BAC 2023-12953
Publicatiedatum 29-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 februari 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 27 februari 2025
Overdracht advies aan UHT: 5 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet herstel toeslagen (hierna: Wht) geen vergoeding toegekend voor de jaren 2006 en 2007.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de
kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 en 2007. - UHT heeft bij beschikking van 26 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000 (Catshuisregeling), maar dat de integrale beoordeling nog niet klaar is.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 30 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
geadviseerd dat voor de toeslagjaren 2006 en 2007 geen sprake is geweest van
institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. - UHT heeft bij de definitieve beschikking met kenmerk UHT-DCHA aan
belanghebbende geen vergoeding toegekend voor de toeslagjaren 2006 en 2007
omdat geen sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen of
hardheid van het stelsel. - Gemachtigde heeft bij brief van 21 maart 2023, ingekomen op 23 maart 2023,
tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. - Gemachtigde heeft bij brieven van 7 en 11 maart 2024 het bezwaarschrift
aangevuld. Bij brief van 7 maart 2024 zijn ook bezwaren kenbaar gemaakt met
betrekking tot het toeslagjaar 2005 - UHT heeft op 2 oktober 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 6 februari 2025 was een hoorzitting gepland. De zitting heeft, vanwege
omstandigheden van technische aard, geen doorgang kunnen vinden en is daarom aangehouden. Op 27 februari 2025 heeft de hoorzitting doorgang gevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. - In aanloop naar de hoorzitting heeft belanghebbende op 26 februari 2025
aanvullende stukken aan de Commissie toegestuurd. - UHT heeft op verzoek van de Commissie na de hoorzitting een nadere
schriftelijke reactie toegestuurd. Gemachtigde heeft daar op 11 maart 2025 op
gereageerd en de aanvullende standpunten van belanghebbende aan de
Commissie kenbaar gemaakt. Op verzoek van de Commissie heeft UHT op 14 april 2025 op de nadere standpunten van belanghebbende gereageerd. Tot slot ontving de Commissie op 23 april 2025 van gemachtigde twee berichten waarin
belanghebbende een laatste maal heeft gereageerd. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Ontbreken van stukken
Belanghebbende heeft gesteld dat niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken voorhanden zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. Aan belanghebbende is het bezwaardossier verstrekt, voorzien van een schriftelijke beschouwing en vergezeld van de stukken die daaraan ten grondslag liggen. UHT heeft ook na de toezending van het dossier diverse malen een nadere toelichting op het bestreden besluit verstrekt. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar
ongegrond te verklaren.
Schending zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsgebrek
Belanghebbende stelt dat UHT, bij de herbeoordeling van haar dossier, ten onrechte acht heeft geslagen op hetgeen door haar persoonlijk zaakbehandelaar (hierna: PZB-er) is bevonden, nu zij over diens werkwijze met succes heeft geklaagd. Belanghebbende meent dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, dan wel dat daaraan motiveringsgebreken kleven omdat op haar persoonlijk relaas onvoldoende acht is geslagen. Tevens meent belanghebbende dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid nu haar geen gelegenheid is geboden om ten aanzien van het voorgenomen besluit een zienswijze in te dienen.
De Commissie betreurt het dat belanghebbende zich genoodzaakt heeft gezien over de werkwijze van haar PZB-er te klagen en dat het voorgenomen besluit niet aan haar is voorgelegd. De vraag of daarmee beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, behoeft in dit geval geen beantwoording nu belanghebbende haar persoonlijk relaas, zowel mondeling op de hoorzitting als schriftelijk, uitvoerig met de Commissie en UHT heeft gedeeld. Tezamen met de door UHT in bezwaar ingediende schriftelijke beschouwing, de nadere beschouwingen en de overgelegde stukken, is daardoor in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen van het eerdergenoemde voorgenomen besluit.
2005
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het toeslagjaar 2005 ten onrechte niet is meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over dit toeslagjaar sprake was van KOT.
Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin de Belastingdienst / Toeslagen (hierna: B/T) een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende niet zag op het toeslagjaar 2005. Uit de voorhanden stukken kan niet worden opgemaakt dat het verzoek tot herbeoordeling daarna door belanghebbende is uitgebreid. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT heeft nagelaten het toeslagjaar 2005 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om dit toeslagjaar (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de door UHT gedane mededeling dat het toeslagjaar 2005 alsnog wordt beoordeeld. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie de onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Toeslagjaar 2006
Belanghebbende heeft met betrekking tot het toeslagjaar 2006 het standpunt kenbaar gemaakt dat B/T de terugvordering KOT ten onrechte met haar huurtoeslag heeft verrekend.
Ten aanzien van het toeslagjaar 2006 heeft UHT in haar beschouwing uiteengezet dat de aan belanghebbende toegekende KOT op 10 juni 2008 neerwaarts is gecorrigeerd op grond van een jaaropgave die door belanghebbende op 18 december 2007 aan de B/T is toegestuurd. In haar schriftelijke beschouwing heeft UHT verder toegelicht dat deze verrekening niet onder de werking valt van ''de schone lei'' die belanghebbende heeft gekregen door beëindiging van haar schuldsaneringsregeling op 25 maart 2008 en het akkoord waaraan schuldeisers zich hebben gebonden. Van vooringenomenheid is daarom, volgens UHT geen sprake geweest.
Over het jaar 2006 heeft een verlaging van het recht op KOT van meer dan € 1.500
plaatsgevonden. De KOT is echter direct aan belanghebbende uitgekeerd waarmee de toeslag haar ten goede is gekomen. Nu in 2006 ook geen sprake is geweest van een kleine formele tekortkoming, een terugvordering vanwege het deels niet betalen van de kinderopvang of frauduleus handelen door derden, heeft UHT vastgesteld dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie op grond van hardheid. Tot slot heeft UHT toegelicht dat van een O/GS-kwalificatie geen sprake is geweest, waardoor UHT ook geen tegemoetkoming vanwege een dergelijke kwalificatie heeft toegekend. Aan de hand van hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht, is niet aannemelijk geworden dat bij de aanpassing van de KOT voor het toeslagjaar 2006 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De
terugvordering KOT over toeslagjaar 2006 was namelijk gelegen in een te hoog
voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Het verrekenen van terechte terugvorderingen met andere aan een belanghebbende toekomende toeslagen levert geen grond voor compensatie vanwege hardheid op. Uit de wetsgeschiedenis van de Wht en systematiek van de compensatieregeling kan niet worden afgeleid dat de wetgever dergelijke gevallen voor ogen heeft gehad. De situatie van verrekening wordt niet expliciet door de wetgever genoemd. Ten aanzien van belanghebbende is geen sprake geweest van een O/GS-kwalificatie. Alles overziend heeft de Commissie geen aanknopingspunten gevonden om ten aanzien van het toeslagjaar 2006 te oordelen dat aan belanghebbende een compensatie of tegemoetkoming op grond van de Wht toekomt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2007
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat haar ten aanzien van het toeslagjaar 2007 ten onrechte geen compensatie wordt geboden.
UHT heeft met betrekking tot het toeslagjaar 2007 vastgesteld dat de KOT eind 2006 automatisch is gecontinueerd. Aan belanghebbende werd in 2007 KOT betaald, totdat de KOT op nihil werd gesteld als gevolg van de omstandigheid dat belanghebbende niet op verzoeken om informatie van de B/T reageerde, de zogeheten non-respons. In de systemen van B/T zijn echter geen vraagbrief en aanmaningsbrief gevonden. UHT heeft daarom bevestigd dat belanghebbende onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aannemelijk te maken en dat zij aldus vooringenomen is behandeld. Belanghebbende heeft, aldus UHT, evenwel geen recht op compensatie omdat is gebleken dat zij in het jaar 2007 geen geregistreerde kinderopvang heeft afgenomen. Belanghebbende had daarom evident geen recht op KOT, hetgeen aan compensatie wegens vooringenomenheid in de weg staat. De vraag of compensatie op grond van hardheid van het stelsel moet plaatsvinden, heeft UHT eveneens ontkennend beantwoord. In haar schriftelijke beschouwing heeft UHT uiteengezet dat over het toeslagjaar 2007 weliswaar een verlaging van het recht op KOT van meer dan €1.500 heeft plaatsgevonden, maar dat de KOT direct aan belanghebbende is uitgekeerd
waarmee de toeslag haar ten goede is gekomen. Daarnaast is geen sprake geweest van een kleine formele tekortkoming, een terugvordering vanwege het deels niet betalen van de kinderopvang of frauduleus handelen door derden. Zodoende heeft belanghebbende volgens UHT geen recht op compensatie op grond van hardheid. Tot slot UHT heeft toegelicht dat van een O/GS-kwalificatie geen sprake is geweest, waardoor UHT ook geen tegemoetkoming vanwege een dergelijke kwalificatie heeft toegekend.
Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid van het stelsel. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in het jaar 2007, nu belanghebbende in dat jaar geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang. Belanghebbende heeft de juistheid van dat standpunt vervolgens niet bestreden. Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. Belanghebbende komt voor het jaar 2007 dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. Nu van een O/GS -kwalificatie geen sprake is
geweest, kan op die grond evenmin een tegemoetkoming worden toegekend.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Kindregeling
Deze bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de
standaardvergoedingen vanwege vooringenomen handelen van B/T of wegens hardheid van het stelsel. De Commissie is derhalve in deze bezwaarschriftprocedure niet bevoegd te oordelen over de vraag of de zogeheten ''kindregeling'' onjuist is toegepast.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Secretaris
Fungerend voorzitter