BAC 2023-13003
Publicatiedatum 11-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: van 16 februari 2023 met als kenmerk UHT-HD CWS
Ontvangst bezwaarschrift: 27 maart 2023
Hoorzitting: n.v.t.
Overdracht advies aan UHT: 9 januari 2024
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en nader te onderbouwen hoe de begrote immateriële schade ad € 10.600,- is opgebouwd en welke factoren daarbij zijn betrokken.
Onderwerp van advies
Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen Beschikking aanvullende werkelijke schadevergoeding na advies van de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) van 16 februari 2023 met kenmerk UHT-HD CWS.
Met toepassing van de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) is aan belanghebbende geen aanvullend bedrag toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft zich bij UHT gemeld met een verzoek om herbeoordeling van haar situatie ten aanzien van de aan haar uitgekeerde kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Op 4 november 2021 heeft belanghebbende tevens CWS verzocht om een aanvullende schadevergoeding.
- Bij beschikking van 19 maart 2021 heeft UHT belanghebbende een definitieve compensatie KOT toegekend van € 8.792,-, aangevuld tot € 30.000,- op grond van de Catshuisregeling, voor toeslagjaar 2013.
- Op 3 oktober 2022, ingekomen bij UHT op 8 februari 2023, heeft CWS aan UHT geadviseerd over aanvullende schadevergoeding.
- Bij beschikking van 16 februari 2023 heeft UHT dit advies gevolgd en aan belanghebbende geen aanvullende schadevergoeding toegekend.
- Bij brief van 22 maart 2023, door UHT ontvangen op 27 maart 2023, heeft belanghebbende hiertegen bezwaar gemaakt.
- UHT heeft op 2 oktober 2023 een schriftelijke reactie ingediend op de bezwaren van de belanghebbende.
- Bij brief van 27 oktober 2023 heeft belanghebbende de Commissie meegedeeld dat zij niet op de hoorzitting aanwezig zal zijn.
- De Commissie ziet daarom op grond van artikel 7:3 onder c van de Algemene wet bestuursrecht af van het horen van belanghebbende en adviseert op basis van de aan haar bekende stukken.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid, heeft het bezwaarschrift behandeld in haar vergadering van 13 december 2023.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Toetsingskader
De Commissie stelt ten aanzien van de door haar te verrichten toetsing van het bestreden besluit van UHT het volgende voorop.
In het kader van de hersteloperatie kinderopvangtoeslag biedt het kabinet gedupeerde ouders de mogelijkheid – naast de (deels) forfaitaire compensatie – ook een verzoek tot vergoeding van aanvullende compensatie voor werkelijke schade te doen. Dit verzoek kan door de gedupeerde ouder worden ingediend bij CWS. Artikel 2.1, derde lid, Wht vermeldt de gang van zaken rondom de indiening van dit verzoek, dat met toepassing van het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht wordt beoordeeld.
De gedupeerde ouder dient daarbij informatie te verschaffen waaruit aannemelijk wordt i) dat en in welke mate daadwerkelijk sprake is van aanvullende schade en ii) dat die schade het gevolg is van de handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) waarvoor de ouder al gecompenseerd is.
Omdat CWS is ingesteld om gedupeerde ouders de gang naar de rechter te besparen, dient de adviesprocedure tegemoet te komen aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM.
Nadat CWS heeft beoordeeld of een gedupeerde ouder recht heeft op aanvullende compensatie, wordt het advies uitgebracht aan UHT. UHT mag zich volgens vaste jurisprudentie op het onderzoek van CWS baseren, nadat ze zich ervan vergewist heeft dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Daarbij is van belang dat het advies past binnen de door CWS vastgelegde beleidskaders.
De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van 27 september 2023 (nrs. 202206507/1/A2 en 202303941/1/A2, ECLI:NL:RVS:2023:3620) scherpt in dat de beoordeling van een aanspraak op een aanvullende vergoeding van de werkelijke schade niet alleen moet worden beoordeeld naar de ‘door CWS vastgestelde beleidskaders’, maar dat beslissend is, of de belanghebbende op grond van het civiele schadevergoedingsrecht aanspraak kan maken op een vergoeding van de geleden schade.
UHT kan ter motivering van haar besluit over aanvullende compensatie volstaan met verwijzing naar het advies van CWS, als het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven. Het is mogelijk dat UHT in uitzonderlijke gevallen tot een beslissing komt die afwijkt van het advies van de CWS, maar die afwijking moet dan goed gemotiveerd worden.
In een bezwaarprocedure als de onderhavige beoordeelt de Commissie of UHT op juiste wijze invulling heeft gegeven aan haar vergewisplicht.
Deze toets vindt in beginsel plaats aan de hand van de door belanghebbende ingediende gronden van het bezwaar. In het geval UHT is afgeweken van het advies van CWS, beoordeelt de Commissie of hiervoor een goede motivering is gegeven.
De Commissie zal aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen of UHT zich in dit geval kon baseren op het advies van CWS.
Wat is aan belanghebbende toegekend
Aan belanghebbende is in de integrale beoordeling een compensatiebedrag van €8.792,-toegekend vanwege vooringenomen handelen door B/T ten aanzien van toeslagjaar 2013. Dit bedrag is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot €30.000,-.
CWS is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan aanvullende schadevergoeding voor immateriële schade.
Dit bedrag vermeerderd met het bij de integrale beoordeling toegekende compensatiebedrag, blijft onder het bedrag van € 30.000,- dat al is toegekend en uitgekeerd aan belanghebbende op grond van de Catshuisregeling. CWS heeft UHT dan ook geadviseerd om geen verdere vergoeding aan belanghebbende te betalen.
Wat is (nog) in geschil
Belanghebbende vindt dat zij recht heeft op een aanvullende schadevergoeding. Zij wijst op de uithuisplaatsing van haar zoon, haar studievertraging en haar medische problemen. De Commissie zal daarop hieronder ingaan.
De Commissie stelt vast dat het advies van CWS om geen vergoeding toe te kennen voor inkomensschade en voor kosten voor juridische bijstand en de daarop gebaseerde beschikking van UHT, niet worden betwist door belanghebbende.
Uithuisplaatsing zoon en kosten van vrije dagen
Belanghebbende stelt in bezwaar dat haar zoon al jaren in een pleeggezin verblijft door de problemen met de KOT. Zij heeft gevraagd om een vergoeding van kosten van vrije dagen omdat zij vaak weg moest van haar werk in verband met de plaatsing van haar zoon in een pleeggezin en bezoeken aan haar advocaten en rechtszittingen over bezoekregelingen en de uithuisplaatsing.
CWS heeft geadviseerd geen vergoeding toe te kennen voor kosten van vrije dagen in verband met de plaatsing van haar zoon in een pleeggezin. Dit advies heeft UHT overgenomen.
De Commissie stelt op basis van het dossier vast dat de zoon van belanghebbende tot 14 juni 2012 bij haar woonde en met ingang van 6 september 2012 in een pleeggezin is geplaatst. Belanghebbende is niet meer werkzaam sinds juli 2012.
De problemen met de KOT begonnen pas in oktober 2014. De Commissie onderschrijft daarom de conclusie van CWS dat het niet zo kan zijn dat belanghebbende door de problemen met de KOT vrije dagen moest opnemen.
Studiekosten wegens studievertraging
Belanghebbende betoogt dat zij door haar psychische problemen ten gevolge van de KOT-problematiek haar studie niet heeft kunnen afmaken en dit ook niet meer zal kunnen. Dit heeft ernstige gevolgen voor haar toekomst en voor haar zoon.
CWS heeft geadviseerd geen vergoeding toe te kennen voor studiekosten wegens studievertraging. Dat heeft UHT overgenomen.
De Commissie onderschrijft de conclusie van CWS dat het niet aannemelijk is dat het stoppen met de studie door belanghebbende het gevolg is geweest van de problemen met de KOT. Belanghebbende is namelijk al in 2012 gestopt met haar studie en de problemen met de KOT speelden pas 2 jaar later, in oktober 2014.
Medische problematiek, immateriële schade
Belanghebbende betoogt dat zij door de KOT-problematiek psychische problemen heeft gekregen. Zij zit in een psychiatrische kliniek. Door haar medicijnen kan zij nooit meer werken en geen kinderen meer krijgen. In het verleden heeft zij door de stress en psychische problemen miskramen gehad.
CWS heeft vastgesteld dat de problemen die belanghebbende heeft beschreven grotendeels verband houden met gebeurtenissen die plaatsvonden voordat in oktober 2014 de problemen met de KOT begonnen. Voor zover daardoor immateriële schade is ontstaan, kan CWS daarom niet adviseren daarvoor een vergoeding toe te kennen.
CWS stelt zich verder op het standpunt dat zij niet kan adviseren over de vraag of de miskramen van belanghebbende zijn veroorzaakt door de problemen met de KOT. Wel vindt CWS het aannemelijk dat belanghebbende door de problemen met de KOT stress en verdriet heeft ervaren. Een vergoeding voor het zo veroorzaakte geestelijke leed is op zijn plaats, aldus CWS. Bij de bepaling van deze vergoeding heeft CWS rekening gehouden met de financiële gevolgen van de problemen met de KOT, het feit dat sprake is geweest van dwangverrekening, de omstandigheid dat het teruggevorderde bedrag een groot deel van het (bruto) jaarinkomen bedroeg en met de tijd die is verstreken vanaf de eerste negatieve beschikking. In totaal begroot CWS de immateriële schade van belanghebbende op € 10.600,-, waarin een bedrag van € 8.000,- is begrepen voor de (standaard)vergoeding van €500,- per half jaar sinds de eerste negatieve beschikking.
Naar het oordeel van de Commissie is in het advies van CWS niet duidelijk uiteengezet hoe het bedrag van € 10.600,- is opgebouwd, gelet op de diverse bouwstenen en factoren uit het Beoordelingskader Immateriële Schade.
Evenmin is duidelijk of alle toepasselijke factoren wel zijn betrokken. Zo heeft belanghebbende gesteld dat zij (na het ontstaan van de problemen met de KOT in oktober 2014) dakloos is geworden.
Verder leidt de Commissie uit het Beoordelingskader Materiële Schade af dat medisch onderzoek naar het verband tussen de problemen met de KOT en medische klachten wél mogelijk is, door de inschakeling van een medisch deskundige. De vraag of de miskramen van belanghebbende zijn veroorzaakt door de problemen met de KOT zou wellicht op die manier beantwoord kunnen worden.
De Commissie adviseert UHT om hier in de beschikking op bezwaar nader op in te gaan.
De Commissie merkt ter voorlichting van belanghebbende op dat, wil nader onderzoek leiden tot een uit te betalen aanvullende schadevergoeding, een relatief grote marge overbrugd moet worden totdat het al uitgekeerde bedrag van €30.000,- wordt overschreden.
Naar de Commissie meent is, gelet op het vorenstaande, het advies van CWS niet zorgvuldig tot stand gekomen en heeft UHT niet op juiste wijze invulling gegeven aan haar vergewisplicht.
Conclusie
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar gegrond te verklaren en nader te onderbouwen hoe de begrote immateriële schade ad €10.600,- is opgebouwd en welke factoren daarbij zijn betrokken.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter