Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12942

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 8 maart 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 30 maart 2026 om 13:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 26 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve besluit compensatie kinderopvangtoeslag van 8 maart 2023 (UHT-DCHA), hierna: het bestreden besluit.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2016 en 2017.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 7 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2012 tot en met 2017. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is dit verzoek beperkt tot de jaren 2016 en 2017.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 februari 2023 aan de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) toegestuurd. De CvW is van oordeel dat de B/T zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1 lid 1 Wht niet van toepassing is voor de toeslagjaren 2016 en 2017.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2016 en 2017.
  • Belanghebbende heeft bij brief van 20 maart 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 24 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 31 januari 2026 heeft gemachtigde per e-mail aan UHT verzocht om ook de jaren 2012 tot en met 2015 te herbeoordelen. Op 30 maart 2026 heeft UHT middels een aanvullende schriftelijke reactie op gereageerd.
  • Op 30 maart 2026 heeft ook een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 10 april 2026 een nadere schriftelijke reactie ingediend. UHT heeft daar op 24 april 2026 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.

Toeslagjaren 2011 tot en met 2015

De gemachtigde heeft per e-mail van 30 januari 2026 aan UHT verzocht om ook de toeslagjaren 2012 tot en met 2015 te herbeoordelen. Kort voor de hoorzitting op 30 maart 2026 heeft UHT de uitkomst van deze herbeoordeling middels een aanvullende schriftelijke beschouwing met de gemachtigde en de Commissie gedeeld. Ter zitting heeft de gemachtigde aan UHT gevraagd om ook het toeslagjaar 2011 te herbeoordelen. UHT heeft de uitkomst hiervan op 24 april 2026 middels een tweede aanvullende schriftelijke beschouwing met de gemachtigde en de Commissie gedeeld. De Commissie stelt vast dat UHT geen beschikking(en) heeft genomen met betrekking tot deze aanvullende toeslagjaren.

Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voorafgaand aan 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een besluit daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.

De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende initieel alleen zag op de toeslagjaren 2016 en 2017. De persoonlijk zaakbehandelaar heeft de overige jaren met belanghebbende besproken maar zich na overleg met belanghebbende beperkt tot een herbeoordeling van de toeslagjaren 2016 en 2017. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft bepaalde toeslagjaren in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden het bestreden besluit moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en het bestreden besluit de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om niet-beoordeelde toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie kan pas advies uitbrengen over de aanvullende toeslagjaren als UHT voor deze jaren een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. De Commissie gaat ervan uit dat deze procedure alsnog wordt gevolgd.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

De Commissie merkt overigens op dat UHT, blijkens de meest recente aanvullende schriftelijke reactie, voornemens is om belanghebbende als gedupeerde aan te merken en om haar te compenseren voor het toeslagjaar 2015.

Geen vooringenomen handelen of hardheid

Uit de stukken in het dossier maakt de Commissie op dat de aanpassingen van de KOT voor de toeslagjaren 2016 en 2017 zijn gebaseerd op door belanghebbende zelf doorgegeven wijzigingen en toegezonden jaaropgaven, inkomenswijzigingen en/of op de kinderopvanggegevens. Er zijn geen aanwijzingen dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn.

B/T heeft de wettelijke taak om te controleren of de KOT voorschotten in een gegeven toeslagjaar terecht zijn uitgekeerd en, zo niet, om eventueel te veel uitgekeerde bedragen terug te vorderen. B/T mag daarbij vertrouwen op bijvoorbeeld de inkomensgegevens van ouders die in het systeem van de belastingdienst zijn verwerkt en de gegevens die ouders en kinderopvanginstellingen verstrekken.

De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2016 en 2017 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. De terugvorderingen KOT waren gelegen in een te hoog voorschot dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. Deze bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in dit geval anders te oordelen.

De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter