BAC 2023-12884
Publicatiedatum 09-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluiten: 6 maart 2023 (UHT-DC I A, UHT-DC I, UHT-DHS A en UHT-DH A)
Hoorzitting: 21 maart 202S om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 11 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door voormalig gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen beschikking met het kenmerk UHT-DC I. Hierbij is aan belanghebbende over de toeslagjaren 2007, 2011, 2012 en 2013 een compensatiebedrag van € 64.843,- toegekend. Bij de beschikkingen met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH A en UHT-DHS A is geweigerd compensatie toe te kennen voor de jaren 2008 tot en met 2010 en 2014 tot en met 2019.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overleg met belanghebbende heeft de herbeoordeling plaatsgevonden over de jaren 2007 tot en met 2019.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) niet van toepassing is voor de jaren 2008 tot en met 2010 en 2014 tot en met 2019.
- UHT heeft bij de beschikking van 6 maart 2023 (UHT-DC I) aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 64.843,- voor de jaren 2007, 2011, 2012 en 2013. Bij beschikkingen van 6 maart 2023 met kenmerken UHT-DC-I A, UHT-DH A en UHT-DHS A heeft UHT compensatie voor de jaren 2008 tot en met 2010 en 2014 tot en met 2019 geweigerd.
- De voormalig gemachtigde heeft bij brief van 14 april 2023 tegen deze vier beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
- Bij brief van 18 juli 2023 heeft de voormalig gemachtigde het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 10 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 12 februari 202S heeft [naam] zich gesteld als gemachtigde van belanghebbende (hierna: gemachtigde).Op 21 maart 202S heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden besluiten
Onderliggend dossier
Belanghebbende verzoekt een afschrift van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. De schriftelijke beschouwing van UHT en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 10 april 2024 aan de voormalig gemachtigde toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Inhoudelijke bezwaren
De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikkingen en de daartegen aangevoerde bezwaren, in de eerste plaats gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht geen compensatie heeft toegekend voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 en 2014 tot en met 2019.
Afgewezen toeslagjaren
Toeslagjaren 2008 tot en met 2010
Belanghebbende heeft, in de kern samengevat, betoogd dat ook de toeslagjaren 2008 tot en met 2010 als compensatiejaren moeten worden aangemerkt. UHT heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze jaren sprake is geweest van reguliere correcties.
De Commissie stelt vast dat belanghebbende desgevraagd een jaaropgave van 2008 van Impuls aan B/T heeft opgestuurd, waarna de KOT bij definitieve beschikking van 13 november 2009 neerwaarts is bijgesteld op een bedrag van €1.074,-. Belanghebbende heeft tegen voornoemde beschikking bezwaar ingediend. Hangende de bezwaarprocedure heeft belanghebbende een jaaropgave over 2008 van [naam] aangeleverd. Op 24 juni 2011 is het bezwaar van belanghebbende kennelijk ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijsstukken ten aanzien van de KOT over het jaar 2008. Waarom B/T tot dit oordeel is gekomen, terwijl de gevraagde jaaropgave, naar volgt uit het door UHT ingebrachte dossier (zie pagina 369), is aangeleverd, is op geen enkele wijze duidelijk geworden. Ter zitting heeft de Commissie de artikelen 3.2.1 en 3.1.7 van het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT (versie 3.13) aan UHT voorgehouden, waarin is voorgeschreven dat het onterecht verzenden van een stopbrief is aan te merken als vooringenomen handelen door B/T. Op de vraag van de Commissie waarom in dit geval de voormelde beslissing op bezwaar van 24 juni 2011 niet kan worden gelijkgesteld met de in voornoemde artikelen genoemde stopbrief, heeft behandelend ambtenaar van UHT ter zitting geen antwoord kunnen geven. Ter zitting heeft UHT evenmin duidelijkheid kunnen verschaffen over de vraag of een relatie bestaat tussen het CAF-onderzoek naar [naam] en de neerwaartse bijstelling van de KOT over het jaar 2008. Bij deze feiten en omstandigheden kan vooringenomen handelen door B/T niet worden uitgesloten. Gelet op de onduidelijkheid ten aanzien van voormelde beslissing op het bezwaar en de samenhang met het CAF-onderzoek is de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Deze gebreken zijn door UHT in de beschouwing noch ter zitting hersteld. Deze gebreken dienen bij de beslissing op bezwaar dan ook alsnog te worden hersteld. Gelet hierop adviseert de Commissie om een en ander zorgvuldig te onderzoeken en in de beslissing op bezwaar ten aanzien van toeslagjaar 2008 een deugdelijke motivering te geven. Indien zij van mening blijft dat geen sprake is geweest van vooringenomenheid, dient UHT dit aan de hand van de bezwaargronden en hetgeen namens belanghebbende ter zitting naar voren is gebracht, alsnog nader te motiveren.
Ten aanzien van toeslagjaar 2009 stelt de Commissie vast dat belanghebbende de KOT per 1 december 2009 heeft stopgezet. Gevraagd naar de reden van de stopzetting, heeft de partner van belanghebbende ter zitting toegelicht dat de stopzetting van de KOT vermoedelijk verband hield met de problemen met de KOT in 2008.
Desgevraagd heeft UHT ter zitting niet kunnen toelichten of de stopzetting door de ouder verband hield met de beslissing op bezwaar van 24 juni 2011 en heeft zij toegezegd dit te zullen onderzoeken. De Commissie adviseert UHT om in haar beslissing op bezwaar in te gaan op het standpunt van belanghebbende dat ook het jaar 2009 als compensatiejaar moet worden aangemerkt, omdat de belanghebbende de KOT over het jaar 2009 mogelijk heeft stopgezet als direct gevolg van de problemen met de KOT in het jaar 2008.
Ten aanzien van toeslagjaar 2010 stelt de Commissie op grond van de stukken vast dat de wijzigingen waren te herleiden tot reguliere correcties als gevolg van een verhoging van het toetsingsinkomen, verlaging van de opvanguren van een van de kinderen van belanghebbende, stopzetting van de KOT voor het andere kind per
1 oktober 2010, en de stopzetting van de KOT voor beide kinderen per 1 december 2010. Het is niet aannemelijk geworden dat deze correcties het gevolg zijn van vooringenomen handelen of hardheid door de B/T. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2014 tot en met 2019
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij ten onrechte niet is gecompenseerd voor de toeslagjaren 2014 tot en met 2019. Daartoe verwijst belanghebbende naar de zienswijze van 14 juni 2022, waarin in de kern is betoogd dat in die periode ondanks meerdere verzoeken van belanghebbende geen betalingsregeling tot stand is gekomen. Daarnaast wordt aangevoerd dat in die periode sprake is geweest van een brede uitvraag van bewijsstukken. Gemachtigde heeft ter zitting aangevoerd dat in het dossier melding is gemaakt van het feit dat belanghebbende lang op voorschotten heeft moeten wachten omdat onderzoek werd gedaan naar fraude. De toeslagjaren 2014 tot en met 2019 zijn - blijkens het informatie- en beoordelingsformulier en de bestreden beschikkingen - wel in de herbeoordeling betrokken, maar daarin is niet op voornoemde bezwaren ingegaan.
Ook in de schriftelijke beschouwing en ter zitting heeft UHT niet gereageerd op de bezwaren. De Commissie adviseert UHT daarom om in de beslissing op bezwaar in te gaan op alle gronden, waaronder de gronden die belanghebbende in de zienswijze van 14 juni 2022 en ter zitting heeft aangevoerd ten aanzien van voormelde toeslagjaren. Mocht UHT van mening zijn dat geen sprake is van vooringenomenheid dan wel hardheid in de genoemde jaren, dan adviseert de Commissie dit zorgvuldig te onderzoeken en in de beslissing op bezwaar ter zake een draagkrachtige motivering te geven.
Beoordeling van de compensatieberekening
De Commissie ziet zich vervolgens, gelet op de inhoud van de bestreden beschikkingen en de daartegen aangevoerde bezwaren, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.
Compensatieberekening toeslagjaar 2012
Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de Commissie staat vast dat B/T over het toeslagjaar 2012 vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld. Ten aanzien van de compensatieberekening over toeslagjaar 2012 betoogt belanghebbende dat onderdeel e dient te worden bijgesteld naar € 27.748,-.
De Commissie is van opvatting dat terecht het bedrag van € 26.743,- is opgenomen onder onderdeel e. Op grond van artikel 2.3 lid 1 Wht is het bedrag onder a het bedrag dat als gevolg van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel niet is toegekend of is teruggevorderd. De KOT is bij beschikking van
21 juni 2012 vastgesteld op € 26.743,-. Dit is de laatste beschikking voorafgaand aan de beschikking van 21 september 2012, waarin de KOT op nihil werd gesteld. Dat blijkens het LIC-overzicht een bedrag van € 27.748,- is opgevoerd, waarvan een bedrag van € 1.005,- is afgeboekt, betekent niet dat belanghebbende daadwerkelijk een bedrag van € 27.748,- als gevolg van de vooringenomen handeling heeft moeten terugbetalen. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Rentevergoeding toeslagjaren 2007 en 2013
In haar schriftelijke beschouwing heeft UHT vastgesteld dat de rentevergoeding over de gemiste KOT over de jaren 2007 en 2013 (onderdeel o) te laag is vastgesteld. UHT heeft uiteengezet hoe zij deze berekening bij de beslissing op bezwaar in het voordeel van belanghebbende zal aanpassen. Het bezwaar op dit punt is dan ook in zoverre gegrond. De Commissie adviseert UHT daarom deze toezegging bij de beslissing op bezwaar gestand te doen en aan belanghebbende een nieuwe berekening ter hand te stellen.
Om die reden adviseert de Commissie UHT tevens om, in lijn met het beleid van UHT in gevallen waarin het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond wordt verklaard, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade (onderdeel n) - in afwijking van de Wht - als einddatum de datum van de beslissing op bezwaar zal worden gehanteerd. Daarnaast adviseert de Commissie om de aanvullende vergoeding van 1% over het subtotaal (onderdeel p) in de compensatieberekening eveneens aan te passen in de beslissing op bezwaar.
Rentevergoeding toeslag}aren 2011 en 2012
In de beschouwing heeft UHT toegelicht dat de rente voor gemiste KOT over de jaren 2011 en 2012 (onderdeel o) te hoog is vastgesteld. Nu aanpassing van dit onderdeel in strijd zou zijn met het verbod van reformatio in peius, heeft UHT toegezegd om het huidige bedrag te handhaven. De Commissie volgt UHT in dat standpunt.
Proceskostenvergoeding
Gelet op het vorenstaande adviseert de Commissie, de hiervoor geformuleerde vragen deels ontkennend beantwoordend, UHT om de bezwaren deels gegrond te verklaren en de bestreden beschikking met kenmerk UHT-DC I deels te herroepen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.
Uit het voorgaande volgt tevens dat de totstandkoming van de overige bestreden beschikkingen deels onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering deels niet voldoende deugdelijk. Deze gebreken zullen bij de beslissing op bezwaar moeten worden hersteld.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie UHT:
- het bezwaar tegen de beschikking met kenmerk UHT-DC I deels gegrond te verklaren en, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en het bestreden besluit in zoverre te herroepen;
- het bezwaar tegen de overige bestreden beschikkingen gegrond te verklaren;
- het bezwaar voor zo ver betrekking hebbend op het toeslagjaar 2010 ongegrond te verklaren;
- een proceskostenvergoeding toe te kennen zoals hiervoor omschreven.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter