Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13251

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 maart 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 31 januari 2025 om 10:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 25 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 8.852 voor het jaar 2012 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010 en 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 19 december 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2010, 2011 en 2012.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 3 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2010 en 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden beschikking aan belanghebbende compensatie toegekend voor het jaar 2012, maar niet voor de jaren 2010 en 2011. Omdat de partner van belanghebbende minder schade heeft dan het uitbetaalde bedrag ad €30.000 van de Catshuisregeling, heeft UHT de compensatie aan belanghebbende met het surplus daarvan verrekend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 8 mei 2023, ingekomen op 8 mei 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Belanghebbende heeft een beroep niet tijdig beslissen ingesteld bij de rechtbank.
  • Op 18 juli 2024 heeft UHT schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 24 januari 2025 heeft gemachtigde de bezwaren aangevuld.
  • Op 31 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 13 februari 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingediend.
  • Op 26 februari 2025 heeft gemachtigde daar schriftelijk op gereageerd.
  • De voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies uitgebracht.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich, gelet op de gronden van bezwaar die zich richten op het jaar 2010, gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2010 af te wijzen.

Beoordeling toeslagjaar 2010

In het bezwaar heeft belanghebbende gesteld dat UHT in de beoordeling van toeslagjaar 2009 wel heeft aangenomen dat de echtgenote als aanvrager op de uitvraagbrieven heeft gereageerd. Daarom moet ook voor belanghebbende worden aangenomen dat hij heeft gereageerd op de uitvraagbrieven over het jaar 2010. Daardoor heeft B/T vooringenomen gehandeld. Belanghebbende stelt verder dat hij wel degelijk opvang heeft afgenomen. Hij verwijst daarvoor naar enkele facturen en het door hem overgelegde jaaroverzicht over 2010. Daaruit blijkt dat hij van 17 mei 2010 tot en met 31 december 2010 opvang heeft afgenomen en daarvoor € 6.640,53 heeft betaald.

UHT heeft daarop in de eerste schriftelijke reactie van 18 juli 2024 gereageerd dat zij niet uitsluit dat belanghebbende inderdaad opvang heeft afgenomen in 2010. UHT heeft vervolgens overwogen dat de beoordeling door UHT geschiedt op grond van de Wht en zich beperkt tot de toets of sprake was van vooringenomenheid of hardheid. Daarvan was volgens UHT geen sprake. Het verschil tussen de beoordeling van de toeslagpartner en toeslagjaar 2010 van belanghebbende is dat UHT vaststelt dat B/T over dat jaar in 2013 uitvraagbrieven heeft verstuurd, en dat belanghebbende daarop in eerste instantie wel heeft gereageerd. Echter, wat betreft het laatste deel van die verzoeken (het verzoek om bewijs van de opvangkosten), kwam UHT tot de voorlopige conclusie dat belanghebbende destijds niet heeft gereageerd, waardoor B/T geen andere mogelijkheid zou hebben gehad om de KOT op nihil te stellen. Ook bleek destijds uit de KOI viewer niet dat sprake was van opvang.

Naar aanleiding van de feiten en omstandigheden die belanghebbende vervolgens ter zitting heeft aangevoerd, heeft UHT op 13 februari 2025 een aanvullende beschouwing ingediend. UHT herziet hierin haar eerdere voorlopige conclusie. UHT overweegt dat belanghebbende met de jaaropgave 2010 alsnog heeft aangetoond dat hij gebruik heeft gemaakt van kinderopvang. Dit in combinatie met het feit dat belanghebbende op 18 juli 2010 wel heeft gereageerd op een vraagbrief en het ouderverhaal, maakt dat UHT het aannemelijk acht dat hij destijds ook heeft gereageerd op de informatieverzoeken. B/T heeft derhalve vooringenomen gehandeld door de KOT op nihil te stellen. Tevens hebben zowel belanghebbend als zijn toeslagpartner gewerkt in 2010. Om deze redenen concludeert UHT dat belanghebbende recht heeft op compensatie vanwege vooringenomen handelen over toeslagjaar 2010.

UHT licht in de bijlage 'compensatieberekening' bij de beschouwing toe op welke bedragen belanghebbende recht heeft over toeslagjaar 2010. Omdat zijn toeslagpartner recht had op een compensatiebedrag van € 13.714 en belanghebbende op een bedrag van € 8.852, en de toeslagpartner reeds € 30.000 heeft ontvangen, is per saldo nog € 7.434 aan compensatievergoeding over. Dit betekent dat slechts over het gedeelte boven dit bedrag een nabetaling zal kunnen volgen. Omdat de eindberekening pas wordt gemaakt bij de beslissing op bezwaar, kan UHT nog niet bevestigen in hoeverre deze correctie daadwerkelijk tot een nabetaling leidt.

Belanghebbende heeft hierop gereageerd dat hij zich kan vinden in de nieuwe conclusie van UHT en de concept berekening die UHT bij de nadere beschouwing heeft gevoegd.

De Commissie constateert dat UHT alsnog heeft geoordeeld dat belanghebbende over toeslagjaar 2010 vooringenomen is behandeld door B/T en daarvoor wordt gecompenseerd voor zover de te maken eindberekening het bedrag van € 30.000 te boven gaat. De Commissie acht ook de overige antwoorden van UHT op de vragen van de Commissie begrijpelijk en navolgbaar. De Commissie ziet dat ook belanghebbende heeft verklaard zich te kunnen vinden in de nadere beschouwing van UHT.

De Commissie adviseert UHT het bezwaar gegrond te verklaren en de bestreden beschikking aan te passen conform de aanvullende beschouwing van UHT van 13 februari 2025.

Proceskostenvergoeding

Nu volgens de Commissie het bezwaar tegen het bestreden besluit gegrond is, behoort dit besluit te worden herroepen en moet aan belanghebbende een vergoeding voor de proceskosten van deze bezwaarprocedure worden toegekend, te weten voor het indienen van bezwaar (1 punt) en voor verschijnen op de hoorzitting (1 punt), overeenkomstig beleid naar een factor 2 (zwaar).

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie UHT om:

  • het bezwaar van belanghebbende gegrond te verklaren,
  • de bestreden beschikking aan te passen conform de aanvullende beschouwing van 13 februari 2025 van UHT en
  • belanghebbende een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Secretaris

Fungerend voorzitter