BAC 2023-13127
Publicatiedatum 11-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 mei 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 11 december 2024 om 11:15 uur
Overdracht advies aan UHT: 18 december 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, alsnog compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2010, 2011 en 2013, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 54.296,- voor de jaren 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2011 en 2013. Voor toeslagjaar 2011 is bij beschikking van 13 juni 2023 wel een Opzet/Grove Schuld (O/GS) tegemoetkoming verleend aan belanghebbende van €2.858,-.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 25 maart 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2008 tot en met 2013. Herbeoordeling heeft plaatsgevonden over de jaren 2008 tot en met 2011 en 2013.
- UHT heeft bij beschikking van 13 juli 2022 aan belanghebbende meegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat belanghebbende gedurende de jaren 2010, 2011 en 2013 geen recht op KOT had, en daarom evenmin recht op compensatie.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 54.296,-voor de jaren 2008 en 2009 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2010, 2011 en 2013.
- Gemachtigde heeft bij brief van 31 mei 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend en bij brieven van 11 november en 10 december 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft bij beschikking van 13 juni 2023 aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van € 2.858,-.
- UHT heeft op 21 augustus en 11 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 11 december 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de jaren 2008 en 2009 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2010, 2011 en 2013 af te wijzen.
Belanghebbende heeft in deze bezwaarprocedure aangevoerd dat zij mogelijk aanspraak heeft op compensatie voor de jaren 2007 en 2012. De Commissie kan daarover pas een advies uitbrengen, als UHT na herbeoordeling van deze jaren een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. In de beschouwing van 21 augustus 2024 heeft UHT toegezegd dat de jaren 2007 en 2012 nog zullen worden herbeoordeeld. Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij, indien zij dat wenst, tegen die beschikking een bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies zal uitbrengen.
UHT heeft ambtshalve vastgesteld dat de rentevergoeding voor gemiste KOT onjuist is vastgesteld op € 6.097,- voor toeslagjaar 2008; dit had € 6.102,- moeten zijn.
Voor toeslagjaar 2009 is het bedrag onjuist vastgesteld op € 5.707,-, dit had €5.712,-moeten zijn. Dit wordt in de beschikking op bezwaar aangepast.
Omdat het bezwaar volgens UHT deels gegrond is, wordt de vergoeding voor immateriële schade berekend tot de datum van de beschikking op bezwaar. De aanvullende vergoeding van 1% wordt ook aangepast in het voordeel van belanghebbende.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.
Afwijzing compensatie 2010, 2011 en 2013
UHT stelt zich op het standpunt dat er over de jaren 2010, 2011 en 2013 wel sprake is van vooringenomen handelen maar dat deze niet voor compensatie in aanmerking komen omdat belanghebbende over die jaren “evident geen recht” op KOT heeft omdat er of geen opvang zou zijn afgenomen of belanghebbende niet zou voldoen aan het doelgroepvereiste. Van evident geen recht kan gesproken worden als er sprake is van een ernstige onregelmatigheid die aan belanghebbende is toe te wijten. Belanghebbende betwist dat sprake is van ernstige onregelmatigheden waardoor zij niet in aanmerking komt voor compensatie over de jaren 2010, 2011 en 2013. Zij wijst erop dat de bewijslast voor de aanwezigheid van ernstige onregelmatigheden bij UHT ligt. Volgens haar is er geen bewijs dat zij geen gebruik maakte van opvang of dat zij geen doelgroeper was. Zij betoogt dat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) bij de verkeerde kinderopvanginstelling navraag heeft gedaan over het toeslagjaar 2010 (bij KOI A in plaats van KOI B) en dat de KOI-viewer geen betrouwbare bron is. Verder was zij blijkens het RKT-overzicht in deze jaren doelgroeper.
Op de hoorzitting heeft UHT zich op het standpunt gesteld dat over toeslagjaar 2013 alsnog compensatie zal worden toegekend aan belanghebbende op grond van vooringenomenheid. Als uitgangspunt voor de compensatieberekening geldt de voorschotbeschikking van 21 augustus 2013 met een bedrag van € 1.133,-.
Belanghebbende kan zich hierin vinden.
De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.
Ten aanzien van de jaren 2010 en 2011 overweegt de Commissie als volgt.
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de B/T. Niet in geschil is dat ten aanzien van de jaren 2010 en 2011 sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T.
Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn.
Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de jaren 2010 en 2011 nu belanghebbende in die jaren geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang en in het jaar 2011 ook geen doelgroeper was. Op de hoorzitting is UHT hiervan teruggekomen; doelgroeperschap wordt wel aangenomen.
De Commissie overweegt dat de bewijslast dat sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan belanghebbende toerekenbaar zijn op UHT rust. De Commissie wijst in dit verband ook op het Handboek Integrale Beoordeling – Vaktechniek van UHT, waarin staat: “Als je evident geen recht op KOT stelt, moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode (…)”. Het tegenwerpen dat belanghebbende onvoldoende specifiek was over de opvang en een gebrek aan contra-informatie (Informatie- en beoordelingsformulier, pagina 48 en 49) is niet in lijn met deze bewijslastverdeling.
Naar de Commissie meent, heeft UHT haar stelling dat sprake is van ernstige onregelmatigheden onvoldoende onderbouwd. In de eerste plaats heeft UHT aan haar standpunt ten grondslag gelegd dat de KOI-viewer ten aanzien van 2010 en 2011 leeg is. Nog afgezien van het feit dat de KOI-viewers voor deze jaren niet zijn toegevoegd aan het dossier, acht de Commissie dit een onvoldoende onderbouwing van de stelling dat belanghebbende geen kinderopvang heeft afgenomen, nu deze gegevens destijds alleen op verzoek bij de kinderopvanginstelling aan B/T werden verstrekt. Van een dergelijk verzoek bevat het dossier geen informatie.
Evenmin kon de behandelend ambtenaar op de hoorzitting uitsluitsel bieden of de kinderopvanginstelling destijds wel verplicht was om opvanggegevens aan B/T door te geven.
Ten aanzien van 2010 heeft UHT zich voorts op het standpunt gesteld dat uitvraag is gedaan bij de kinderopvanginstelling waar de KOT-aanvraag op ziet (KOI A) waarop is geantwoord dat belanghebbende in 2010 geen opvang heeft afgenomen. Van dit telefoongesprek ontbreekt, naar de Commissie vaststelt, echter een bewijsstuk en nadere toelichting, bijvoorbeeld in een telefoonnotitie.
Belanghebbende heeft daarentegen verklaard dat zij in 2010 en in 2011 (gedeeltelijk, tot de KOT-stopbrief) opvang heeft afgenomen; dit had zij ook nodig omdat zij een opleiding volgde gedurende 5 dagen per week. De kinderopvanginstelling was C en/of D en de opvang vond plaats bij [adres]. Dat was voor- en naschoolse opvang. Zij bracht haar kind rond 8 uur ’s ochtends naar de opvang en haalde haar rond 17 uur weer op.
Gelet op het ontbreken van bewijsstukken dat geen opvang is genoten, zeker in het licht van de verklaringen van belanghebbende, is van een situatie waarin compensatie achterwege blijft, als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid van de Wht, aldus onvoldoende gebleken.
De Commissie acht daarbij ook van belang dat het vooringenomen handelen jegens belanghebbende over 2010 er juist in heeft bestaan dat B/T enkel op basis van informatie van de opgegeven kinderopvanginstelling de KOT heeft stopgezet, zonder belanghebbende eerst twee keer (schriftelijk) om informatie te vragen. Feitelijk legt UHT dit weer ten grondslag aan haar huidige beoordeling dat sprake zou zijn van een situatie van evident geen recht op KOT.
De Commissie adviseert UHT gelet op het voorgaande om belanghebbende alsnog compensatie toe te kennen voor de toeslagjaren 2010 en 2011 op grond van vooringenomen handelen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wht. Het bezwaar is op dit punt gegrond.
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren, het bestreden besluit in zoverre te herroepen, en om:
- Alsnog compensatie toe te kennen voor de jaren 2010, 2011 en 2013;
- De huidige compensatieberekening als volgt aan te passen:
- component o voor toeslagjaar 2008 vast te stellen op € 6.102,-;
- component o voor toeslagjaar 2009 vast te stellen op € 5.712,-;
- de vergoeding voor immateriële schade te berekenen tot de datum van de beschikking op bezwaar;
- de aanvullende vergoeding van 1% opnieuw te berekenen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter