BAC 2023-12933
Publicatiedatum 04-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 16 maart 2023 (UHT-DCHA)
Hoorzitting: 1 december 2025
Overdracht advies aan UHT: 6 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskosten-vergoeding af te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 16 maart 2023, met kenmerk UHT-DCHA, waarbij aan belanghebbende is meegedeeld, dat aan haar met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie wordt toegekend voor de jaren 2017 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 13 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2017 tot en met 2019.
- UHT heeft bij besluit van 1 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-, als bedoeld in de Catshuisregeling.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 27 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij bestreden besluit van 16 maart 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2017, 2018 en 2019.
- Gemachtigde heeft bij brief van 24 april 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 25 juli 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 6 juni 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 1 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens belanghebbende blijkt niet dat er een gedegen onderzoek is gedaan naar haar specifieke omstandigheden. Een dergelijke beoordeling vereist een duidelijke en gedetailleerde motivering, waarin wordt ingegaan op alle relevante feiten en omstandigheden van de zaak. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. In de beschikking van 16 maart 2023 is per toeslagjaar uitgelegd waarom belanghebbende geen recht heeft op compensatie. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Alle van belang zijnde producties zijn op 9 september 2025 aan gemachtigde toegezonden. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en ruim gelegenheid gehad om daarop te reageren. Uit hetgeen belanghebbende en UHT naar voren hebben gebracht blijkt niet dat er nog stukken in het dossier ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest voor het door UHT genomen besluit. Naar het oordeel van de Commissie is daarmee in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. De Commissie overweegt dat, voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, die gebreken in de beslissing op bezwaar door UHT kunnen worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Recht op compensatie
Belanghebbende stelt dat de beslissing van UHT, dat zij geen recht heeft op compensatie, onjuist is. De Commissie bespreekt hieronder de toeslagjaren 2017 tot en met 2019, waarvoor UHT geen compensatie heeft toegekend en overweegt daarbij het volgende.
Toeslagjaar 2017
De Commissie leidt uit het ouderdossier af dat voor toeslagjaar 2017 één neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden die verband houdt met de stopzetting van de KOT. Er zijn geen aanwijzingen dat B/T bij deze bijstelling onzorgvuldig of vooringenomen heeft gehandeld. De KOT voor dit jaar is vastgesteld aan de hand van door belanghebbende zelf door gegeven informatie en de KOI-viewer. Verder heeft in dit toeslagjaar geen terugvordering of verlaging van € 1.500 of meer plaatsgevonden. De voorwaarden voor toepassing van de hardheidsregeling zijn dus niet vervuld. De Commissie constateert dat geen sprake is van een onterechte O/GS-kwalificatie. Belanghebbende komt daarom evenmin in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming. De Commissie merkt op dat belanghebbende in het toeslagjaar 2017 zelf KOT heeft aangevraagd met ingang van 1 mei 2017. Alle in dat jaar doorgevoerde wijzigingen zijn eveneens door belanghebbende zelf ingediend via het daarvoor bestemde systeem. De door belanghebbende aangeleverde gegevens kwamen aanvankelijk niet overeen met de informatie zoals die was geregistreerd in de KOI-viewer. Dit kwam doordat feitelijk meer opvanguren werden afgenomen dan eerder door belanghebbende waren opgegeven. Hierna zijn de gegevens dienovereenkomstig aangepast. De Commissie heeft geen aanwijzingen dat belanghebbende hiervan nadeel heeft ondervonden. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2018
In toeslagjaar 2018 hebben er drie neerwaartse bijstellingen van de KOT plaatsgevonden. De neerwaartse bijstelling van 23 juli 2018 was het gevolg van de wijziging in opvanguren die belanghebbende op 29 juni 2018 had doorgegeven. De neerwaartse bijstelling van 21 september 2018 was het gevolg van de stopzetting door belanghebbende met ingang van 27 augustus 2018. Bij de definitieve beschikking van 2 augustus 2019 is de KOT neerwaarts bijgesteld vanwege een gewijzigd toetsingsinkomen. Gelet op het voorgaande, en bij gebrek aan duidelijke in een andere richting wijzende gegevens, is de Commissie van opvatting dat er geen sprake is geweest van vooringenomen handelen noch van hardheid. Voor zover over dit toeslagjaar terugvorderingen hebben plaatsgevonden, zijn deze – zoals hierboven uiteengezet – het gevolg van te hoge voorschotten die op basis van reguliere bijstellingen opnieuw zijn berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. Van bijzondere omstandigheden waarom hier in het geval van belanghebbende niet aan zou mogen worden vastgehouden is niet gebleken.
Er was ook geen sprake van een onterechte kwalificatie O/GS, zodat geen aanspraak bestaat op een tegemoetkoming.
Toeslagjaar 2019
Gelet op het bepaalde in artikel 2.1 lid 1, Wht, ziet de onderhavige bezwaarprocedure uitsluitend op de vraag of vóór 23 oktober 2019 sprake was van vooringenomen handelen dan wel van hardheid. De bezwaargrond van belanghebbende ten aanzien van het toeslagjaar 2019 kan niet tot het gewenste resultaat leiden, nu deze ziet op de definitieve beschikking van 7 augustus 2020 (toeslagjaar 2019) en daarom buiten de reikwijdte van de Wht valt. Niet aannemelijk is geworden dat de neerwaartse bijstelling verband houdt met vooringenomen handelen vóór 23 oktober 2019. Daarbij merkt de Commissie op dat de melding die leidde tot de definitieve beschikking van 7 augustus 2020, op 26 mei 2020 (dus na 23 oktober 2019) is opgevoerd op basis van de gegevens van de kinderopvangorganisatie. De Commissie adviseert UHT om de bezwaren op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Hardheidsclausule uit artikel 9.1 Wht
Belanghebbende stelt dat UHT ten onrechte de criteria van de hardheidsclausule uit artikel 9.1 Wht niet objectief en transparant in deze zaak heeft toegepast.
Belanghebbende meent dat daardoor haar gerechtvaardigd vertrouwen in een zorgvuldige behandeling van haar zaak is geschonden. De Commissie overweegt dat toepassing van de hardheidsclausule aan de orde is indien strikte toepassing van de wet of de beleidsregels zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. In dit geval is, zoals hiervoor overwogen, aan belanghebbende terecht geen compensatie toegekend over de jaren 2017 tot en met 2019. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd dat in haar geval sprake is van bijzondere of uitzonderlijke omstandigheden, op grond waarvan de hardheidsclausule uit artikel 9.1 Wht toch op haar van toepassing zou zijn.
De Commissie komt daarom tot de conclusie dat een beroep op de hardheidsclausule niet kan slagen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Geen proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter