Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12912

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 29 maart 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: n.v.t.

Overdracht advies aan UHT: n.v.t.

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen het besluit van 29 maart 2023 waarbij belanghebbende is meegedeeld:

  • dat er bij de herbeoordeling over de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 niet is gebleken van fouten en dat belanghebbende daarom niet in aanmerking komt voor compensatie.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag (hierna: KOT).
  • Op 9 maart 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat er voor de toeslagjaren 2006 en 2011 reguliere correcties hebben plaatsgevonden vanwege wijzigingen die belanghebbende heeft doorgegeven en dat de KOT is vastgesteld met inachtneming van de gegevens van de kinderopvanginstelling en van het toetsingsinkomen. De CvW is van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de definitief vastgestelde bedragen aan KOT voor de toeslagjaren 2006 tot en met 2011 onjuist zijn of dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) voor deze jaren institutioneel vooringenomen heeft gehandeld.
  • Bij brief van 29 maart 2023 is vorenstaand besluit meegedeeld aan belanghebbende.
  • Bij brief van 31 maart 2023 heeft gemachtigde bezwaar gemaakt.
  • Bij brief van 3 juli 2024 heeft gemachtigde aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
  • Op 18 maart 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
  • Op 7 november 2025 heeft gemachtigde meegedeeld de hoorzitting niet bij te wonen. De Commissie ziet daarom met toepassing van artikel 7:3 aanhef en onderdeel c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) af van het horen van belanghebbende.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Herbeoordeelde toeslagjaren

Met betrekking tot toeslagjaar 2006 hebben er geen neerwaartse correcties plaatsgevonden. Daarnaast is niet gesteld dat sprake is van andere omstandigheden die een aanleiding kunnen vormen voor het toekennen van compensatie. Compensatie is in dat geval niet aan de orde.

De KOT voor 2007, 2008, 2009, 2010 en 2011 is, naar op grond van de stukken aannemelijk is geworden, bijgesteld naar aanleiding van wijzigingen in het uurtarief, het aantal afgenomen uren en door belanghebbende doorgevoerde stopzettingen (zie onder meer producties 2700013 en 2700014). De Commissie heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de producties waaruit dit blijkt.

De slotsom is dat de verplichting tot terugbetaling van de KOT voor 2007 tot en met 2011 het gevolg is van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als institutioneel vooringenomen handelen. De reguliere correcties wijzen ook niet op onbillijkheden vanwege de hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast. Daarbij ligt het in de aard van een voorschot besloten dat de werkelijke, later vast te stellen, aanspraak op een lager bedrag uit kan komen. Aan een voorschot kan in beginsel niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat een definitieve aanspraak op een daarmee overeenstemmend bedrag bestaat.

De Commissie begrijpt dat het terugbetalen van de KOT voor belanghebbende niet gemakkelijk zal zijn geweest, maar haar situatie houdt uiteindelijk geen verband met de problematiek waarvoor de hersteloperatie in het leven is geroepen.

Belanghebbende heeft verder gesteld dat zij voor toeslagjaar 2011 in februari van dat jaar een stopzetting heeft doorgevoerd en dat deze pas in september 2011 is doorgevoerd. De terugvordering die hier het gevolg van is, is voor rekening van belanghebbende gekomen, terwijl de kinderopvanginstelling de KOT zou hebben ontvangen.

De Commissie overweegt dat blijkens het LIC-overzicht 2011 de KOT is overgemaakt naar het rekeningnummer van belanghebbende. Reeds om die reden kan deze grond van bezwaar niet slagen. De Commissie overweegt voorts dat belanghebbende de KOT voor [naam] heeft stopgezet met ingang van 15 februari 2011. Bij besluiten van 19 en 20 mei 2011 is de KOT hierop aangepast. Met ingang van 23 september 2011 is de KOT stopgezet voor het tweede kind van belanghebbende. Bij besluit van 8 oktober 2011 is de KOT hierop aangepast. Bij besluit van 3 maart 2015 is de KOT over 2011 definitief vastgesteld en is bepaald dat belanghebbende een bedrag moet terugbetalen van € 45.

In deze handelwijze van B/T ziet de Commissie geen aanwijzingen voor institutioneel vooringenomen handelen of dat B/T het stelsel te hard heeft toegepast. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Gemachtigde heeft ten slotte een verzoek gedaan tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand. Omdat het bezwaar ongegrond is, komt zij niet in aanmerking voor toekenning van een proceskostenvergoeding.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit niet te herroepen;
  • geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter