BAC 2023-13273
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH
Hoorzitting: 30 januari 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 5 maart 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten. Ook adviseert de Commissie om het verzoek om proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de op 20 maart 2023 door UHT genomen beschikking met kenmerk UHT-DCH.
Met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) is aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 64.056 voor de toeslagjaren 2008 en 2009. Belanghebbende heeft geen compensatie toegekend gekregen voor de toeslagjaren 2007 en 2010 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 6 april 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 en 2008. In overleg met belanghebbende zijn de te beoordelen toeslagjaren uitgebreid naar 2007 tot en met 2019.
- Bij beschikking van 17 december 2021 met kenmerk UHT CHR GU heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 30 december 2022 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat over de toeslagjaren 2007 en 2010 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid.
- Bij brief van 1 februari 2023 met kenmerk UHT-VCH heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op een voorlopige vergoeding van € 63.408 vanwege fouten die gemaakt zijn door B/T over de toeslagjaren 2008 en 2009.
- Bij beschikking van 20 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH heeft UHT aan belanghebbende een definitieve compensatie toegekend van € 64.056 voor de toeslagjaren 2008 en 2009. Omdat zij eerder al € 63.408 had ontvangen, krijgt zij nog een bedrag van € 648.
- Gemachtigde heeft bij brief van 26 april 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
- Gemachtigde heeft bij brief van 18 maart 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 22 juli 2024 schriftelijk gereageerd.
- Op 30 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe ter zitting verzocht door de Commissie, op 4 februari 2025 aanvullende stukken overgelegd. Hierop heeft gemachtigde op 21 februari 2025 gereageerd.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Beginselen van behoorlijk bestuur
Voor zover de bezwaren van belanghebbende in algemene zin betrekking hebben op schending van de beginselen van behoorlijk bestuur onderschrijft de Commissie het oordeel van de Commissie van Wijzen dat daarvan geen sprake is.
Deze procedure gaat over het bezwaar van belanghebbende tegen het bestreden besluit. Het verzoek om afgifte van het persoonlijk dossier maakt geen deel uit van dit besluit, zodat de Commissie alleen al om die reden niet over dit verzoek kan beslissen. Hoewel de Commissie het belang om het persoonlijk dossier te verkrijgen begrijpt, staat het persoonlijk dossier los van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verzoek om het persoonlijk dossier is reeds in behandeling bij UHT. De Commissie vertrouwt erop dat UHT dit verzoek zorgvuldig afhandelt.
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een hogere compensatie van de (immateriële) schade die zij heeft geleden in andere toeslagjaren dan 2008 en 2009 als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De Commissie merkt het volgende op.
Op grond van artikel 2.3 lid 3 van de Wht is de vergoeding voor materiele schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 van de Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en een hogere schadevergoeding toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke schade. Hiervoor is de procedure voor aanvullende schadevergoeding (artikel 2.1 lid 3 Wht) bestemd. Uit het dossier blijkt dat gemachtigde reeds een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade bij de Commissie werkelijke schade (hierna: CWS) heeft ingediend. Bij de berekening van de werkelijke immateriële schade door CWS wordt in beginsel ook eventuele schade door ervaren discriminatie door de ouder in aanmerking genomen.
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat onterecht is beoordeeld dat in de toeslagjaren 2010, 2011 en 2012 geen sprake was van vooringenomenheid of hardheid. Daarnaast stelt zij dat de toeslagjaren waar geen vooringenomenheid of hardheid zijn vastgesteld niet los kunnen worden gezien van de toeslagjaren waar dat wel het geval was. De Commissie overweegt hierover als volgt.
De Commissie merkt op dat UHT voldoende gemotiveerd heeft toegelicht waarom in de toeslagjaren 2010, 2011 en 2012 geen sprake was van vooringenomenheid dan wel hardheid. Over de toeslagjaren 2010 en 2011 blijkt uit het dossier dat belanghebbende de KOT op 11 mei 2009 heeft stopgezet per 5 maart 2009. Daarna is geen KOT meer aangevraagd. In het toeslagjaar 2012 was inderdaad sprake van een neerwaartse bijstelling. Deze bijstelling vond zijn grondslag in een hoger toetsingsinkomen.
De Commissie is, evenals UHT, van oordeel dat het recht op compensatie wordt vastgesteld over de toeslagjaren waarin sprake was van vooringenomen handelen of hardheid. De Commissie betreurt dat de gevolgen hiervan hebben doorgewerkt in andere toeslagjaren, maar kan het standpunt van UHT volgen dat dit niet leidt tot het toekennen van compensatie over de toeslagjaren waarin deze gevolgen hebben doorgewerkt.
Voor wat betreft het toeslagjaar 2013 heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden om ten aanzien van belanghebbende anders te oordelen over het door UHT vastgestelde moment van stopzetten van de KOT over dat jaar. De Commissie adviseert om de bezwaren op deze punten ongegrond te verklaren.
Totstandkoming definitieve berekening
Belanghebbende stelt dat het niet duidelijk is hoe de definitieve berekening tot stand gekomen is op basis van de ter beschikking gestelde stukken. De Commissie interpreteert deze stelling als een beroep op schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De Commissie is van oordeel dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van LIC-overzichten en overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en gemotiveerd.
Hoogte van de compensatieberekening
Belanghebbende is van mening dat de compensatieberekening, voor zover die voor haar op basis van de beschikbare stukken te controleren valt, niet correct is. Daarnaast ontbreekt volgens haar een vergoeding voor kosten van juridische hulp (component m) en is de vergoeding voor immateriële schade te laag vastgesteld (component n).
De Commissie volgt belanghebbende niet in de stelling dat de compensatieberekening onjuist zou zijn en de Commissie heeft geen onregelmatigheden aangetroffen in het dossier en in de ter zitting gedeelde informatie die nopen tot een ander oordeel.
Vergoeding voor juridische kosten (component m)
Belanghebbende verzoekt om de juridische kosten die zij destijds heeft gemaakt te vergoeden. Volgens belanghebbende zijn deze niet meegenomen in de compensatieberekening. De Commissie ziet in de stukken in het dossier geen aanknopingspunten om aan te nemen dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van professionele juridische bijstand. De Commissie volgt het standpunt van UHT en neemt hierbij in aanmerking dat het op de weg van belanghebbende lag om deze stelling aannemelijk te maken.
Vergoeding voor immateriele schade (component n)
In haar aanvullende beschouwing heeft UHT vastgesteld dat de vergoeding voor immateriele schade juist is berekend in de definitieve compensatieberekening. De Commissie overweegt hierover het volgende.
Op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht dient de ingangsdatum van de vergoeding voor immateriële schade te worden gesteld op de dagtekening van een eerste beschikking tot het verminderen of niet toekennen van KOT of het beëindigen van voorschotverlening die een direct gevolg is van vooringenomen handelen of hardheid van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T).
In dit geval gaat UHT in haar aanvullende beschouwing uit van de datum van de eerste handeling, de behandelstap, in het RKT-bestand over het toeslagjaar 2008, 20 augustus 2008. Het aantal opvanguren werd op dat moment verlaagd. De Commissie acht deze stelling van UHT juist en de Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen.
Voor zover belanghebbende betoogt dat het forfaitaire bedrag van € 500 per maand een te laag bedrag zou zijn voor haar situatie, volgt de Commissie haar niet. De Commissie wijst erop dat in het geval van compensatie op grond van artikel 2.1 Wht een forfaitaire compensatie wordt toegekend, waarmee gedupeerde ouders niet steeds het werkelijke nadeel dat zij ondervonden hebben, vergoed krijgen. Wanneer aannemelijk is dat de werkelijke schade als gevolg van het handelen door B/T hoger is dan de (deels) forfaitaire compensatie uit hoofde van artikel 2.3 Wht, dan kan belanghebbende op grond van artikel 2.1 lid 3 Wht in aanmerking komen voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Dat geldt ook voor immateriële schade. De aansluiting die belanghebbende zoekt bij de normbedragen uit het strafrecht voor 'ten onrechte' in verzekering of voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, gaat evenmin op. De Commissie verwijst naar een uitspraak van de Rechtbank Zeeland - West-Brabant van 23 juni 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:4449), waarin is overwogen dat in de situatie van de KOT-affaire geen sprake is van onrechtmatige detentie, zodat een vergelijking met de bedragen die in het strafrecht gebruikelijk zijn, reeds daarom niet op gaat. De Commissie acht het bezwaar op bovengenoemde punten ongegrond.
Code HOT-HOR en discriminatie
Belanghebbende voert aan dat in het RKT-bestand staat dat zij in het HOTHOR (hoge tegemoetkoming, hoge risico) systeem is opgenomen, maar daarvan nooit in kennis is gesteld. Voorts verwijst belanghebbende met een link naar een publicatie van het College voor de Rechten van de Mens. Uit onderzoek zou blijken dat mensen van buitenlandse komaf aanzienlijk vaker werden geselecteerd voor een HOTHOR signalering dan personen met een Nederlandse achtergrond. Volgens belanghebbende is zij daarom gediscrimineerd. De Commissie overweegt hierover het volgende.
In het geval van belanghebbende is een aantal keren - zo blijkt uit het bezwaardossier - het kenmerk HOTHOR - hoge toeslag/hoog risico - toegevoegd. Jaarlijks worden door B/T aanvragen voor KOT behandeld die een HOTHOR-signalering hebben. HOTHOR ontstaat wanneer op basis van een aanvraag of wijziging van KOT een toeslagbedrag wordt berekend dat boven de vastgestelde norm van € 20.000 uitkomt. In dat geval komt een automatische melding in het systeem. Er wordt dan een handmatige controle uitgevoerd om te kijken of de aanvraag of wijziging juist is opgegeven. Een dergelijke risico inventarisatie wordt volledig automatisch toegepast bij iedere burger bij het passeren van het normbedrag van € 20.000 en betreft een vorm van regulier toezicht. Een uitvraag of controle als gevolg van het door B/T gegeven kenmerk HOTHOR dwingt weliswaar tot waakzaamheid bij de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar levert daar op zichzelf niet het doorslaggevende bevestigende antwoord op. Van aanwijzingen dat in het geval van belanghebbende sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of van discriminatie is, uit de ter beschikking staande stukken en de tijdens de hoorzitting gebleken feiten en omstandigheden, onvoldoende gebleken. De Commissie adviseert het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Belanghebbende stelt dat B/T op grond van artikel 19 Awir destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat het tijdsverloop niet tot de conclusie leidt dat institutioneel vooringenomen is gehandeld.
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over een aantal toeslagjaren zoals deze indertijd definitief zijn vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt echter buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Naar aanleiding van de hoorzitting op 30 januari 2025 heeft de Commissie UHT verzocht enkele aanvullende stukken te overleggen. UHT heeft de gevraagde stukken op 4 februari 2025 de Commissie doen toekomen. Belanghebbende voert daarop aan dat de informatie omtrent de FSV-check onvoldoende duidelijk maakt welk onderzoek eraan ten grondslag ligt. Daarnaast stelt belanghebbende dat uit het LIC-overzicht van 2007 blijkt dat belanghebbende te weinig KOT heeft ontvangen. Voor wat betreft het KOT-aanvragenoverzicht stelt belanghebbende dat deze niet getoetst kan worden. Ten slotte voert belanghebbende over de uitdraai van de KOI-viewer over 2012 aan dat het niet mogelijk is om vast te stellen of de informatie volledig is.
De Commissie is van oordeel dat UHT belanghebbende met het indienen van de aanvullende stukken voldoende heeft geinformeerd. De Commissie merkt ten eerste op dat UHT zelf niet voldoende bevoegdheden heeft om de door de belanghebbende gewenste gedetailleerde informatie omtrent de FSV-lijst te verstrekken. Met het ter zitting gestelde en nadien ingediende stuk heeft UHT naar het oordeel van de Commissie belanghebbende op passende wijze geinformeerd. Voor wat betreft de volgens belanghebbende onjuist vastgestelde KOT verwijst de Commissie naar haar eerder vermelde oordeel omtrent dit punt.
Met betrekking tot het aanvragenoverzicht van de toeslagen oordeelt de Commissie dat hieruit blijkt dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 en de jaren 2012 tot en met 2019. Derhalve is niet gebleken dat belanghebbende KOT heeft aangevraagd voor de toeslagjaren 2010 en 2011. De Commissie acht de ingediende informatie door UHT voldoende op dit punt.
Uit de ingediende informatie van UHT omtrent de KOI-viewer over 2012 blijkt dat belanghebbende inderdaad viereneenhalve maand kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie oordeelt dat uit het dossier geen aanknopingspunten zijn gevonden die duiden op de situatie dat belanghebbende meer kinderopvang heeft afgenomen in dat toeslagjaar. Uit het dossier en meer specifiek uit de RKT- en XML-bestanden, blijkt dat de KOT is vastgesteld op basis van wijzigingen doorgevoerd door belanghebbende zelf. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Belanghebbende verzoekt om een proceskostenveroordeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aangezien het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is, adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de kosten van juridische bijstand af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten en om:
- het verzoek tot vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter