Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12944

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 4 april 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 8 april 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 15 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit met kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift wordt geacht te zijn gericht tegen het volgende door UHT genomen besluit.

De beschikking van 4 april 2023 met kenmerk UHT-DCHA, waarin UHT heeft beslist dat belanghebbende voor toeslagjaar 2018 niet in aanmerking komt voor compensatie. De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) geen fouten heeft gemaakt bij de toekenning van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) dan wel de regels te streng heeft toegepast.

Procesverloop

  • Op 18 mei 2021 heeft belanghebbende verzocht om een herbeoordeling van de toeslagjaren 2015 tot en met 2017. Op 20 mei 2021 heeft belanghebbende verzocht om een herbeoordeling van het toeslagjaar 2018. Na overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is beslist dat de herbeoordeling enkel ziet op toeslagjaar 2018.
  • Op 24 november 2021 heeft UHT beslist dat belanghebbende € 500 aan
    noodvoorziening krijgt toegekend.
  • Bij beschikking van 28 juni 2022 heeft UHT belanghebbende geïnformeerd dat zij op basis van de eerste toets vooralsnog niet in aanmerking komt voor het
    forfaitaire bedrag van €30.000.
  • Op 9 maart 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies
    uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat niet is gebleken van institutioneel vooringenomen handelen voor toeslagjaar 2018 noch dat er reden is voor toepassing van de hardheidscompensatie.
  • Bij beschikking van 4 april 2023 heeft UHT meegedeeld dat belanghebbende voor het jaar 2018 niet in aanmerking komt voor compensatie.
  • Op 26 april 2023 heeft belanghebbende een pro forma bezwaarschrift ingediend.
  • Op 19 december 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende aanvullende
    gronden ingediend.
  • Op 9 januari 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 8 april 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
  • De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft dit bezwaar behandeld.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor toeslagjaar 2018 af te wijzen. Voorts zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.

Afgewezen toeslagjaar 2018
Uit het bezwaardossier volgt dat de KOT in toeslagjaar 2018 is bijgesteld naar aanleiding van de door belanghebbende aangeleverde informatie. Dit, in combinatie met een verhoogd toetsingsinkomen, heeft ertoe geleid dat de KOT twee keer neerwaarts is gecorrigeerd. De verplichting tot het terugbetalen van de KOT voor toeslagjaar 2018 is derhalve het gevolg van reguliere correcties. Deze kunnen niet worden aangemerkt als vooringenomen handelen. De reguliere correcties over dit toeslagjaar wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten, dat de werkelijke, later vast te stellen aanspraak, op een lager bedrag uit kan komen.

Voorts overweegt de Commissie dat het al dan niet tegemoetkomen aan het verzoek van belanghebbende om een persoonlijke betalingsregeling, zich afspeelt ná 23 oktober 2019, derhalve na de periode waarop de Wet hersteloperatie toeslagen betrekking heeft (art. 2.1 van deze wet). Niet of onvoldoende is gebleken dat de handelingen door B/T vóór 23 oktober 2019 uiting geven aan een onrechtmatig handelen. De Commissie is daarom van oordeel dat het niet binnen haar bevoegdheid valt om hierover te adviseren.

Niet herbeoordeelde toeslagjaren en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat zij een verzoek tot herbeoordeling heeft ingediend voor de toeslagjaren 2015 tot en met 2020. Belanghebbende stelt dat de besluitvorming onzorgvuldig tot stand is gekomen, nu zij enkel een beschikking voor toeslagjaar 2018 heeft ontvangen. UHT heeft in haar schriftelijke reactie toegelicht dat het verzoek tot herbeoordeling voor de toeslagjaren 2015, 2016, 2017 en 2019 is uitgezet bij de primaire afdeling. Daarbij stelt UHT zich op het standpunt dat toeslagjaar 2020 niet zal worden meegenomen in de herbeoordeling, nu de herstelregelingen zien op de aanvragen over de periode tot 23 oktober 2019.

De Commissie overweegt dat zij pas een advies over bovenstaande toeslagjaren kan uitbrengen, als UHT na herbeoordeling van deze jaren een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij, indien zij dat wenst, tegen die beschikking een bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies zal uitbrengen.

Voorts overweegt de Commissie dat zij UHT kan volgen ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover UHT de bestreden beschikking niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van mening dat met het indienen van het schriftelijke verweer en de overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende voert aan dat zij wel recht heeft op compensatie, nu een medewerker van B/T telefonisch zou hebben toegezegd dat de Catshuisregeling aan haar zou worden toegekend. In het bezwaardossier zijn telefoonnoties terug te vinden (producties 02A, 02B en 21) waarin aan belanghebbende op 24 november 2021 is toegezegd dat zij in aanmerking komt voor een noodvoorziening voor een bedrag van € 500. De Commissie leest in de desbetreffende telefoonnotities of elders in het bezwaardossier geen toekenning van een verder recht op compensatie. De Commissie is daarom van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat een medewerker van B/T een rechtens relevante toezegging heeft gedaan dat belanghebbende recht heeft op de Catshuisregeling. Het voorgaande leidt de Commissie tot het oordeel dat het bezwaarschrift op dit punt ongegrond is.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen het besluit met
kenmerk UHT-DCHA ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Secretaris

Fungerend voorzitter