Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13254

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 27 maart 2023 (UHT-DCHA); 13 april 2023 (UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 9 april 2025

Overdracht advies aan UHT: 21 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag (UHT-DCHA) en de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een O/GS-tegemoetkoming van € 4.337,- toegekend over het toeslagjaar 2016. Aan belanghebbende is geen compensatie op grond van institutionele vooringenomenheid of hardheid toegekend over de toeslagjaren 2016 tot en met 2018.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 5 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2016 tot en met 2018.
  • UHT heeft bij beschikking van 17 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 27 maart 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2016 tot en met 2018.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 13 april 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij recht heeft op een tegemoetkoming van € 4.337,- wegens een onterechte kwalificatie O/GS over het toeslagjaar 2016.
  • Gemachtigde heeft bij brieven van 3 mei 2023, ingekomen op dezelfde datum, tegen deze beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 22 juli 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Op 9 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 15 april 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 6 mei 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende O/GS-tegemoetkoming op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wht af te wijzen voor de jaren 2016, 2017 en 2018.

Hoogte van de O/GS-tegemoetkoming over 2016

Belanghebbende stelt dat zij meer KOT heeft moeten terugbetalen dan het door UHT gestelde bedrag van € 14.455. Hierdoor is zij van mening dat zij recht heeft op een hogere O/GS-tegemoetkoming. UHT heeft toegelicht dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag is vastgesteld op basis van de definitieve beschikking KOT over toeslagjaar 2016 en het LIC-overzicht van dat toeslagjaar. Dit komt neer op €14.455. Over de toeslagjaren 2017 en 2018 heeft belanghebbende geen kwalificatie O/GS ontvangen. UHT heeft verder toegelicht dat de O/GS-tegemoetkoming wordt vastgesteld op 30% van het teruggevorderde bedrag. 30% van € 14.455 komt (afgerond) neer op €4.337. De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt dat de O/GS-tegemoetkoming op de juiste wijze is vastgesteld en adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

De afwijzing van compensatie over toeslagjaar 2017

De Commissie begrijpt het bezwaar van belanghebbende zo, dat zij stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) vooringenomen heeft gehandeld door de KOT bij beschikking van 21 maart 2017 stop te zetten per 1 april 2017. Zij betwist namelijk dat zij zelf opdracht heeft gegeven om de KOT per deze datum stop te zetten.

UHT stelt dat de stopzetting van belanghebbende volgt uit de TVS melding (productie 36), alsook uit het onderliggende XML-bestand. Dat XML-bestand heeft UHT, op verzoek van de Commissie, na de hoorzitting ingediend.

Gemachtigde heeft in reactie op het XML-bestand aangevoerd dat uit dit bestand niet volgt dat belanghebbende zelf de KOT heeft stopgezet. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij een XML-bestand van 9 maart 2014 uit een andere zaak overgelegd, waarin de vermelding 'DigID' is opgenomen.

De Commissie overweegt dat, hoewel uit het XML-bestand van 21 februari 2017 niet kan worden afgeleid dat een handeling met DigiD is verricht, voldoende vast staat dat geen sprake is geweest van een ambtshalve stopzetting. Immers kan worden vastgesteld dat de melding is gedaan via het burgerportaal (zie regel:<vg:InzendApplicatie>urn:BurgerPortaal</vg:InzendApplicatie>). Daarnaast bevat het XML-bestand geen username van een ambtenaar, hetgeen volgens UHT wel het geval is als een ambtenaar een digitale wijziging doorvoert. In de nu voorhanden gegevens ziet de Commissie geen aanknopingspunten voor het aannemen van vooringenomen handelen. De Commissie merkt overigens op dat het voorbeeld XML-bestand van gemachtigde een melding uit 2014 betreft, niet zijnde een stopmelding, terwijl de melding in onderhavig dossier gedaan is in 2017. Een directe vergelijking is hierom niet mogelijk, omdat niet vaststaat dat in de XML-bestanden opgenomen gegevens voor elk jaar gelijk zijn.

De KOT is bij definitieve beschikking van 7 september 2018 vastgesteld op grond van het door belanghebbende ingestuurde antwoordformulier met een jaaropgave, waarin enkel opvanggegevens zijn vermeld in de periode 26 mei tot en met 31 december 2017 (productie 22). Gelet op die gegevens, ziet de Commissie evenmin aanknopingspunten om te adviseren dat UHT bij de stopzetting per 1 april 2017 vooringenomen gehandeld heeft.

Daarnaast is voor toeslagjaar 2017 niet gebleken van bijzondere omstandigheden, die aanspraak geven op een hardheidscompensatie.

De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende stelt dat voor haar niet inzichtelijk is hoe UHT tot afwijzing van compensatie over de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 is gekomen. Daarnaast kan belanghebbende niet controleren of de hoogte van de O/GS-tegemoetkoming juist is vastgesteld op € 4.337. Belanghebbende verzoekt daarnaast om de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC) en verzoekt bij herhaling om haar persoonlijk dossier.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat UHT haar beslissing (ook voor wat betreft de hoogte van de O/GS-tegemoetkoming) bij het uitbrengen van de bestreden beschikkingen weliswaar niet voldoende heeft toegelicht, maar dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van de verzochte LIC-overzichten en overige producties de bestreden besluiten voldoende zijn onderbouwd. De Commissie adviseert het bezwaar op deze punten ongegrond te verklaren.

Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces

Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van 'equality of arms', zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 9 september 2024 ontvangen, waarna zij de gelegenheid gekregen en benut heeft om haar standpunt uiteen te zetten. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Beslagvrije voet

Belanghebbende stelt dat B/T in de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 geen rekening heeft gehouden met haar beslagvrije voet en dat daarom sprake is van hardheid van het stelsel. UHT stelt dat de KOT niet bedoeld is als inkomensvoorziening, maar ter bevordering van de arbeidsparticipatie. De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. De Commissie adviseert UHT daarom het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Niet-herbeoordeelde jaren

Gemachtigde heeft op de hoorzitting aangevoerd dat onduidelijk is waarom de herbeoordeling beperkt is tot de jaren 2016 tot en met 2018. Volgens hem hadden ook andere jaren waarin belanghebbende KOT heeft ontvangen meegenomen moeten worden.

Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvang heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.

De Commissie stelt vast dat het telefonische verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op de toeslagjaren 2016 tot en met 2018 (productie 1). Uit de verslaglegging door de PZB volgt niet dat belanghebbende het verzoek later heeft willen uitbreiden (productie 4). Uit de opgenomen informatie blijkt dat belanghebbende en UHT zich uitsluitend richtten op de nu beoordeelde jaren 2016, 2017 en 2018 en ook overigens is tot de hoorzitting geen aanknopingspunt te vinden dat het verzoek om beoordeling zich uitstrekte tot ook andere jaren. De Commissie ziet daarom geen aanleiding voor de conclusie dat UHT nagelaten heeft om overige toeslagjaren in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om andere toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie adviseert UHT om in overleg met gemachtigde te bepalen of zij aanvullende jaren in de beslissing op bezwaar meeneemt of dat er een nieuwe herbeoordeling met een nieuw primair besluit zal plaatsvinden. In het eerste geval geeft de Commissie UHT in overweging om belanghebbende door middel van een schriftelijke vooraankondiging, voorafgaande aan het nemen van het beslissing op bezwaar, over de uitkomst van de herbeoordeling informeert en daarop een reactie van belanghebbende vraagt. De Commissie houdt de onderhavige bezwaarprocedure niet aan.

Proceskostenvergoeding

Nu de Commissie niet adviseert de primaire besluiten te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter