BAC 2023-12941
Publicatiedatum 28-01-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 6 april 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 15 oktober 2025
Overdracht advies aan UHT: 7 november 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor het jaar 2010.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 4 maart 2021 verzocht om een herbeoordeling van de
kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2010. - UHT heeft bij beschikking van 9 augustus 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek
van belanghebbende op 10 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft
geadviseerd dat belanghebbende niet aanmerking komt voor een compensatie
omdat gedurende het betrokken jaar sprake was van evident geen recht op KOT
en geen sprake was bijzondere omstandigheden. - UHT heeft bij bestreden besluit aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen
recht heeft op compensatie voor het jaar 2010. - Gemachtigde heeft bij brief van 2 mei 2023, ingekomen op dezelfde datum, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 17 april 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 15 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is
een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd. De Commissie heeft
partijen op dezelfde dag bericht dat zij overgaat tot het uitbrengen van een
advies. Per e-mail van 15 oktober 2025 heeft gemachtigde hiertegen
geprotesteerd nu gemachtigde meent dat er nog stukken ontbreken. De
Commissie heeft per e-mail van 16 oktober 2025 bericht dat zij bij haar beslissing blijft om de advisering voort te zetten. - Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Compleetheid dossier
Gemachtigde heeft op de hoorzitting aangevoerd dat het dossier ongerijmdheden bevat met betrekking tot de aanvraag van de KOT en de uitbetalingen van de KOT. Het dossier bevat enkel een XML-bestand met een aanvraag die dateert van 10 juni 2011 (productie 1210003), terwijl de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) reeds bij beschikking van 25 juni 2010 KOT heeft toegekend aan belanghebbende (productie 1210001). In diezelfde beschikking wordt vermeld dat de KOT wordt overgemaakt op een rekeningnummer. Dat wijkt af van het rekeningnummer waarop de KOT volgens het LIC-overzicht is uitbetaald (productie 2700001) en het rekeningnummer dat wordt vermeld in het XML-bestand.
De Commissie volgt het standpunt van gemachtigde in die zin dat het dossier dient te worden aangevuld met stukken die de genoemde ongerijmdheden ophelderen. Zo ontbreekt in ieder geval de initiële aanvraag kinderopvangtoeslag. Het standpunt van UHT dat dit in 2011 met terugwerkende kracht is aangevraagd is onjuist nu uit het dossier volgt dat er al in 2010 een beschikking is genomen en uitbetalingen zijn gedaan. Hier moet dus een aanvraag aan ten grondslag liggen. Dit kan ook de kwestie van het rekeningnummer ophelderen. De Commissie adviseert UHT om in de beslissing op bezwaar de nodige gegevens en een toelichting hierop te verstrekken, teneinde te voldoen aan de verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
Omdat de Commissie van oordeel is dat de thans overgelegde stukken voldoende
onderbouwing geven voor de conclusie dat het bestreden besluit in stand dient te blijven en de nieuwe stukken die conclusie niet kunnen veranderen adviseert zij om de stukken bij de beslissing op bezwaar toe te voegen. De Commissie zal hieronder nader toelichten waarom het bestreden besluit volgens haar in stand dient te blijven.
Vooringenomenheid en hardheid
In het bestreden besluit is door UHT aangenomen dat B/T niet vooringenomen heeft gehandeld bij het op nihil stellen van de KOT voor het jaar 2010. Volgens UHT was de nihilstelling gerechtvaardigd door de vaststelling dat het kind van belanghebbende niet bekend was bij de kinderopvang.
De Commissie is van oordeel dat sprake is van een aanwijzing van vooringenomen
handelen, omdat uit de beschikbare informatie niet volgt dat belanghebbende
voorafgaand aan de nihilstelling in de gelegenheid is gesteld om haar recht op KOT aan te tonen. Toekenning van compensatie blijft echter, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregelmatigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. De Commissie is van mening dat dit het geval is voor toeslagjaar 2010, omdat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang in dit jaar. Dat blijkt uit hetgeen zij tijdens de integrale beoordeling heeft verklaard en uit het feit dat zij in dit verband strafrechtelijk is veroordeeld. In bezwaar heeft belanghebbende hierover nader verklaard dat haar indruk is gewekt dat opvang zou worden opgestart bij Kindcentrum [naam], maar dat van daadwerkelijke opvang niets terecht is gekomen. Niet in geschil is dus dat er geen opvang is afgenomen in het jaar
2010.
Ook bij een situatie van evident geen recht kan volgens het eigen beleid van UHT in
uitzonderlijke situatie sprake zijn van hardheid. De Commissie stelt vast dat niet, althans onvoldoende, is gebleken dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd. De Commissie begrijpt uit het verhaal van belanghebbende dat een onbekende derde namens haar KOT heeft aangevraagd zonder dat belanghebbende daarvoor gebruik maakte van kinderopvang. Belanghebbende heeft verklaard dat zij het ontvangen geld zelf aan de derde heeft overgemaakt dan wel op een andere wijze aan de derde heeft gegeven. De Commissie heeft er oog voor dat belanghebbende bij deze gang van zaken kennelijk is misleid door een derde, maar is van mening dat dit niet kan worden gerelateerd aan een te harde uitwerking van het wettelijk systeem van de KOT.
Nu belanghebbende herhaaldelijk heeft verklaard de KOT wel zelf te hebben ontvangen en aan een derde te hebben betaald is de kwestie van de verschillende rekeningnummers wel relevant, maar staat in ieder geval vast dat de KOT door belanghebbende is ontvangen. Deze kwestie kan daarom bij de beslissing op bezwaar worden opgehelderd. Belanghebbende komt dus niet in aanmerking voor compensatie op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
O/GS-tegemoetkoming
Belanghebbende stelt dat aannemelijk is dat zij destijds om een persoonlijke
betalingsregeling verzocht heeft, omdat zij in de schuldsanering heeft gezeten. Nu aan haar geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend, stelt zij in aanmerking te komen voor een O/GS-tegemoetkoming.
De Commissie overweegt in de eerste plaats dat niet is gebleken dat sprake was van een onterechte O/GS-kwalificatie (productie 1300001). De Commissie overweegt verder dat voor de aannemelijkheid dat een betalingsregeling is gevraagd de enkele stelling van belanghebbende niet voldoende is. In het dossier zijn geen stukken of aanwijzingen aangetroffen waarin uit dergelijk verzoek volgt. Ook acht de Commissie de omstandigheid dat belanghebbende in de schuldsanering heeft gezeten onvoldoende voor de aannemelijkheid van die stelling. De Commissie ziet daarom geen aanleiding voor het toekennen van een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.6 van de Wht. Het bezwaar treft geen doel.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren. Daarnaast adviseert de Commissie bij de beslissing op bezwaar nadere gegevens te verstrekken over de KOT-aanvraag dan wel aanvragen en de uitbetalingen van de KOT.
Secretaris
Fungerend voorzitter