BAC 2023-13095
Publicatiedatum 21-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 maart 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 13 januari 2026
Overdracht advies aan UHT: 19 februari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 6 maart 2023 met kenmerk UHT-DCHA (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2017.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 2 februari 2026 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2011 tot en met 2017.
- UHT heeft bij besluit van 18 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat hij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2007 tot en met 2017.
- Gemachtigde heeft bij brief van 27 maart 2023, ingekomen op 27 maart 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 13 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Gemachtigde heeft bij e-mail van 12 januari 2026 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 13 januari 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 januari 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 11 februari 2026 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaren ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Het zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
De Commissie is van oordeel dat UHT de bestreden beschikking op uitvoerige en draagkrachtige wijze heeft gemotiveerd en dat het daaraan ten grondslag liggende onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd. Met de beschouwing van 13 april 2025 en de aanvullende beschouwing van 27 januari 2026 heeft UHT een uitgebreide toelichting gegeven, onder meer aan de hand van de LIC- en SAS-rapporten en overige relevante stukken. Deze documenten maken tevens onderdeel uit van de onderliggende stukken. De Commissie adviseert dan ook om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Terugvorderingen KOT door een te hoog ingeschat toetsingsinkomen
Belanghebbende stelt zich op het standpunt vooringenomen te zijn behandeld, doordat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) structureel is uitgegaan van een te laag toetsingsinkomen bij de vaststelling van de voorschotten op KOT. Belanghebbende verwijt B/T dat het toetsingsinkomen niet tussentijds is gecorrigeerd door B/T, terwijl B/T wel had kunnen vermoeden dat het toetsingsinkomen hoger zou liggen. Als gevolg daarvan zijn bij de daaropvolgende definitieve beschikkingen KOT aanzienlijke bedragen van belanghebbende teruggevorderd, nu telkens is gebleken dat het door B/T gehanteerde toetsingsinkomen te laag was ingeschat.
Belanghebbende verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3380), waarin de Afdeling in rechtsoverweging 5.7 het volgende heeft overwogen: “De Afdeling is van oordeel dat een afwijking tussen het daadwerkelijke over een berekeningsjaar vastgestelde toetsingsinkomen en het geschatte inkomen op basis waarvan het voorschot is berekend in het toeslagjaar, zonder bijkomende omstandigheden niet tot het oordeel leidt dat sprake is van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen.”
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat er in zijn geval bijkomende omstandigheden van toepassing zijn. Ter onderbouwing verwijst hij naar de brief van B/T van 2 november 2016, waarin wordt bevestigd dat het toetsingsinkomen in eerdere jaren te laag is ingeschat en dat B/T naar aanleiding daarvan correcties heeft doorgevoerd teneinde herhaling te voorkomen. Volgens belanghebbende volgt hieruit dat B/T zich ervan bewust was dat het toetsingsinkomen onterecht structureel te laag zou zijn ingeschat, waardoor de voorschotten KOT te hoog zijn vastgesteld. Daarom is volgens hem sprake geweest van een vooringenomen behandeling.
De Commissie overweegt dat belanghebbende in beginsel zelf de verantwoordelijkheid heeft om juiste en volledige inkomensgegevens tijdig aan B/T te verstrekken. Op B/T rust geen verplichting om, naar aanleiding van een na afloop van het toeslagjaar door de belastinginspecteur vastgesteld toetsingsinkomen, ambtshalve correcties toe te passen.
De Commissie begrijpt dat het in het onderhavige geval wenselijk zou zijn geweest dat B/T het toetsingsinkomen ambtshalve hoger had ingeschat. Nu op B/T echter geen verplichting rustte om dit te doen, kan het achterwege laten daarvan haar niet worden tegengeworpen. De omstandigheid dat B/T in het geval van belanghebbende op een later moment alsnog correcties heeft doorgevoerd, betekent niet dat in de voorafgaande jaren sprake is geweest van een vooringenomen behandeling.
Uit de onderliggende stukken blijkt dat belanghebbende in geen van de betreffende toeslagjaren wijzigingen in zijn inkomensgegevens aan B/T heeft doorgegeven. Ter hoorzitting heeft belanghebbende verklaard dat hij destijds professionele ondersteuning kreeg van een boekhouder bij zaken aangaande de KOT.
De Commissie begrijpt dat belanghebbende bij aangelegenheden omtrent de KOT mogelijk niet op de juiste wijze door zijn boekhouder is voorgelicht en dat het niet noodzakelijkerwijs aan belanghebbende zelf te wijten is geweest dat de inkomensgegevens niet aan B/T zijn doorgegeven. Dit laat echter onverlet dat de verantwoordelijkheid voor het (tijdig en correct) aanleveren van de inkomensgegevens uiteindelijk bij belanghebbende berust. De Commissie volgt belanghebbende daarom niet in zijn standpunt dat er bijkomende omstandigheden zijn die tot de conclusie leiden dat B/T bij de inschatting van het toetsingsinkomen vooringenomen heeft gehandeld. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Reguliere bijstellingen
De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2017 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen KOT over de toeslagjaren 2007 tot en met 2017 waren gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter