Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12928

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 15 februari 2023 met kenmerk (UHT-DH A)

Hoorzitting: 24 oktober 2025 om 10:00 uur

Overdracht advies aan UHT: PM

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking in stand te laten.

Onderwerp van advies

Het door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 15 februari 2023 met kenmerk UHT-DH A. Hierbij is aan belanghebbende met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 4 februari 2021 telefonisch verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016. In overleg met belanghebbende is het verzoek uitgebreid naar de periode 2010 tot en met 2019.
  • UHT heeft bij besluit van 30 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 27 januari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de toeslagjaren 2010 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij besluit van 15 februari 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2010 tot en met 2019.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 17 maart 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 5 oktober 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 17 maart 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 22 oktober 2025 heeft UHT, daartoe door de Commissie verzocht, een nadere schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 24 oktober 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Naar aanleiding van de hoorzitting stelt de Commissie vast dat de jaren 2010, 2013, 2015 en 2016 niet meer in geschil zijn. Gelet hierop ziet de Commissie zich voor de beantwoording van de vraag gesteld of UHT terecht en op goede gronden tot haar beslissing is gekomen om de jaren 2011, 2012, 2014 en 2017 tot en met 2019 niet als, kortweg, compensatiejaren aan te merken.

Toeslagjaren 2011 en 2012
Belanghebbende voert aan dat de KOT in 2011 en 2012 in strijd met artikel 15, lid 5 en 6 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) ten onrechte niet automatisch is gecontinueerd. Zij stelt dat B/T onzorgvuldig heeft gehandeld door niet uit te vragen of zij de KOT wenste te continueren. Het niet uitvragen is volgens belanghebbende een reden om compensatie toe te kennen vanwege vooringenomen handelen dan wel hardheid van de toepassing van het wettelijk stelsel. Belanghebbende stelt dat zij schade heeft geleden doordat de voorschotbedragen te laat zijn uitgekeerd en dat zij daardoor veel stress heeft ervaren.

Ingevolge artikel 15, lid 5, Awir, moet een aanvraag worden geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren. Ingevolge artikel 15, lid 6, Awir geldt dat, indien de Dienst Toeslagen van oordeel is dat toepassing van het vijfde lid kan worden beëindigd, hij dit de belanghebbende schriftelijk meedeelt.

UHT heeft in de nadere beschouwing van 22 oktober 2025 en tijdens de hoor-zitting toegelicht dat automatische continuering plaatsvindt aan het einde van elk berekeningsjaar, wanneer de beschikbare gegevens daartoe aanleiding bieden.
In dit geval heeft belanghebbende pas in 2011 voor het eerst KOT aangevraagd voor berekeningsjaar 2010, waarvan op 21 mei 2011 de eerste voorschot-beschikking is afgegeven. Om deze reden was eind 2010 nog geen beschikking voorhanden op grond waarvan KOT in 2011 kon worden gecontinueerd. Voor de KOT 2011 was dan ook een nieuwe aanvraag vereist. Deze aanvraag heeft belanghebbende eerst op 24 oktober 2011 ingediend. Het is door belanghebbende niet weersproken dat deze aanvraag onvolledig was. Zo ontbrak een ingangsdatum van de kinderopvang en was geen geldig LRK nummer opgegeven. Nadat B/T belanghebbende diverse malen heeft verzocht om deze informatie te verstrekken, lag pas op 9 mei 2012 een volledige aanvraag voor, op grond waarvan op 25 oktober 2012 door B/T de eerste voorschotbeschikking is afgegeven.
De Commissie volgt het standpunt van UHT dat B/T mocht afgaan op door belanghebbende in de aanvraag verstrekte gegevens, waaronder de daarin vermelde ingangsdatum kinderopvang op 1 september 2011. De vertraging in de afhandeling van de aanvraag is niet het gevolg van vooringenomen handelen door B/T, maar van gebreken in de aanvraag waarbij B/T belanghebbende voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om deze gebreken te herstellen. Dat belanghebbende, zoals zij stelt, van buitenlandse afkomst is, de taal niet goed machtig is en niet bekend was met de regelgeving rondom de KOT vindt de Commissie op zichzelf niet onbegrijpelijk maar deze omstandigheden zijn, ook tezamen genomen, geen reden om aan te nemen dat B/T in dit geval jegens haar vooringenomen heeft gehandeld of dat sprake is van hardheid in de toepassing van het wettelijk stelsel.

Uit het voorstaande volgt dat eind 2011 geen beschikking voorlag of had moeten voorliggen met betrekking tot KOT 2011, op grond waarvan KOT voor 2012 automatisch had kunnen worden gecontinueerd. Voor 2012 was daarom een nieuwe aanvraag vereist. Niet in geschil is dat belanghebbende pas op
23 november 2012 op Regiokantoor Den Haag een aanvraag heeft ingediend voor KOT 2012 en dat deze, gelet op de toen geldende regelgeving, met niet langer dan één maand terugwerkende kracht kon worden aangevraagd. Op grond van deze aanvraag is op 5 februari 2013 een voorschotbeschikking afgegeven.
De Commissie volgt UHT in het standpunt dat deze omstandigheden niet kunnen leiden tot de conclusie dat B/T tegenover belanghebbende vooringenomen zou hebben gehandeld of dat sprake is van hardheid in de toepassing van het wettelijk stelsel. De Commissie neemt hierbij in aanmerking dat B/T, op grond van het door belanghebbende ingediende bezwaar, alsnog voor het hele jaar 2012 KOT heeft toegekend. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in zoverre ongegrond te verklaren.

Toeslagjaren 2014 en 2017
Belanghebbende stelt dat de KOT in de jaren 2014 en 2017 met een veel te hoog voorschotbedrag is gecontinueerd en dat B/T daarmee onzorgvuldig heeft gehandeld.

De Commissie overweegt dat UHT op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende duidelijk heeft onderbouwd dat genoemde voorschotbedragen waren gebaseerd op de laatstelijk bij B/T bekende gegevens met betrekking tot het aantal afgenomen opvanguren, het gehanteerde uurtarief en het toetsings-inkomen. De nadien door belanghebbende opgegeven wijzigingen in deze gegevens zijn door B/T tijdig verwerkt en de voorschotbedragen zijn dienovereenkomstig aangepast. De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat de B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2014 en 2017 vooringenomen of onzorgvuldig heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt.
De terugvordering van de KOT over deze toeslagjaren was gebaseerd op de vaststelling dat er een te hoog voorschot was toegekend. Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeen-stemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding.

Toeslagjaar 2018
Met betrekking tot toeslagjaar 2018 betoogt gemachtigde dat de neerwaartse correcties zijn gebaseerd op onjuiste gegevens uit de KOI-viewer. Belanghebbende stelt dat de kinderopvanginstelling haar verplichtte om minimaal 3 uur per dag af te nemen en dat dit niet overeenkomt met de 10 opvanguren per maand zoals blijkt uit de KOI viewer.

De Commissie stelt met UHT vast dat belanghebbende op 1 maart 2018 zelf een wijziging in het aantal opvanguren heeft doorgegeven aan B/T van 30 naar 15 uren opvang. Uit de gegevens van de KOI viewer 2018 blijkt dat gemiddeld maandelijks 10 opvanguren zijn afgenomen. De Commissie volgt UHT in haar standpunt dat B/T geen reden had om aan de gegevens van de kinderopvanginstelling te twijfelen, nu het ging om een kleine afwijking in vergelijking met het door belanghebbende zelf opgegeven aantal opvanguren. Naar het oordeel van de Commissie leidt dit niet tot de conclusie dat sprake was van vooringenomen handelen door B/T waardoor recht zou bestaan op compensatie. De Commissie adviseert om dit bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2019
Met betrekking tot toeslagjaar 2019 volgt de Commissie UHT in haar standpunt dat dit jaar buiten de beoordeling van de herstelregeling valt. De neerwaartse correctie heeft plaatsgevonden bij definitieve beschikking van 13 februari 2021 en dit is ná de in artikel 2.1, eerste lid, onder a. van de Wet hersteloperatie toeslagen neergelegde peildatum van 23 oktober 2019. Het is de Commissie niet gebleken dat de neerwaartse bijstelling verband houdt met handelen van B/T daterend van vóór 23 oktober 2019.

De Commissie adviseert UHT om de bezwaren ten aanzien van dit toeslagjaar eveneens ongegrond te verklaren.

Verrekening met andere toeslagen
Met betrekking tot het betoog van belanghebbende dat zij in financiële problemen is geraakt doordat terug te vorderen bedragen zijn verrekend met onder meer zorgtoeslag en kindgebonden budget van belanghebbende, stelt de Commissie op grond van de LIC overzichten vast dat de verrekening van de neerwaartse correcties slechts heeft plaatsgevonden met andere verleende KOT bedragen en dat terug te vorderen bedragen niet zijn verrekend met andere inkomensafhankelijke toeslagen. De Commissie volgt het standpunt van UHT dat B/T hiertoe op grond van artikel 30, eerste lid, van de Awir bevoegd was. Niet is gebleken dat in dit geval niet van deze bevoegdheid gebruik had kunnen worden gemaakt. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar ook op dit punt ongegrond te verklaren.

Vergoeding proceskosten
Nu de bezwaren naar de mening van de Commissie ongegrond zijn, bestaat er geen recht op vergoeding voor de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren, de bestreden beschikking in stand te laten en geen vergoeding toe te kennen voor de kosten van verleende rechtsbijstand.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter