BAC 2023-13048
Publicatiedatum 15-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 15 augustus 2024(UHT-HD CWS)
Hoorzitting: 15 december 2025
Overdracht advies aan UHT: 6 mei 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking van 15 augustus 2024 (met het kenmerk UHT-HD CWS) over aanvullende werkelijke schadevergoeding,
na advisering door de Commissie Werkelijke Schade (hierna: de CWS).
Deze beschikking wordt hierna aangeduid als het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van
€ 38.102.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 23 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2016.
- UHT heeft bij besluit van 28 april 2021 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000 op grond van de zogenoemde Catshuisregeling.
- UHT heeft bij besluit van 18 februari 2022 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 84.323. Hierin is het zojuist genoemde bedrag van € 30.000 begrepen.
- Belanghebbende heeft op 15 januari 2023 verzocht om een aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. Dit verzoek is behandeld door de CWS.
- De CWS heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende, met het daarop gebaseerde advies, op 2 augustus 2024 aan UHT toegestuurd.
- UHT heeft het advies van de CWS gevolgd. Zij heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een aanvullende compensatie toegekend voor een bedrag van € 38.102.
- Gemachtigde heeft met een brief van 26 september 2024 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 2 april 2025 schriftelijk gereageerd het bezwaarschrift. Deze reactie wordt hierna aangeduid als ‘de beschouwing’.
- Op 15 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Ter uitvoering van haar op de hoorzitting gedane toezegging heeft UHT op
26 januari 2026 een aanvullende beschouwing ingezonden. In de aanvullende beschouwing heeft UHT aangekondigd een aanvullende vergoeding van
€ 19.682 toe te kennen. Dit bedrag komt bovenop het bedrag van € 38.102. - Gemachtigde heeft met een brief van 7 februari 2026 (met bijlagen) gereageerd op de aanvullende beschouwing van UHT.
- Op 20 april 2026 heeft de Commissie – met verontschuldiging voor de vertraging die intussen was opgetreden in de advisering – nog enkele vragen aan belanghebbende en aan UHT voorgelegd. Hierop is geantwoord door een bericht van 22 april 2026 van gemachtigde en een (tweede) aanvullende beschouwing van 30 april 2026 van UHT. In deze beschouwing heeft UHT aan belanghebbende een aanvullende vergoeding van € 2.500 aangekondigd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Dit advies betreft de vraag of belanghebbende aanspraak heeft op een hoger bedrag dan UHT tot dusver heeft toegekend of erkend. De Commissie beantwoordt deze vraag aan de hand van de gronden van het bezwaar van belanghebbende tegen het bestreden besluit en de daarop gevolgde beschouwingen. Dit betekent dat schadebedragen die UHT heeft erkend en waartegen belanghebbende niet (langer) bezwaar maakt, in de regel onbesproken kunnen blijven.
Het toetsingskader
Binnen de hersteloperatie KOT biedt de Wht gedupeerde ouders de mogelijkheid om – naast de compensatie op basis van vaste (‘forfaitaire’) bedragen – een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor de werkelijke schade te doen. Artikel 2.1 lid 3 van de Wht vermeldt dat zo’n verzoek wordt beoordeeld met toepassing van het civiele schadevergoedingsrecht (zie ook de uitspraak van
27 september 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:3620). De gedupeerde ouder moet informatie geven die aannemelijk maakt (1) dat en in welke mate zij of hij aanvullende schade heeft geleden en (2) dat deze schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: de B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.
De CWS beoordeelt of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie. Op basis van deze beoordeling brengt zij advies uit aan UHT. UHT mag dit advies overnemen, nadat ze zich ervan heeft vergewist (1) dat het zorgvuldig tot stand is gekomen, (2) dat de redenering daarvan begrijpelijk is en (3) dat de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dit volgt uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Deze norm wordt hierna aangeduid als de ‘vergewisplicht’. UHT kan voor de motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van de CWS, als dit advies zelf de toereikende motivering bevat en UHT van het advies kennis geeft.
In een bezwaarprocedure als deze beoordeelt de Commissie of UHT een juiste uitvoering heeft gegeven aan haar vergewisplicht. Deze beoordeling vindt in beginsel plaats aan de hand van de gronden van het bezwaar. Omdat de beslissing op het verzoek om aanvullende compensatie in overeenstemming moet zijn met het civiele schadevergoedingsrecht, houdt de vergewisplicht in dat de Commissie voor haar advisering zelfstandig onderzoekt of de CWS en in haar voetspoor UHT een juiste toepassing hebben gegeven aan de regels van dat schadevergoedings-recht. Hierbij tekent de Commissie al direct aan dat belanghebbende niet steeds en volledig gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden om haar verzoek tegenover de CWS toe te lichten en te documenteren. In deze bezwaarfase heeft belanghebbende een veel uitgebreidere toelichting gegeven. De Commissie beoordeelt het verzoek zoals dit nader is gepresenteerd. Dit betekent dat zij zich niet slechts beperkt tot de toetsing van het bestreden besluit aan de vergewisplicht. Zij kan intussen immers rekening houden met méér omstandigheden van het geval dan voor de CWS en voor UHT (in het bestreden besluit) mogelijk was en feitelijk is toegelicht. Met inachtneming hiervan zal de Commissie aan de hand van de hier beschreven uitgangspunten beoordelen of UHT in dit geval op goede gronden het advies van de CWS heeft gevolgd en heeft aangevuld op basis van het laatste schadekader van de CWS, dat van na dat advies dateert. De Commissie zal daarbij niet telkens expliciet vermelden dat zij zich door deze maatstaf heeft laten leiden.
Bij de toepassing van het civiele schadevergoedingsrecht gaat het vooral om twee vragen:
- Heeft het (vooringenomen of voor de toeslagouder te hard uitwerkende) handelen van de B/T de gestelde schade veroorzaakt? Anders gezegd: is er causaal verband tussen beide?
- En zo ja, wat is de omvang van de schade?
Voor geen van deze twee aspecten gelden strikte bewijsregels. De gedupeerde ouder moet in voldoende mate aannemelijk maken dat er causaal verband is tussen de handelwijze van de B/T en de gestelde aanvullende schadeposten.
Voor de begroting van de schade geldt de maatstaf van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek: als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat. In gevallen waarin naast het handelen van de B/T ook andere oorzaken van de schade zijn aan te wijzen, dient te worden geschat in welke mate dat handelen heeft bijgedragen aan de schade. Dit kan leiden tot toerekening van een proportioneel deel van de schade aan het handelen van de B/T.
Deze toepassing van het civiele schadevergoedingsrecht vindt plaats tegen de achtergrond van de ruimhartigheid die de hersteloperatie kenmerkt.
De ruimhartigheid moet, om reële betekenis te hebben, leiden tot een wetstoepassing die, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, voor de toeslagouders gunstiger kan uitvallen dan voor andere mogelijke gedupeerden. Het is ook mogelijk dat daardoor minder hoge eisen worden gesteld aan de ‘bewijslast’ van de ouder (dat wil zeggen: de mate waarin deze haar of zijn lezing aannemelijk moet maken) of dat de ouder eerder het voordeel van de twijfel krijgt dan mogelijke gedupeerden door overheidshandelen in andere gevallen.
De proportionele toerekening is vooral aan de orde bij twee hierna te bespreken schadeposten, te weten de inkomensschade en de kosten wegens de ontruiming.
De Commissie zal, waar dat nodig is, het bezwaar van belanghebbende beoordelen op basis van het schadekader van de CWS. Daarbij geldt de voor belanghebbende gunstigste versie van de achtereenvolgende schadekaders. Dit is tussen haar en UHT ook niet in geschil. UHT heeft op basis van de versie van 15 december 2025 van het schadekader – en dus een tijdstip van na het CWS-advies – de aan belanghebbende toekomende vergoeding verhoogd met een bedrag van € 19.882. Deze verhoging staat niet ter discussie. De verdere verhoging met een bedrag van € 2.500, bij de tweede aanvullende beschouwing van UHT, komt hierna afzonderlijk aan de orde.
Het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de besluitvorming onzorgvuldig is geweest en onvoldoende is gemotiveerd, omdat UHT heeft nagelaten om bij het bestreden besluit de rapportage en de ‘Schadeloosstelling inkomensschade van 17 juli 2024’ aan haar te verstrekken. Deze stelling leidt niet tot gegrondverklaring van het bezwaar. Deze nadere gegevens zijn, tegelijk met debeschouwing van UHT en andere daaraan ten grondslag gelegde stukken, op 9 september 2025 aan belanghebbende toegestuurd. Hiermee heeft UHT voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 van de Awb neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Belanghebbende heeft daarop voldoende kunnen reageren. Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig was voorbereid of gebreken in de motivering bevatte, heeft UHT deze tekortkomingen hersteld.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De materiële schade: inkomensschade
Bij de begroting van de inkomensschade gaat het om vier onderwerpen, waarbij steeds het verband tussen het optreden van de B/T en (de omvang van) de gestelde schade aan de orde komt:
- mogelijke inkomensschade in de jaren 2012 en 2013;
- de berekening van inkomensschade over de jaren 2014-2019;
- mogelijke schade in de jaren 2020 tot en met 2022;
- het percentage van de opgetreden schade dat aan de KOT-problemen is toe te rekenen.
Deze onderwerpen komen hierna achtereenvolgens aan de orde.
Ten aanzien van het eerste punt, de mogelijke inkomensschade in 2012 en 2013, volgt de Commissie de CWS en UHT. Belanghebbende stelt dat zij gedurende een deel van deze jaren een bijstandsuitkering heeft ontvangen (en daardoor in zoverre inkomen had), maar dat voor een ander deel van deze periode die uitkering aan haar is geweigerd. Zij meent dat deze weigering samenhing met haar plaatsing op de FSV-lijst en haar ondervinding dat allerlei uitkeringsinstellingen haar van fraude betichtten. UHT stelt dat haar niets bekend is over een dergelijke plaatsing en adviseert belanghebbende om hierover afzonderlijk informatie in te winnen. Belanghebbende stelt dat zij dit heeft gedaan. De Commissie laat in het midden of dit inderdaad is gebeurd, en zo ja, met welk resultaat. Ook als wordt aangenomen dat belanghebbende op een fraudelijst heeft gestaan, vindt de Commissie het niet aannemelijk dat belanghebbende door een dergelijke plaatsing financieel nadeel heeft ondervonden. Belanghebbende heeft op dit punt in wezen slechts vermoedens geuit. Informatie over de redenen waarom zij niet over de gehele hier bedoelde periode een bijstandsuitkering heeft ontvangen of andere uitkeringen heeft gemist, is er niet. Reële aanknopingspunten voor het vereiste causale verband tussen een eventuele vermelding op een FSV-lijst en dit onderdeel van de gestelde schade ziet de Commissie al met al niet. Zij vindt onvoldoende reden om de behandeling van het bezwaar aan te houden totdat op dit punt nadere duidelijkheid is verkregen. Hierbij is mede van belang dat niet goed valt in te zien hoe op dit punt meer duidelijkheid zou kunnen worden verkregen.
Het tweede punt betreft de jaren 2014-2019. (Aanvankelijk waren alleen de jaren tot en met 2018 doorgerekend, maar UHT heeft intussen ook het jaar 2019 in de berekening van de vergoedingen betrokken.) De Commissie ziet geen reden om – afgezien van het hierna te bespreken toerekeningspercentage – voor deze jaren af te wijken van de berekeningen van de door de CWS ingeschakelde deskundige ten aanzien van de omvang van de schade. In dit opzicht heeft UHT de op haar rustende vergewisplicht nageleefd.
Het derde punt betreft de jaren 2020 tot en met 2022. UHT ziet geen causaal verband tussen de KOT-problemen en de zeer beperkte inkomsten uit de onderneming van belanghebbende in deze drie jaren. In navolging van de CWS wijst zij erop dat een startende onderneming in de eerste jaren niet meteen winstgevend zal zijn en dat belanghebbende vanaf 2019 weer KOT heeft ontvangen. Daardoor waren er volgens UHT vanaf dat moment voor belanghebbende geen belemmeringen meer om te werken en opnieuw met haar onderneming te beginnen, waarbij ook relevant is dat zij intussen weer kon voorzien in de opvang voor haar kinderen.
De Commissie komt voor deze jaren tot een ander oordeel. Zij vindt het aannemelijk dat ook toen de eerdere problemen met de KOT nog een zekere – maar niet te verwaarlozen – nawerking hadden. Dat wordt niet anders door het gegeven dat zij inmiddels weer opvang had voor de kinderen. Naar redelijkheid en billijkheid schat zij de omvang van het aan de problemen in de voorbije jaren toe te rekenen deel van de inkomensschade voor de jaren 2020, 2021 en 2022 op respectievelijk 75, 50 en 25% van het gemiste inkomen, dat overigens op dezelfde manier kan worden berekend als de desbetreffende schade in de jaren 2014-2019. Dit is exclusief het hierna te bespreken algemene toerekeningspercentage.
Dan resteert hier het vierde punt, het toe te passen toerekeningspercentage. Onbetwist is dat er in de jaren 2013-2019 schade is geweest die in relevante mate kan worden toegerekend aan de KOT-problemen. Het bezwaar stelt de vraag aan de orde of het percentage van deze toerekening gedurende die jaren hoger moet zijn dan 50%. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende omstandigheden van belang. Het vonnis waarbij destijds de ontruiming door belanghebbende en haar gezin van hun toenmalige woning is bevolen, is uitgesproken op 10 april 2014. De eerste vooringenomen handeling van de B/T ten opzichte van belanghebbende, met de daaraan verbonden stopzetting van haar toeslag, dateert van maart 2014. Vanaf april 2014 heeft belanghebbende geen KOT meer ontvangen. Uit deze gegevens volgt dat belanghebbende al serieuze financiële problemen had voordat zij voor het eerst werd geconfronteerd met een terugvordering van ontvangen KOT. Hier staat echter het volgende tegenover.
Het is een feit van algemene bekendheid – en het is Commissie ook uit eigen wetenschap bekend – dat ontruimingsvonnissen vaak niet meteen worden uitgevoerd. In veel gevallen vindt na een dergelijk vonnis (alsnog of nader) overleg tussen de huurder en de verhuurder plaats. Dit overleg kan ertoe leiden dat er toch nog een oplossing wordt gevonden of dat de huurder aan de verhuurder voldoende vertrouwen geeft dat de kwestie op een later moment alsnog in der minne kan worden opgelost. In het geval van belanghebbende heeft de werkelijke ontruiming op grond van het ontruimingsvonnis plaatsgevonden op 7 april 2015, dus ongeveer een jaar na de vonnisdatum van 10 april 2014 en kort na het vooringenomen handelen van de B/T. Deze gegevens maken het zeer aannemelijk dat belanghebbende, zoals zij heeft verklaard, ondanks de KOT-problemen zeer geruime tijd in staat is geweest de verhuurder perspectief te bieden op betaling van (of een serieuze regeling voor) de huurschuld die tot het ontruimingsvonnis heeft geleid. Uit het dossier blijkt dat belanghebbende ondanks alle tegenslag veerkrachtig was. Dit vergroot de kans dat zij – als de terugvordering van de KOT niet aan de orde was geweest – erin zou zijn geslaagd met de verhuurder een definitieve regeling te treffen om de ontruiming af te wenden. Deze kans is haar door de KOT-problemen in maart 2014 en de daarop gevolgde acties van de B/T ontnomen. Naar redelijkheid en billijkheid, en met de vereiste ruimhartigheid, schat de Commissie de gemiste kans op 80%. Daarom adviseert zij UHT om de vergoeding vast te stellen op 80% van de netto inkomensschade waarvan UHT, op basis van het CWS-advies, is uitgegaan. Voor de jaren 2020-2022 betekent dit dan 80% van respectievelijk 75, 50 en 25%.
De immateriële schade
In het bestreden besluit heeft UHT aan belanghebbende een vergoeding van
€ 59.500 toegekend voor haar immateriële schade. Een deel hiervan, groot
€ 21.000, betreft de zogenoemde Bouwsteen A. Op het bedrag van € 59.500 heeft UHT een bedrag van € 8.000 in mindering gebracht omdat in de eerdere vergoedingen al rekening was gehouden met immateriële schade van deze omvang. Deze aftrek staat op zichzelf niet ter discussie. UHT is van mening dat aan belanghebbende bovendien een extra vergoeding van € 750 voor immateriële schade moet worden toegekend. Zij houdt hierbij mede rekening met de situatie van belanghebbende in haar kwetsbare positie als alleenstaande en gedurende de zwangerschap van haar vierde kind. Uit de tweede aanvullende beschouwing blijkt bovendien dat UHT aan belanghebbende een aanvullende vergoeding van € 2.500 wil geven voor de immateriële schade door de gedwongen verhuizing.
Belanghebbende stelt dat de vergoeding voor immateriële schade te laag is vastgesteld. Haar bezwaren betreffen drie hoofdonderdelen: de Bouwstenen A, B en E.
Bij de toepassing van Bouwsteen A maakt belanghebbende blijkens het bericht van 7 februari 2026 van gemachtigde aanspraak op aanvullende vergoedingen van in totaal € 5.000; een gedeelte groot € 2.500 voor de gedwongen verhuizing en een gedeelte van ook € 2.500 voor haar fysieke klachten. Nu UHT belanghebbende nadien is tegemoetgekomen met een aanvullend bedrag van € 2.500 voor de gedwongen verhuizing, resteert het geschilpunt betreffende fysieke klachten.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende dit onderdeel van haar bezwaar heel summier heeft toegelicht. Anderzijds liggen fysieke klachten van de door belanghebbende genoemde aard, waaronder extreme vermoeidheid en onvoldoende tandartszorg, bepaald voor de hand. De verklaringen hierover van belanghebbende, in hun geheel beoordeeld, zijn voldoende aannemelijk.
Naar redelijkheid en billijkheid schat de Commissie de immateriële schade voor belanghebbende als gevolg daarvan op € 1.250. Dit aanvullende bedrag komt, als onderdeel van Bouwsteen A, ook voor vergoeding in aanmerking.
Bij de toepassing van Bouwsteen B maakt belanghebbende, na de ruimere vergoedingen volgens het aanvullende schadekader, aanspraak op een bedrag van € 5.000 als immateriële schade voor het hele gezin wegens het verlies van gelijke kansen. UHT stelt dat dit bedrag kan worden toegekend als aannemelijk is geworden dat de KOTproblemen hebben geleid tot bijvoorbeeld een verlengde schooltijd of noodgedwongen arbeid van kinderen om bij te dragen aan het gezinsinkomen. Volgens UHT doen dergelijke gevallen zich hier niet voor.
De Commissie vindt in de toelichting van de CWS op deze bouwsteen geen steun voor een beperking tot dergelijke concrete gevallen. Zij acht het aannemelijk dat de kinderen van belanghebbende wegens het verlies van gelijke kansen – ten opzichte van leeftijdgenoten die niet geconfronteerd zijn geweest met KOTperikelen – immateriële schade hebben geleden die niet al begrepen is in de schadeposten volgens Bouwsteen A. Naar redelijkheid en billijkheid begroot de Commissie deze schade op € 2.000. Zij adviseert UHT om de vergoeding volgens Bouwsteen B met dit bedrag te verhogen.
Bij de toepassing van Bouwsteen E gaat het om een vergoeding wegens het aantal halve jaren dat achteraf blijkt te zijn verstreken tussen de datum van de eerste onterechte terugvordering of stopzetting van KOT en (in dit geval) de beslissing van UHT op het bezwaar. Op dit moment staat het tijdstip van deze beslissing nog niet vast. De Commissie adviseert UHT om de hoogte van de vergoeding volgen Bouwsteen E nader te berekenen op het moment dat zij haar beslissing op bezwaar neemt.
De pensioenschade
Tot de gestelde materiële schade behoort ook pensioenschade. Belanghebbende verzoekt om vergoeding daarvan. De omvang zou door een schade-expert moeten worden berekend. De Commissie brengt in herinnering dat belanghebbende gedurende een bepaalde periode vóór de eerste nihilstelling en terugvordering een bijstandsuitkering ontving. Het staat vast dat zij in deze periode geen pensioen heeft opgebouwd. Vast staat ook dat zij in haar huidige onderneming geen pensioen opbouwt. Het dossier bevat (ook overigens) geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat belanghebbende, als de KOT-problemen zich niet hadden voorgedaan, pensioen zou hebben opgebouwd of aanspraak had kunnen maken op pensioenopbouw uit arbeid. Daarom ziet de Commissie geen grond om te adviseren dat aan belanghebbende een vergoeding wegens pensioenschade toekomt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De sieraden
Belanghebbende voert aan dat zij haar gouden sieraden noodgedwongen onder de marktwaarde heeft moeten verkopen. Zij verzoekt om toekenning van een hoger schadebedrag dan UHT op advies van de CWS heeft vastgesteld. Evenals de CWS wijst UHT erop dat concrete gegevens over de aard, de hoeveelheid, de waarde of de verkoopopbrengst van de sieraden ontbreken. De CWS heeft, bij gebreke van verifieerbare informatie, geadviseerd op dit punt een forfaitair bedrag van € 2.000 aan schadevergoeding toe te kennen en UHT heeft de CWS hierin gevolgd.
De Commissie acht dit advies, dat in overeenstemming is met het gebruikelijke toetsingskader van de CWS, voldoende zorgvuldig en begrijpelijk en ziet geen aanleiding om te adviseren tot een hogere vergoeding. UHT heeft hier voldaan aan de vergewisplicht. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De tandartskosten
Belanghebbende heeft om een vergoeding van tandartskosten verzocht. De CWS heeft overwogen dat zij niet kan adviseren om de gevraagde kosten te vergoeden, omdat belanghebbende in dit kader (nog) geen kosten heeft gemaakt. Er is dan ook geen schade. Daarnaast is - eveneens volgens de CWS – ook niet duidelijk hoe hoog de kosten zullen zijn en of de noodzakelijke behandelingen het gevolg zijn van het uitblijven van reguliere tandartscontroles door de KOT-problemen. Ten aanzien van de kosten voor de beugels van de kinderen geldt ook dat belanghebbende in dit kader (nog) geen kosten heeft gemaakt. Er is dan ook geen schade. Bovendien gaat het om kosten die belanghebbende ook zonder de problemen met de KOT had moeten maken. Ook daarom komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. De CWS, met in haar voetspoor UHT, ziet alles bijeengenomen geen aanknopingspunten om aan te nemen dat belanghebbende extra kosten moet maken door de problemen met de KOT.
Naar het oordeel van de Commissie heeft belanghebbende tegen de achtergrond van al deze gegevens niet voldoende aannemelijk gemaakt dat (eventuele) tandartskosten het gevolg zijn van de problemen met de KOT. Zij acht het advies van de CWS en het daarop gebaseerde bestreden besluit op dit punt voldoende zorgvuldig en begrijpelijk en adviseert daarom UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De ontruiming
Belanghebbende verzoekt om volledige vergoeding van de schade die is ontstaan bij de ontruiming van haar woning. Zij stelt dat deze schade uitsluitend is veroorzaakt door de terugvorderingen en verrekeningen van de B/T. Bij de beoordeling van de gestelde inkomensschade, als onderdeel van de materiële schade van belanghebbende, is de Commissie al ingegaan op de ontruiming.
Uit datgene wat zij daarover heeft overwogen volgt dat zij adviseert om ook de schade die hier aan de orde is, voor 80% (en niet voor slechts 50%) toe te rekenen aan de KOT-problemen. Zij adviseert in zoverre tot gegrondverklaring van het bezwaar en tot een dienovereenkomstige beslissing op het bezwaar.
De kosten voor het behalen van een rijbewijs
Belanghebbende stelt dat ze in 2014 of 2015 haar rijbewijs had willen halen en dat ze ongemak heeft gehad door zonder rijbewijs te moeten functioneren. Zij vraagt om een vergoeding voor de kosten van rijlessen, dan wel om een vergoeding gelijk aan het verschil tussen enerzijds de kosten die zij nu voor rijlessen zou moeten maken en anderzijds de kosten van rijlessen in 2015. De CWS adviseert om geen aanvullende schadevergoeding toe te kennen voor de kosten van een rijbewijs.
Er is volgens de CWS geen schade, omdat belanghebbende weliswaar kosten maakt of moet maken, maar daarvoor ook een tegenprestatie ontvangt, namelijk rijlessen. Daarnaast gaat het hierbij om kosten die belanghebbende ook zonder de problemen met de KOT zou hebben gemaakt. Ook daarom komt de CWS, evenals vervolgens UHT, tot de slotsom dat deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De Commissie ziet geen gronden voor honorering van het bezwaar op dit punt. Zij acht het advies en het daarop gebaseerde bestreden besluit voldoende zorgvuldig en begrijpelijk en adviseert UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. Het ongemak dat belanghebbende heeft gehad door het missen van een rijbewijs is, voor zover in dat opzicht relevant, overigens al verdisconteerd in de toegewezen of geadviseerde bedragen wegens inkomensschade.
De leningen bij familie en vrienden
Belanghebbende vraagt een schadevergoeding van € 7.500 in verband met leningen die zij bij familie en vrienden heeft afgesloten. Daarvoor zijn haar geen rente en kosten in rekening gebracht. De CWS heeft geadviseerd daarom geen aanvullende schadevergoeding toe te kennen. In het verlengde hiervan meent ook UHT dat belanghebbende in dit opzicht geen schade heeft geleden en ziet zij te weinig aanknopingspunten om een vergoeding toe te kennen. Ook de Commissie onderschrijft het advies van CWS op dit punt. Zij adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De gestelde schuld aan Wehkamp
Belanghebbende stelt dat ze € 4.432,10 aan inboedel heeft gekocht bij Wehkamp, nadat ze haar inboedel was kwijtgeraakt bij de ontruiming van haar woning. De schuld aan Wehkamp Finance staat op naam van haar ex-partner. Belanghebbende betoogt dat dit niettemin háár schade is, waarvoor haar een vergoeding toekomt. De CWS adviseert geen aanvullende schadevergoeding toe te kennen voor schade door deze schuld. Voor de CWS is beslissend dat (niet is gebleken dat) belanghebbende (zelf) de schuld is aangegaan. Het door belanghebbende overgelegde schuldenoverzicht van Wehkamp Finance is namelijk niet aan haar gericht.
De Commissie acht het aannemelijk dat deze schuld is aangegaan door de ex-partner van belanghebbende. Hij is de vader van de jongste twee kinderen van belanghebbende en was niet de toeslagpartner haar. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld nadere gegevens in te brengen die steun bieden aan haar lezing over deze schulden, maar haar gemachtigde heeft te kennen gegeven dat zij daartoe niet in staat is. Vermelding verdient hierbij dat uit de lezing van belanghebbende in elk geval ook volgt dat zij en haar ex-partner al vóór de eerste problemen met de KOT van tafel en bed gescheiden waren. De Commissie acht het advies van de CWS op dit punt voldoende zorgvuldig en begrijpelijk, en adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
De deurwaarderskosten wegens de ontruiming
De deurwaarderskosten van de ontruiming van de woning van belanghebbende zijn voor 50% toegerekend aan de problemen met de KOT.
Volgens belanghebbende is deze schade voor 100% veroorzaakt door de problemen die de terugvorderingen en verrekeningen van de B/T hebben meegebracht. Omdat het onzeker is of de ontruiming volledig het gevolg is van de problemen met de KOT, heeft de CWS geadviseerd om 50% van de kosten aan belanghebbende te vergoeden. Dat komt neer op (afgerond) € 622, te vermeerderen met de wettelijke rente. De Commissie komt ook op dit punt tot een hoger percentage, en wel van 80%. Zij adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ten dele gegrond te verklaren, met toekenning van een dienovereenkomstige vergoeding aan belanghebbende.
De proceskostenvergoeding
Naar het oordeel van de Commissie is het bezwaar ten dele gegrond. Zij adviseert UHT daarom de proceskosten van belanghebbende te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding die is gebaseerd op twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren ten aanzien van de volgende onderdelen:
- de inkomensschade over de jaren 2020-2022;
- het bij de inkomensschade toe te passen percentage (van 80% in plaats van 50%) dat aan de KOT-problemen valt toe te rekenen;
- Bouwsteen A: € 2.500;
- Bouwsteen B: € 2.000;
- Bouwsteen: berekening tot aan het tijdstip van de beslissing op bezwaar;
- kosten wegens de ontruiming: toepassing van een percentage van 80% (in plaats van 50%) dat aan de KOT-problemen valt toe te rekenen, en dienovereenkomstig te beslissen, met toekenning van een proceskostenvergoeding aan belanghebbende.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter