Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12887

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primaire besluiten: 28 november 2022 (UHT-DC I A; UHT-DH5 A; UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 3 december 2025

Overdracht advies aan UHT: 18 februari 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag van 28 november 2022 (bestreden besluiten).

Aan belanghebbende is bij de bestreden besluiten met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2012. Voor de jaren 2009 tot en met 2012 is aan belanghebbende wel een O/GS-tegemoetkoming toegekend voor een bedrag van €13.405,-. Dit bedrag is aangevuld tot €30.000,- op grond van de Catshuisregeling.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 24 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). De jaren 2008 tot en met 2012 zijn door UHT herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij besluit van 28 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 september 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat in de jaren 2009 tot en met 2012 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij de bestreden besluiten van 28 november 2022 met kenmerk UHT-DC-I A en UHT-DH5 A aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor de jaren 2009 tot en met 2012. Bij het bestreden besluit van 28 november 2022 met kenmerk UHT-O OGS B heeft UHT aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming toegekend van €13.405,-. Dit bedrag is aangevuld tot €30.000,-op grond van de Catshuisregeling.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 19 maart 2023, ingekomen op dezelfde dag, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 18 maart 2024, ingekomen op dezelfde dag, de gronden van het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 18 oktober 2024 in een beschouwing schriftelijk gereageerd op het bezwaar.
  • Op 20 november 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingediend.
  • Op 3 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 8 december 2025 heeft de Commissie de gemachtigde in de gelegenheid gesteld nadere stukken in te dienen. Gemachtigde heeft hierop op 10 december 2025 gereageerd zonder toevoeging van nadere stukken. Vervolgens heeft UHT op 22 december 2025 een aanvullende reactie ingezonden met bijbehorende producties.
  • De Commissie heeft op 12 januari 2026 aan partijen medegedeeld dat zij zich voldoende geïnformeerd acht en tot advisering zal overgaan.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de gronden van het bezwaar en de bestreden besluiten

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende O/GS-tegemoetkoming voor de jaren 2009 tot en met 2012 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie op een andere grond voor de jaren 2009 tot en met 2012 af te wijzen.

Op de hoorzitting heeft gemachtigde verklaard dat de bezwaargronden niet gericht zijn tegen de toeslagjaren 2009 en 2010. Naar aanleiding van de hoorzitting heeft UHT alsnog de nog niet beoordeelde toeslagjaren tussen 2005 en 2019 beoordeeld.

Uitgezonderd 2008 is daarbij gebleken dat voor die jaren geen kinderopvang toeslag is aangevraagd of over die jaren beschikkingen zijn gegeven. De beoordeling van het jaar 2008 houdt in dat UHT zich op het standpunt stelt dat geen sprake is geweest van vooringenomenheid of een onterechte O/GS kwalificatie. Evenmin is sprake van hardheid omdat minder dan € 1.500 te veel aan de kinderopvanginstelling is overgemaakt. De Commissie zal deze toeslagjaren daarom buiten beschouwing laten en haar beoordeling beperken tot de toeslagjaren 2008, 2011 en 2012.

Op de zaak betrekking hebbende stukken en volledig dossier

Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie stelt vast dat de beschouwing van UHT en de daaraan ten grondslag gelegde stukken aan belanghebbende zijn toegezonden. De Commissie vindt dat UHT hiermee heeft voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.

Toeslagjaar 2008

Op de hoorzitting heeft gemachtigde aangevoerd dat sprake is van hardheid, omdat de KOT rechtstreeks aan de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) is betaald en er vervolgens bedragen van belanghebbende zijn teruggevorderd

UHT stelt zich op het standpunt dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie op grond van hardheid, omdat het verschil tussen de opvangkosten en de werkelijke kosten niet meer dan €1.500,- bedragen (productie 98).

De Commissie overweegt hierover als volgt.

Gevallen waarin de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de KOI maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kunnen volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT - een bijzondere omstandigheid opleveren die aanleiding geeft tot recht op compensatie wegens hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste €1.500,- is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste €1.500,- teveel is uitbetaald aan de KOI en niet ten goede is gekomen aan belanghebbende. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.

De Commissie volgt UHT in het standpunt dat in dit geval, gegeven deze praktijk, geen aanspraak bestaat op compensatie wegens hardheid van het stelsel. UHT heeft de berekening voor het jaar 2008 nader toegelicht. Voor dit jaar is aannemelijk geworden dat het bedrag dat teveel is uitgekeerd aan de KOI en niet aan belanghebbende ten goede is gekomen, lager was dan €1.500,-. Dit leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de hiervoor beschreven eisen van UHT voor toekenning van compensatie wegens hardheid van het stelsel.

Voorts heeft de Commissie in de stukken en datgene wat op de zitting is besproken ook geen aanleiding kunnen vinden voor de opvatting dat UHT hier ten gunste van belanghebbende van deze praktijk had moeten afwijken. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT dat de op 2008 betrekking hebbende bezwaargrond niet tot gegrondheid van het bezwaar kan leiden.

Beoordeling evident geen recht op KOT in 2011 en 2012

Naar vaste advieslijn van de BAC mag UHT aan een belanghebbende tegenwerpen dat in een bepaalde periode evident geen recht op KOT bestond indien sprake is van een aan de belanghebbende te verwijten ernstige onregelmatigheid. Dit is het geval als de ouder heeft beseft of had moeten beseffen dat hij toen evident geen recht had op KOT.

De bewijslast dat evident geen recht bestaat op KOT ligt bij B/T.

Het enkele feit dat opvanggegevens in de KOI-viewer ontbreken is onvoldoende om evident geen recht aan te nemen. Partijen verschillen van mening over de vraag of UHT aan belanghebbende in dit geval mag tegenwerpen dat in de jaren 2011 en 2012 sprake was van evident geen recht op KOT.

UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2014 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2015 blijkt dat belanghebbende in 2011 en 2012 geen kinderopvang heeft afgenomen (pagina’s 54 en 55 van het dossier). UHT heeft daarnaast aanvankelijk aangevoerd dat de KOI waarvan gebruik zou zijn gemaakt niet voorkomt in het Landelijk Register Kinderopvang (hierna: LRK) wat sinds 1 januari 2011 een verplichting is. Later is UHT daarvan teruggekomen. UHT heeft verder aangevoerd dat uit de KOI-viewer niet blijkt dat na 1 oktober 2010 kinderopvang is afgenomen bij [naam kinderopvanginstelling].

Belanghebbende heeft aangevoerd dat in 2011 en 2012 wel kinderopvang is afgenomen. Zij kan dat echter niet meer aantonen aangezien door faillissement van de KOI de benodigde administratieve gegevens teloor zijn gegaan. Zij heeft een mailwisseling overgelegd waaruit blijkt dat deze gegevens niet meer kunnen worden achterhaald bij de rechtsopvolger van [naam kinderopvanginstelling]. Belanghebbende heeft verder aangevoerd dat UHT zich ten onrechte beroept op de beide gerechtelijke uitspraken omdat die niet gaan over het recht op KOT, maar over afgewezen betalingsregelingen. Zij stelt zich op het standpunt dat de daarin bedoelde verklaring van haar echtgenoot onjuist is en dat deze is gedaan zonder bijstand van een tolk. Zij heeft geprobeerd betaalbewijzen van de kinderopvang te achterhalen, maar dat is niet gelukt omdat afschriften van meer dan 10 jaar geleden door de bank niet meer kunnen worden verstrekt.

De Commissie overweegt hierover het volgende.

De bewijslast dat evident geen recht op KOT bestaan berust op UHT. De Commissie stelt vast dat de uitspraak van de rechtbank vermeldt dat belanghebbende bij brief van 17 juni 2013 een betalingsregeling heeft aangevraagd voor de KOT 2011, dat zij in die brief heeft verklaard dat zij voor haar dochter in dat jaar gebruik heeft gemaakt van kinderopvang, maar dat zij hiervan geen bewijsstukken meer kan overleggen (r.o. 8).

De Commissie stelt verder vast dat belanghebbende in bezwaar heeft aangevoerd dat zij het eens is met de terugbetaling van “het totale bedrag” van de terugvordering 2011, maar dat zij daarvoor niet de middelen heeft. Er is volgens haar geen sprake geweest van opzet of grove schuld. Zij heeft een aantal malen geprobeerd om de KOT stop te zetten, maar dat is haar niet gelukt. De rechtbank heeft overwogen en geoordeeld dat uit de door haar ingediende wijzigingen niet blijkt dat belanghebbende in het jaar 2011 de KOT heeft beëindigd of heeft willen beëindigen.

Wel is de rechtbank gebleken dat met gebruikmaking van de DigiD van belanghebbende de KOT op 9 november 2011 is verhoogd, terwijl haar echtgenoot ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat in het jaar 2011 geen gebruik is gemaakt van kinderopvang.

De Commissie stelt verder vast dat de Afdeling bestuursrechtspraak in haar uitspraak van 25 maart 2015 heeft overwogen dat niet in geschil is dat belanghebbende in 2012 geen gebruik heeft gemaakt van gastouderopvang of opvang in een kindcentrum (r.o. 5.3) en dat, zoals ter zitting bij de rechtbank is toegegeven, in het berekeningsjaar 2011 geen gebruik is gemaakt van gastouderopvang of opvang in een kindcentrum.

De Commissie is van oordeel dat het er, gelet op de in deze uitspraken vermelde feiten, voor moet worden gehouden dat belanghebbende in 2011 en 2012 geen kinderopvang heeft afgenomen. Zij weegt daarbij mee dat de verklaring van de echtgenoot weliswaar zonder bijstand van een tolk is afgelegd, maar dat zij zelf blijkens de uitspraak van 28 januari 2014 heeft verklaard dat zij het eens is met de terugbetaling van het totale terugvorderingsbedrag over het jaar 2011, dat zij een paar maal heeft geprobeerd de KOT stop te zetten, maar dat dit haar niet is gelukt. Dat de gerechtelijke uitspraken niet over het terugvorderingsrecht, maar over een betalingsregeling gaat, maakt niet dat aan de overwegingen daarin geen betekenis zou toekomen. Onder deze omstandigheden gaat de Commissie voorbij aan de bewijsnood van appellante dat zij betalingen voor kinderopvang niet meer kan aantonen door het tijdsverloop. Derhalve adviseert de Commissie aan UHT dat bovenbedoelde bezwaargrond niet tot gegrondverklaring van het bezwaar kan leiden.

Proceskostenvergoeding

Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van de bij bezwaar bestreden besluiten. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter