BAC 2023-13045
Publicatiedatum 23-07-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 31 januari 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 20 november 2025 om 13:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 23 december 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen het niet toekennen van € 30.000 ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 31 januari 2023, met kenmerk UHT-DCHA.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen vergoeding toegekend voor de jaren 2010 tot en met 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 februari 2021 UHT verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2009 tot en met 2013. In overleg met belanghebbende zijn de jaren 2010 tot en met 2015 door UHT in de herbeoordeling betrokken.
- Belanghebbende heeft op 14 december 2021 van de directie Centrale Administratieve Processen (hierna: CAP) een beschikking kwijtschelding belastingen ontvangen, met kenmerk UHT-B&I.
- UHT heeft bij besluit van 5 augustus 2022, met kenmerk UHT CHR GU, aan belanghebbende medegedeeld dat hij nu niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
- Belanghebbende heeft op 15 september 2022, ingekomen op 19 september 2022, bezwaar ingesteld tegen het besluit van 5 augustus 2022, met kenmerk UHT CHR GU.
- UHT heeft met de beslissing op bezwaar van 1 juli 2024 het bezwaar van 15 september 2022 tegen het besluit van 5 augustus 2022, met kenmerk UHT CHR GU, niet ontvankelijk verklaard.
- UHT heeft bij de bestreden definitieve beschikking van 31 januari 2023, met kenmerk UHT-DCHA, aan belanghebbende medegedeeld dat hij geen recht heeft op een vergoeding voor de jaren 2010 tot en met 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 13 maart 2023, ingekomen op 16 maart 2023, tegen het besluit van UHT van 31 januari 2023, met kenmerk UHT-DCHA, een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 6 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 24 oktober 2025 heeft gemachtigde de Commissie geïnformeerd niet langer als gemachtigde van belanghebbende op te treden.
- Op 20 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 24 november 2025 een aanvullende schriftelijke beschouwing ingediend. Belanghebbende heeft daar op 9 december 2025 op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Belanghebbende heeft geen bezwaargronden aangevoerd tegen de afwijzing van de vergoeding voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2015. Belanghebbende stelt dat hij volgens de beschikking kwijtschelding belastingen van 14 december 2021 door UHT is aangemerkt als gedupeerde. De UHT had met de beslissingen van 5 augustus 2022 en 31 januari 2023 hier niet vanaf mogen afwijken.
De Commissie overweegt als volgt.
Schending vertrouwensbeginsel
Belanghebbende betoogt, samengevat, dat UHT in haar besluit van 14 december 2021, met kenmerk UHT-B&I, aan hem heeft laten weten dat hij is aangemerkt als gedupeerde ouder in de toeslagenaffaire. Door hierop terug te komen, schendt UHT het vertrouwensbeginsel.
Belanghebbende stelt dat hij er lange tijd van overtuigd was dat wat in de brief van de CAP van 14 december 2021 staat juist is. En dat hij pas met het besluit van 5 augustus 2022, met kenmerk UHT CHR GU, door UHT is geïnformeerd dat UHT nog niet heeft vastgesteld dat hij daadwerkelijk is aangemerkt als gedupeerde ouder.
Met de bestreden beslissing van 31 januari 2023, met kenmerk UHT-DCHA, is door UHT aan belanghebbende medegedeeld dat hij definitief niet in aanmerking komt voor één van de compensatieregelingen. Als gevolg daarvan maakt belanghebbende ook geen aanspraak op het minimum compensatiebedrag van €30.000 door UHT. Belanghebbende acht dit strijdig met het vertrouwensbeginsel omdat hij vanaf de ontvangst van de op 14 december 2021 afgegeven beschikking tot aan het besluit van 5 augustus 2022 in de veronderstelling verkeerde dat hij al op 14 december 2021 door UHT was aangemerkt als gedupeerde ouder in de toeslagenaffaire.
De Commissie acht het vaststaand dat de beslissing van 14 december 2021 niet door de UHT maar door de CAP is afgegeven. Naar het oordeel van de Commissie valt daarom in de beschikking van 14 december 2021 niet de toezegging te lezen dat de UHT belanghebbende als gedupeerde ouder heeft aangemerkt. Bovendien volgt uit de systematiek van de Wht dat UHT bij de integrale beoordeling kan terugkomen op een eerdere toekenning zoals bij de lichte toets.
Uit de met de aanvullende beschouwing meegezonden noties blijkt dat belanghebbende tijdens een telefoongesprek met UHT op 22 juli 2022 aangaf dat hij al eerder met de UHT heeft gebeld en dat hij toen van UHT vernam dat hij nog niet als gedupeerde was aangemerkt. De Commissie kan belanghebbende daarom niet volgen in zijn bezwaar dat hij pas met het besluit van 5 augustus 2022, de zogenaamde lichte toets, voor het eerst op de hoogte is gesteld dat hij ten onrechte als gedupeerde was aangemerkt. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt. Op grond van artikel 2.7 Wht is alleen UHT bevoegd is om belanghebbende als gedupeerde ouder aan te merken.
De Commissie stelt bovendien vast dat de UHT in deze zaak bij het telefoongesprek met belanghebbende op 22 juli 2022, bij de beschikking eerste toets van 5 augustus 2022, bij de beslissing op bezwaar hiertegen van 1 juli 2024 alsmede bij de definitieve beoordeling van 31 januari 2023 een consequente lijn heeft gehanteerd, dat wil zeggen dat belanghebbende geen gedupeerde is.
Wel is de Commissie van oordeel dat UHT een verwijt kan worden gemaakt voor het versturen van (onjuiste) gegevens aan de CAP, op grond waarvan de CAP kennelijk tot de constatering is gekomen dat belanghebbende is aangemerkt als gedupeerde. Naar het oordeel van de Commissie is dat echter geen reden om de tegemoetkoming genoemd in artikel 2.7, eerste lid, van de Wht alsnog toe te kennen.
De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Materiele rechtszekerheidsbeginsel
Uit de systemen van B/T blijkt niet dat er door B/T dan wel UHT een toezegging is gedaan dan wel een verwachting is gewekt voor het in aanmerking komen voor een herstelregeling. UHT acht het genomen besluit in overeenstemming met de doelen die de Wht wil bereiken. Uit het bestreden besluit volgen geen nadelige gevolgen die onevenredig zijn in de verhouding tot de met het bestreden besluit te dienen doelen.
De Commissie ziet geen reden om tot een andere conclusie dan UHT te komen en adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Evenredigheidsbeginsel
Bij het nemen van de beslissing heeft UHT niet alleen zorgvuldig gekeken naar alle relevante feiten en omstandigheden maar ook rekening gehouden met het belang van belanghebbende bij het besluit. UHT acht het genomen besluit in overeenstemming met de doelen die de wet wil bereiken. Uit het bestreden besluit volgen geen nadelige gevolgen die onevenredig zijn in de verhouding tot de met het bestreden besluit te dienen doelen.
De Commissie ziet geen reden om tot een andere conclusie dan UHT te komen en adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Voor de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende, nu het bezwaar naar de mening van de Commissie ongegrond is, geen recht op vergoeding daarvan.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de beschikking van 31 januari 2023 met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren, de bestreden beslissing in stand te laten en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter