BAC 2023-12874
Publicatiedatum 09-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 maart 2023 (UHT-DCH ZV)
Hoorzitting: 10 juni 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 23 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gericht tegen het besluit van 21 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV gedeeltelijk gegrond te verklaren. Voorts adviseert de Commissie een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het volgende door UHT genomen besluit.
De beschikking van 21 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV, waarin UHT heeft beslist dat aan belanghebbende een definitieve compensatie van € 32.182 voor het jaar 2010 en de periode juni tot en met december 2014 wordt toegekend.
De reden is dat Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) fouten heeft gemaakt bij het toekennen van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Voor de jaren 2012, 2013, de periode januari tot en met mei 2014 en het jaar 2015 wordt geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 23 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT. De herbeoordeling ziet op de jaren 2010, 2012, 2013, 2014 en 2015.
- Op 17 januari 2023 heeft de Commissie van Wijzen (hierna: CvW) advies uitgebracht. De CvW heeft overwogen, kort gezegd, dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor compensatie voor de jaren 2012 en 2013, de periode januari tot en met mei 2014 en het jaar 2015, nu er in deze jaren geen recht op KOT bestond.
- UHT heeft bij beschikking van 21 maart 2023 aan belanghebbende een compensatie van € 32.182 voor het jaar 2010 en de periode juni tot en met december 2014 toegekend. Voor de jaren 2012, 2013, de periode januari tot en met mei 2014 en het jaar 2015 komt belanghebbende niet in aanmerking voor compensatie.
- Op 26 april 2023 heeft gemachtigde namens belanghebbende een bezwaarschrift ingediend.
- Op 3 januari 2025 heeft UHT een schriftelijke reactie ingediend.
- Op 23 mei 2025 heeft gemachtigde aanvullende gronden ingediend. Belanghebbende heeft daarbij bovendien verzocht om het vonnis over de strafrechtelijke vervolging in verband met het ten onrechte ontvangen van de KOT.
- Op 10 juni 2025 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Het hoorverslag is bij dit advies gevoegd.
- De Commissie bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft dit bezwaar behandeld.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de beantwoording van de vragen of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend en of UHT terecht en op goede gronden heeft besloten dat belanghebbende geen compensatie krijgt toegekend voor de jaren 2012, 2013, de periode januari tot en met mei 2014 en het jaar 2015.
Tevens zal de Commissie ingaan op de overige gronden van bezwaar.
Definitieve compensatieberekening
Belanghebbende stelt het niet eens te zijn met het aan haar toegekende compensatiebedrag. De aan belanghebbende toegekende compensatie bestaat op grond van artikel 2.2 Wht uit verschillende componenten. De hoogte van die componenten is bepaald in artikel 2.3 Wht. In haar schriftelijke reactie heeft UHT de componenten en de hoogte hiervan concreet toegelicht. UHT heeft zich daarin op het standpunt gesteld dat de rentevergoeding gemiste KOT onjuist blijkt te zijn vastgesteld voor de jaren 2010 en 2014. Ingevolge artikel 2.3 lid 7 Wht wordt, kortweg, over het bedrag van de gemiste KOT als gevolg van de neerwaartse correctiebeschikking, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten overeenkomstige toepassing van artikel 27 Awir. In de compensatieberekening is de rente over de gemiste KOT opgenomen onder component o. UHT heeft in haar schriftelijke reactie opgemerkt dat in de nieuwe berekening voor bovenstaande jaren op een hogere rentevergoeding wordt uitgekomen, waardoor dit in de beslissing op bezwaar zal worden aangepast. Ditzelfde geldt voor de componenten a, c, e en h voor toeslagjaar 2014.
Voorts heeft UHT de Commissie meegedeeld dat UHT, indien een bezwaar (gedeeltelijk) gegrond is, bij de berekening van de vergoeding voor immateriële schade - in afwijking van de Wht - als einddatum zal hanteren de datum van de beslissing op het bezwaar.
Ten aanzien van de aanvangsdatum stelt UHT zich op het standpunt dat de gehanteerde datum van 18 april 2012 dient te worden aangepast naar 3 februari 2012. De Commissie heeft geen aanleiding UHT in bovenstaande standpunten niet te volgen. De Commissie adviseert UHT daarom aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar. De aanpassingen hebben tevens tot gevolg dat ook de aanvullende vergoeding van 1% wijzigt.
De overige bedragen in de compensatieberekening zijn vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen en definitieve beschikkingen.
De Commissie is van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke reactie, de betaal- en verrekenoverzichten en de overige producties, de compensatie-berekening en daarmee het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en in zoverre zorgvuldig tot stand is gekomen. Voorts overweegt de Commissie dat de schriftelijke reactie vergezeld is gegaan met stukken die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van het bestreden besluit. Deze, op de zaak betrekking hebbende, stukken zijn op 25 maart 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen.
De Commissie tekent hierbij nog aan dat het strafrechtelijk vonnis en de onderliggende opzet/grove schuld documentatie, waar gemachtigde om heeft verzocht, geen onderdeel zijn van de op de zaak betrekking hebben stukken, zoals hiervoor bedoeld, en dat de voor deze zaak relevante gegevens hieraan niet ontleend zijn, maar aan het zich in het dossier bevindende proces-verbaal.
De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Afgewezen toeslagjaren
Belanghebbende is van mening dat zij voor de jaren 2012, 2013, de periode januari tot en met mei 2014 en het jaar 2015 in aanmerking komt voor compensatie.
De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht, achterwege als sprake is van ernstige onregelmatigheden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de jaren 2012, 2013, de periode januari tot en met mei 2014 en het jaar 2015. Belanghebbende heeft verklaard (pagina 701 e.v. van het bezwaardossier) dat haar kinderen in de jaren 2012, 2013 en de periode januari tot en met mei 2014 geen opvang hebben genoten bij gastouderbureau X of elders geregistreerde kinderopvang is afgenomen. Daarnaast zou belanghebbende, zoals volgt uit haar eigen verklaringen, in het jaar 2012, de maanden januari, oktober tot en met december 2013 en het jaar 2014 geen werkzaamheden hebben verricht of tot een doelgroep behoren. Ten aanzien van toeslagjaar 2015 volgt uit het dossier dat belanghebbende op 5 maart 2015 de KOT per 1 maart 2015 heeft stopgezet.
Uit het dossier volgt niet dat belanghebbende in de maanden januari en februari 2015 werkzaamheden verrichtte of tot een doelgroep behoorde. Volgens beleid van UHT kan in uitzonderlijke situaties sprake zijn van hardheid. Niet, althans onvoldoende, is gebleken, dat belanghebbende in zodanige, voor de toepassing van dit beleid relevante, uitzonderlijke omstandigheden heeft verkeerd.
De Commissie tekent daarbij aan dat belanghebbende, in het door haar ondertekende proces-verbaal, heeft verklaard dat hoewel de KOT in de jaren 2012 tot en met 2014 werd overgemaakt naar gastouderbureau Y, zij 70% van het KOT-bedrag op haar rekening ontving.
Belanghebbende heeft de juistheid van bovenstaande standpunten niet bestreden. Belanghebbende komt daarom voor de jaren 2012, 2013, de periode januari tot en met mei 2014 en het jaar 2015 niet in aanmerking voor compensatie op grond van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Niet herbeoordeeld toeslag}aar
Gemachtigde heeft in deze bezwaarprocedure aangevoerd dat belanghebbende voor toeslagjaar 2016 ook een herbeoordeling wenst. De Commissie kan daarover pas een advies uitbrengen, als UHT na herbeoordeling van dit jaar een voor bezwaar vatbaar besluit heeft genomen. Indien deze herbeoordeling niet leidt tot een voor belanghebbende bevredigend besluit, dan kan zij, indien zij dat wenst, tegen die beschikking een bezwaarschrift indienen, waarna de Commissie daarover een advies zal uitbrengen.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit van 21 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gericht tegen het besluit van 21 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV gedeeltelijk gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter