Ter verduidelijking verklaarde belanghebbende nog dat "haar kinderen over de periode mei tot en met augustus gebruik hebben gemaakt van kinderopvang. De kinderopvanginstelling ging vervolgens failliet zodat de kinderen voor de resterende maanden geen opvang meer hebben genoten. De periode daarna heeft een vriendin van ouder tijdelijk kunnen oppassen." Belanghebbende heeft haar stelling dat ook over de periode september tot en met december 2012 gebruik is gemaakt van kinderopvang niet met aanvullende documenten aannemelijk gemaakt. De Commissie ziet dan ook geen aanleiding om daarvan uit te gaan en is daarmee van oordeel dat over deze maanden er evident geen recht is op KOT. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
Strijd met het zorgvuldigs-en motiveringsbeginsel
Belanghebbende voert aan dat haar situatie en de benodigde informatie niet volledig zijn om een goede beoordeling te kunnen uitvoeren. De herbeoordeelde jaren staan niet op zichzelf maar dienen in onderling verband met elkaar te worden bezien. Belanghebbende heeft ook over de jaren daarna een vooringenomen behandeling door B/T gevoeld. Het is niet duidelijk hoe de compensatieberekening tot stand is gekomen. Ook is onduidelijk waarom over de toeslagjaren 2013 tot en met 2015 geen compensatie is toegekend. Belanghebbende meent dan ook dat de bestreden beschikking in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is genomen.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van de bestreden beschikking en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Ter voorbereiding van de bestreden beschikking zijn de bedragen in de compensatieberekening vastgesteld aan de hand van de gegevens die B/T tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen en wijzigingsmeldingen van de KOT.
De Commissie maakt uit het informatie- en beoordelingsformulier op dat belanghebbende in het gesprek met de persoonlijk zaaksbehandelaar per toeslagjaar een toelichting heeft gegeven met betrekking tot de KOT-gerelateerde feiten over de jaren 2012 tot en met 2016. De zaaksbehandelaar verzamelt daarvoor met belanghebbende de informatie die nodig is om het recht op compensatie vast te stellen. De persoonlijk zaaksbehandelaar zal hiervoor zoeken in de computersystemen van B/T, de stukken beoordelen die belanghebbende heeft aangeleverd en luisteren naar het ouderverhaal. Deze zaaksbehandelaar heeft hiervoor een tijdslijn opgesteld en met belanghebbende de onduidelijkheden besproken. In aansluiting op de beoordeling van de persoonlijk zaaksbehandelaar heeft de CvW op 30 juni 2022 geadviseerd. In aansluiting hierop heeft de beoordeling plaatsgevonden en is er geconcludeerd dat belanghebbende over de periode januari tot en met augustus 2012 gecompenseerd dient te worden. De Commissie verwijst hierbij kortheidshalve naar het eerdere kopje "Kinderopvang vanaf 1 augustus 2012".
De Commissie is van oordeel dat de bestreden beschikking door middel van het indienen van de schriftelijke beschouwing, met een verwijzing naar de bijbehorende producties, voldoende is onderbouwd. Op basis van de in het bezwaardossier opgenomen stukken heeft belanghebbende inzicht kunnen krijgen in de totstandkoming van de bestreden beschikking. In de bestreden beschikking is per toeslagjaar uitvoerig gemotiveerd hoe aan de afwijzing van compensatie over de jaren 2013 tot en met 2015 is gekomen. In de bijlage van de compensatieberekening heeft UHT toegelicht hoe aan de diverse componenten van de jaren 2012 en 2016 is gekomen. Namens belanghebbende zijn verder geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andere zienswijze kunnen leiden. De Commissie is gelet op het vorenstaande van oordeel dat UHT haar besluit in voldoende mate heeft gemotiveerd en dat niet gebleken is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De bezwaargrond treft geen doel.
Forfaitaire immateriele schadevergoeding
Gemachtigde voert aan dat het toegekende bedrag aan immateriële schade niet voldoende is. Dit bedrag ziet niet op de pijn en het leed dat belanghebbende heeft ondervonden en waarbij zij tot fraudeur werd bestempeld en als zodanig werd behandeld. Belanghebbende is gediscrimineerd, ongelijk behandeld, haar privacy is geschonden en door het handelen van B/T is zij in haar eer, goede naam en persoon aangetast. Daarbij wordt een beroep gedaan op artikel 6:106, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1 en 10 van de Grondwet, artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en Protocol 12 van het EVRM. Gemachtigde meent dat aansluiting moet worden gezocht bij het strafrechtelijk normbedrag van € 130 per dag aan immateriële schadevergoeding over de periode dat belanghebbende slachtoffer is geweest van het toeslagenschandaal.
De Commissie overweegt dat de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade in de Wht twee gescheiden compensatietrajecten kent. Zo bevat de Wht een (deels forfaitaire) compensatie voor een aantal limitatief opgesomde schadeposten en de hoogte daarvan zoals dat is opgenomen in artikel 2.2 en 2.3 van de Wht.
In artikel 2.3, vierde lid, van de Wht is bepaald hoe de hoogte van de immateriële schadevergoeding wordt berekend. Hierin is bepaald, kort gezegd, dat de immateriële schadevergoeding gelijk is aan € 500 per half jaar. Als een aanvrager van compensatie meer schade heeft geleden dan op grond hiervan wordt vergoed, kan om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade worden verzocht. Uit de Memorie van Toelichting (vergaderjaar 2021-2022, nr. 36151, nr. 3, p. 14 en 73) blijkt dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om de procedure van compensatie en de aanvullende compensatie te scheiden.
Uit het voorgaande volgt dat UHT niet de mogelijkheid heeft om bij het berekenen van de forfaitaire immateriële schadevergoeding af te wijken van het bepaalde in artikel 2.3, vierde lid, van de Wht. De Commissie ziet ook geen aanleiding om dit artikellid in dit geval buiten toepassing te laten wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel. Dit betekent dat de bezwaargronden geen doel treffen.
FSV-overzicht en meerdere toezichtsystemen
Belanghebbende voert aan dat zij in meerdere toezichtsystemen heeft gestaan zonder dat zelf te weten. Het systeem trof personen met een buitenlandse afkomst aanzienlijk vaker en heeft voor belanghebbende ook nadelig uitgepakt. UHT heeft aangegeven dat belanghebbende niet op een FSV-lijst heeft gestaan en heeft daartoe een printscreen van het dagboek FSV overgelegd. De Commissie overweegt dat, bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, de printscreen waarin staat vermeld dat belanghebbende niet in het FSV-overzicht is opgenomen in beginsel volstaat. Belanghebbende heeft verder niet onderbouwd in welke toezichtsystemen zij zou hebben gestaan. Zonder nadere onderbouwing gaat de Commissie aan de stelling voorbij. De bezwaargrond treft geen doel.
Vergoeding juridische kosten voor in het verleden gevoerde procedures
De vergoeding voor juridische bijstand onder component m is gebaseerd op het zesde lid van artikel 2.3 Wht, dat bepaalt dat de kosten van door een derde beroepsmatig verleende en aan de belanghebbende in rekening gebrachte rechtsbijstand met betrekking tot een beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, Wht voor compensatie in aanmerking komen.
De Commissie maakt uit de onderliggende stukken op dat belanghebbende over de jaren 2012 tot en met 2016 geen bezwaar- en beroepsprocedures heeft gevoerd. Op 24 december 2018 heeft belanghebbende nog verzocht om herziening van de KOT over 2016. Op 2 maart 2019 heeft B/T op het verzoek beslist, zodat de KOT is aangepast naar € 1.336. Het is de Commissie niet gebleken dat belanghebbende door een derde beroepsmatig verleende kosten heeft moeten maken. Belanghebbende komt dan ook niet in aanmerking voor een vergoeding voor juridische kosten. De bezwaargrond treft geen doel.
Afgenomen kinderopvang in België
Op de hoorzitting van 28 april 2025 is UHT verzocht om nader te onderzoeken of rekening is gehouden met de afgenomen kinderopvang in België over de periode van 7 september tot en met 22 december 2016.
In de e-mail van 8 mei 2025 heeft UHT toegelicht dat het verzoek van belanghebbende om rekening te houden met de afgenomen kinderopvang in België is gehonoreerd. Gewezen wordt op de beslissing van 2 maart 2019 waarin tegemoetgekomen wordt aan het verzoek van belanghebbende. Gemachtigde heeft op 18 mei 2025 op de e-mail gereageerd waarin zij duidelijk maakte dat de opvang in België in de berekening is meegenomen.
De Commissie kan zich vinden in de gegeven toelichting van UHT onder verwijzing naar de beslissing op het herzieningsverzoek van belanghebbende. In aanvulling daarop heeft de Commissie uit de definitieve beschikking van 19 juli 2019 opgemaakt dat in de bijlage "definitieve berekening kinderopvangtoeslag 2016 - specificatie" kinderopvang [naam] te Maaseik is meegenomen.
Niet herbeoordeelde toeslagjaren
Belanghebbende voert aan dat het herbeoordelingsverzoek zich ook dient uit te strekken over de jaren 2006 tot en met 2011 en 2017. Belanghebbende heeft namelijk niet expliciet en nadrukkelijk verzocht om alleen de jaren 2012 tot en met 2016 te beoordelen.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2012 tot en met 2017. De persoonlijk zaaksbehandelaar heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende aangepast naar de jaren 2012 tot en met 2016. Daarbij is toeslagjaar 2017 niet meegenomen omdat belanghebbende zich zou hebben vergist. De Commissie meent dan ook dat in dat licht niet kan worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft om meerdere toeslagjaren in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikkingen moeten worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikkingen de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om meerdere toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. Deze bezwaargrond treft dan ook geen doel.
De Commissie merkt ten overvloede nog op dat tijdens de hoorzitting de afspraak is gemaakt dat UHT de SAS-overzichten naar gemachtigde zal sturen, zodat mogelijk nog een verzoek tot herbeoordeling over de nog ontbrekende jaren kan worden ingediend. De Commissie verzoekt UHT om in die situatie deze jaren alsnog te beoordelen en daarover een primaire beschikking af te geven.
Niet ten nadele van belanghebbende terugkomen op een gedane mededeling tot aanpassing van de vergoeding voor immateriele schade
UHT heeft in de beschouwing van 24 september 2024 onder verwijzing naar de bijlage compensatieberekening verklaard dat het bezwaarschrift gegrond moet worden verklaard en dat daarom de vergoeding voor de immateriële schade moet worden aangepast. De hoogte van deze vergoeding loopt nu door tot en met de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen. Tijdens de hoorzitting heeft UHT echter verklaard dat er geen fouten zijn gemaakt en dat het bezwaarschrift ongegrond is.
De Commissie meent echter dat UHT niet ten nadele van de belanghebbende mag terugkomen op een dergelijke onjuiste gedane mededeling, zoals beschreven in de beschouwing van 24 september 2024. De Commissie adviseert UHT dan ook om de vergoeding voor immateriële schade door te laten lopen tot en met de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen en daarmee het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de primaire beschikking naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar tegen de beschikking van 14 februari 2023 gedeeltelijk gegrond te verklaren;
- in de compensatieberekening de vergoeding voor de immateriële schade door te laten lopen tot en met de datum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen.
- het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter