Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-13131

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 maart 2023 (UHT-DCHA), 26 juli 2023 (UHT-DCH), 2 november 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 7 februari 2025 om 10:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 28 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 16 maart 2023, 26 juli 2023 en 2 november 2023 met respectievelijke kenmerken UHT-DCHA, UHT-DCH en UHT-DCHA.

Op 27 november 2021 is aan belanghebbende bij beschikking met kenmerk UHT-B DMB2 een bedrag toegekend van € 30.000,- in het kader van de Catshuisregeling.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een compensatie toegekend voor een bedrag van € 11.604,- voor het jaar 2015.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 18 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Beoordeeld is toen het toeslagjaar 2018.
  • UHT heeft bij beschikking van 27 november 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een bedrag van €30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna CvW) heeft op 28 februari 2023 geoordeeld dat UHT terecht heeft gesteld dat de compensatie van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) niet van toepassing is voor het toeslagjaar 2018.
  • Bij beschikking van 16 maart 2023 met kenmerk heeft UHT-DCHA de herstelcompensatie voor het toeslagjaar 2018 afgewezen.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 april 2023, ingekomen op 14 april 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft bij brief van 9 mei 2023 met kenmerk UHT-VCH aangekondigd dat belanghebbende een compensatie zou worden toegekend van € 11.555 voor het jaar 2015.
  • Op 26 juli 2023 is bij beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een vergoeding over het jaar 2015 toegekend van € 11.604.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 augustus 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Na een aanvullende beoordeling door UHT, heeft de CvW op 21 september 2023 geoordeeld dat UHT terecht heeft gesteld dat de compensatie van artikel 2.1, eerste lid, Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2014, 2016 en 2017.
  • Bij beschikking met kenmerk UHT-DCHA is op 2 november 2023 geen compensatie toegewezen over de toeslagjaren 2010 tot en met 2014, 2016 en 2017.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 10 augustus 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 22 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 6 december 2024 het bezwaar aangevuld.
  • Op 5 februari 2025 heeft UHT gereageerd op de aanvulling van het bezwaar.
  • Op 7 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie merkt op dat de bezwaarschriften weliswaar betrekking hebben op meerdere toeslagjaren, maar dat gemachtigde tijdens de hoorzitting heeft aangegeven dat het advies kan worden beperkt tot de vraag of het toeslagjaar 2014 recht op compensatie bestaat, meer in het bijzonder wegens vooringenomenheid. De Commissie beperkt zich dan ook tot die kwestie.

Vooringenomenheid 2014?

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat ten onrechte geen compensatie is verleend over het toeslagjaar 2014, althans dat de door UHT daartoe gegeven motivering onvoldoende duidelijk is. De Commissie merkt daarover het volgende op.

Niet is in geschil dat er in 2014 twee neerwaartse correcties zijn geweest. Het gaat enerzijds om een verlaging van de voorschotbeschikking op 21 november 2014 (productie 60) en anderzijds om een lagere vaststelling bij definitieve beschikking van 9 september 2016 (productie 57).

Uit productie 61 volgt dat de verlaging bij voorschotbeschikking van 21 november 2014 het gevolg is van een melding van DUO, inhoudende dat het jongste kind met ingang van 1 september 2014 onderwijs was gaan volgen. Naar het oordeel van de Commissie zijn er geen aanwijzingen dat B/T aanleiding had om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De melding strookt immers met het feit dat het jongste kind in de maand daarvoor vier jaar was geworden. De Commissie ziet, bij gebrek aan duidelijke, in een andere richting wijzende gegevens, dan ook geen aanleiding om in relatie tot deze verlaging vooringenomenheid aan te nemen.

Uit het SAS-overzicht (productie 59) volgt dat de verlaging bij definitieve beschikking van 9 september 2016 is terug te voeren op een berekening waarbij is uitgegaan van 8 maanden a 86 uur in de periode van januari t/m augustus 2014 (in totaal 688 uur) bij [naam]; 2 maanden a 26 uur in de periode van september t/m oktober 2014 (in totaal 52 uur) bij [naam]; 2 maanden a 70 uur (in totaal 140 uur) bij de [naam]; en 2 maanden a 70 uur (in totaal 140 uur) bij [naam]. In totaal is dus 1.020 uur in aanmerking genomen. Dit is een lager aantal uren dan bij de laatste bijstelling van het voorschot werd gehanteerd (in totaal 1.556 uur). Daarnaast was sprake van een hoger toetsingsinkomen.

Het enkele feit dat de door belanghebbende aangeleverde informatie inhield dat 877 uur zou zijn afgenomen (104 uur bij [naam]; 685 uur bij [naam]; en 88 uur bij de [naam], betekent niet zonder meer dat BD/T gehouden was nogmaals navraag te doen. BD/T heeft immers meer uren toegekend dan uit de opgave van belanghebbende volgde. De Commissie ziet in dit geval dan ook onvoldoende aanknopingspunten om tot vooringenomenheid te concluderen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Secretaris

Fungerend voorzitter