BAC 2023-13210
Publicatiedatum 02-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 maart 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 4 september 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 16 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCHA in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend over de toeslagjaren 2018 en 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 16 september 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2018 en 2019.
- UHT heeft bij beschikking van 19 mei 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor betaling van €30.000 (Catshuisregeling), maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
- UHT heeft bij beschikking van 27 juli 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat hij na herziening op verzoek van belanghebbende ook niet in aanmerking komt voor betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 februari 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 6 maart, met kenmerk UHT-DCHA, aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie over de toeslagjaren 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 2 april 2023, ingekomen op 2 mei 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 19 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft de Commissie op 2 september 2025 geïnformeerd dat belanghebbende niet aanwezig zal zijn bij de hoorzitting.
- Op 4 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
- Gemachtigde heeft op 1 oktober 2025 een reactie met aanvullende stukken ingediend. UHT heeft hier op 13 oktober 2015 gereageerd door een aanvullende beschouwing in te dienen.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie o tegemoetkoming toe te kennen, af te wijzen.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat het besluit op onjuiste gronden en berekeningen tot stand is gekomen, omdat geen sprake is geweest van een deugdelijk en zorgvuldig onderzoek. Hij verzoekt om toezending van het dossier en specifiek van de overzichten van het Landelijk Incasso Centrum (hierna: LIC).
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en het overgelegde dossier - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de verzochte LIC-overzichten - en de overige producties, is in ieder geval naar verwachting geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking(en) leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Recht op compensatie over toeslagjaar 2018
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) de KOT over toeslagjaar 2018 de eerste voorschotbeschikking KOT over toeslagjaar 2018 heeft vastgesteld op basis van een te laag aantal opvanguren. Daarnaast stelt belanghebbende dat de KOT onterecht bij belanghebbende is teruggevorderd, terwijl de KOT aan de opvang werd uitbetaald.
UHT heeft haar beslissing met betrekking tot het recht op compensatie over toeslagjaar 2018 toegelicht. Aan belanghebbende is bij voorschotbeschikking van 21 november 2018 een bedrag van € 1.184 aan KOT toegekend over toeslagjaar 2018. De KOT is eenmaal neerwaarts bijgesteld bij voorschotbeschikking van 6 maart 2020 naar € 974. De neerwaartse bijstelling vond zijn grondslag in een stijging van het toetsingsinkomen, welke stijging belanghebbende niet heeft betwist. De KOT over toeslagjaar 2018 is op 20 april 2023 definitief vastgesteld op € 3.288 op basis van nieuwe informatie uit de KOI-viewer, waaruit bleek dat belanghebbende over 2018 meer kinderopvang heeft afgenomen dan hij heeft opgegeven. UHT stelt dat B/T op grond van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) bevoegd was om de KOT bij belanghebbende terug te vorderen, ook als de KOT werd uitbetaald aan de opvang.
Naar het oordeel van de Commissie is over toeslagjaar 2018 geen sprake geweest van vooringenomenheid, nu de neerwaartse bijstelling over dat toeslagjaar voortkwam uit een stijging van het toetsingsinkomen. Het terugvorderen van KOT bij belanghebbende, terwijl deze is uitbetaald aan de opvang kan recht op compensatie op grond van hardheid opleveren. In dit geval heeft belanghebbende over toeslagjaar 2018 geen recht op compensatie op grond van hardheid, nu er geen sprake is van een terugvordering van €1.500 of meer. De Commissie adviseert geen compensatie toe te kennen over toeslagjaar 2018 en het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Recht op compensatie over toeslagjaar 2019
Belanghebbende stelt dat de KOT over toeslagjaar 2019 verrekend met een schuld waar hij geen kennis van had. Belanghebbende heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij ten onrechte een bedrag diende terug te betalen dat hij nooit zelf ontvangen heeft.
UHT heeft ook over 2019 het recht op compensatie van belanghebbende over toeslagjaar 2019 toegelicht. Bij voorschotbeschikking van 27 december 2018 is aan belanghebbende een bedrag van € 3.323 aan KOT over toeslagjaar 2019 toegekend. Het recht op KOT is opwaarts bijgesteld bij voorschotbeschikking van 21 mei 2019 naar € 3.676. De KOT is vervolgens neerwaarts bijgesteld bij voorschotbeschikking van 22 oktober 2019 naar € 2.685. Deze bijstelling vond zijn grondslag in een stopzetting van de KOT door belanghebbende zelf per 24 september 2019. Belanghebbende heeft die stopzetting niet betwist. De KOT is daarna bij definitieve beschikking van 3 mei 2021 neerwaarts bijgesteld naar €2.447. Deze bijstelling vond zijn grondslag in een stijging van het toetsingsinkomen, welke stijging evenmin is betwist.
Naar het oordeel van de Commissie is over toeslagjaar 2019 geen sprake geweest van vooringenomenheid, nu de neerwaartse bijstellingen over dat toeslagjaar voortkwamen uit respectievelijk een stopzetting door belanghebbende zelf en een stijging van het toetsingsinkomen. Uit de bankafschriften kan de Commissie niet opmaken dat het gaat om betalingen die de KOT betreffen, nu geen van de omschrijvingen overeenkomen met de (voorschot)beschikkingsnummers KOT over de toeslagjaren 2018 en 2019. Ook heeft belanghebbende over toeslagjaar 2019 geen recht op compensatie op grond van hardheid, nu er geen sprake is van een terugvordering van € 1.500 of meer. De Commissie adviseert geen compensatie toe te kennen over toeslagjaar 2019 en het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
Secretaris
Fungerend voorzitter