Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12956

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 3 april 2023 met kenmerk UHT-DCHA

Hoorzitting: 22 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 30 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit ongewijzigd in stand te laten. De Commissie adviseert om het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT genomen besluit van 3 april 2023 met kenmerk UHT-DCHA.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen vergoeding ontvangt voor de toeslagjaren 2016, 2019 en 2020.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 6 oktober 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2019 en 2020. In overleg met belanghebbende is de herbeoordeling uitgebreid naar het toeslagjaar 2016.
  • Bij besluit van 5 april 2022 met kenmerk UHT CHR GU heeft UHT aan
    belanghebbende medegedeeld dat zij vooralsnog geen recht heeft op het bedrag
    van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de herbeoordeling nog
    niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
    van belanghebbende op 22 maart 2023 aan UHT toegestuurd. CvW heeft
    geadviseerd dat de compensatieregeling niet van toepassing is voor de
    toeslagjaren 2016, 2019 en 2020.
  • Bij besluit van 3 april 2023 met kenmerk UHT-DCHA heeft UHT aan
    belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op een vergoeding voor de toeslagjaren 2016, 2019 en 2020.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 24 april 2023, ingekomen op 26 april 2023, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 17 januari 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 22 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een
    verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Motivering besluit en compleetheid dossier
Belanghebbende is van mening dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd zoals vereist is in de artikelen 3:2 en 3:46 Algemene wet bestuursrecht.

De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Ter voorbereiding van het definitieve compensatiebesluit is het recht op compensatie in vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De gegevens zijn afkomstig van onder meer een tijdlijn, correspondentie, voorschotbeschikkingen, definitieve beschikkingen, een SAS-rapport, uitdraaien van de KOI-viewer en uitdraaien van meldingen, werkopdrachten en inkomensgegevens. De Commissie is daarom van oordeel dat het bestreden besluit door middel van het indienen en delen van een schriftelijke reactie en de bijbehorende producties met gemachtigde op 26 maart 2025 voldoende inzichtelijk zijn gemaakt en gemotiveerd. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Recht op compensatie
Belanghebbende stelt dat dat zij voor het toeslagjaar 2019 in aanmerking had moeten komen voor een compensatie omdat sprake is van een zodanig causaal verband tussen de situatie in 2019 en de uiteindelijke nihilbeschikking wegens non-respons, ook al is deze beschikking in 2021 opgemaakt. UHT is van mening dat belanghebbende terecht geen compensatie heeft ontvangen over het toeslagjaar 2019 omdat niet alleen de nihilstelling dateert van na 23 oktober 2019, maar ook de gebeurtenissen die hebben geleid tot de nihilstelling. De Commissie overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie blijkt dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT vóór 23 oktober 2019 onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) of van bijzondere hardheid.

Het relevante besluit van 3 mei 2021 en de relevante gebeurtenissen voorafgaand aan dit besluit, namelijk de verzoeken om aanvullende informatie omtrent de kinderopvang in 2019, gedateerd 25 juni 2020 en 12 september 2020, dateren van ná 23 oktober 2019. De Commissie heeft geen aanwijzingen gevonden die duiden op een causaal verband tussen de relevante beschikking, de uitvraagbrieven en andere gebeurtenissen vóór de datum van 23 oktober 2019.

Niet is aannemelijk geworden dat bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor toeslagjaar 2019 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door de B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvordering KOT over toeslagjaar 2019 was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij telefonisch, dan wel schriftelijk, gereageerd zou hebben op de genoemde uitvraagbrieven van de B/T. Verder is ook geen sprake geweest van een
onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna O/GS), zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt.

De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet ziet op de herziening van definitieve KOT-beschikkingen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over het toeslagjaar 2019 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft een verzoek gedaan tot vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten. Voor de proceskosten in deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende, nu de bezwaren naar het oordeel van de Commissie ongegrond zijn, geen recht op een vergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren;
  • het bestreden besluit ongewijzigd in stand te laten; en
  • het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Secretaris

Fungerend voorzitter