Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12872

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 4 april 2023 (UHT-DCH ZV)

Hoorzitting: 27 juni 2025 om 11:00 uur

Overdracht advies aan UHT: 25 juli 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 4 april 2023 genomen beschikking met kenmerk UHT-DCH ZV. Hierbij is aan belanghebbende over het jaar 2006 een compensatie-bedrag van € 3.906,- toegekend en geen compensatie toegekend over de jaren 2007 tot en met 2009, 2011 en 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2007 tot en met 2012.
    In overleg met belanghebbende is dit verzoek uitgebreid met het jaar 2006.
  • Niet in geschil is dat het kind van belanghebbende in 2010 geen kinderopvang heeft genoten.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 17 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt stelt dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) niet van toepassing is voor de jaren 2007 tot en met 2009, 2011 en 2012.
  • UHT heeft bij beschikking van 4 april 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV aan belanghebbende een compensatie toegekend voor het jaar 2006 ter hoogte van € 3.906,-. Deze compensatie is op grond van de Catshuisregeling aangevuld tot een bedrag van € 30.000,-. Daarnaast heeft UHT bij deze beschikking geen compensatie toegekend voor de jaren 2007 tot en met 2009, 2011 en 2012.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 13 april 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 juli 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 16 december 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 27 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Onvolledig dossier, schending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende voert aan dat het bezwaardossier onvolledig is en dat daarom geen sprake is van een eerlijk proces. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 16 december 2024 aan gemachtigde toegezonden.
De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Daarnaast is met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de overzichten van het Landelijk Incassocentrum (LIC) - en de overige producties, in ieder geval thans geen sprake van strijd met het door belanghebbende genoemde zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Inhoudelijke bezwaren

Beoordeling afwijzing compensatie 2008, 2009, 2011
Ter zitting heeft gemachtigde verklaard dat het bezwaar zich nog uitsluitend richt tegen de beslissing van UHT om geen compensatie toe te kennen voor de jaren 2008, 2009 en 2011. Gemachtigde heeft ter zitting bevestigd dat belanghebbende geen bezwaar heeft tegen de afwijzing van compensatie over het jaar 2007.
De bezwaren die zien op het jaar 2012 zijn ter zitting ingetrokken.

De Commissie ziet zich, gelet op de inhoud van de bestreden beschikking en de daartegen aangevoerde bezwaren, in de eerste plaats gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of een tegemoetkoming af te wijzen.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de terugvordering van KOT voor de toeslagjaren 2008, 2009 en 2011 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De terugvorderingen van KOT over voormelde toeslagjaren waren gebaseerd op de vaststelling dat een te hoog voorschot was toegekend.
Dat voorschot is door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. De eerste reguliere neerwaartse bijstelling in het jaar 2008 was te herleiden tot de stopzetting van de KOT door belanghebbende, zoals blijkt uit het door UHT als productie 54 overgelegde XML-bestand. De tweede neerwaartse bijstelling in het jaar 2008 was een gevolg van een hoger toetsingsinkomen. Daarnaast is de KOT in het jaar 2009 neerwaarts bijgesteld als gevolg van een aanpassing in het aantal opvanguren. Belanghebbende is daaraan voorafgaand tweemaal - op 24 juli 2009 en 29 september 2009 (respectievelijk producties 35 en 36 bezwaardossier) - schriftelijk in de gelegenheid gesteld om informatie aan te leveren om haar recht op KOT aannemelijk te maken. De tweede neerwaartse bijstelling in het jaar 2009 was wederom gelegen in de stopzetting van de KOT door belanghebbende (productie 61 bezwaardossier). Tot slot is de KOT in het jaar 2011 neerwaarts bijgesteld nadat de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) op 28 november 2011 aan B/T heeft doorgegeven dat de dochter van belanghebbende na 31 augustus 2011 geen opvang meer heeft genoten en dat zij op 3 oktober 2011 is geëmigreerd (productie 41 bezwaardossier). Dat belanghebbende zelf de KOT zou hebben stopgezet vanwege de emigratie van haar dochter, zoals zij stelt, is niet aannemelijk geworden. Een door belanghebbende zelf verrichte stopzetting zou evenwel geen wijziging hebben gebracht in de neerwaartse bijstelling.

Voormelde bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te adviseren.
Er was ook geen onterechte kwalificatie O/GS, zodat er ook geen aanspraak is op een daarop gebaseerde vergoeding. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling compensatie toeslagjaar 2006

De Commissie ziet zich vervolgens gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2006 op de juiste wijze heeft berekend.

Belanghebbende stelt dat de toegekende vergoeding van materiële en immateriële schade niet de door haar geleden schade dekt. De Commissie overweegt dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. In het geval van compensatie op grond van artikel 2.1 Wht wordt een forfaitaire vergoeding voor onder meer de immateriële en materiële schade van gedupeerden toegekend.
De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot de conclusie dat toepassing van het in de Wht neergelegde compensatiestelsel in een geval als het onderhavige buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiële schade via de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (hierna: CWS) en dat in alle fases van toekenning in rechtsbescherming wordt voorzien. Indien belanghebbende meent dat zij meer schade heeft geleden dan wordt vergoed met de forfaitaire vergoedingen, kan zij daartoe een verzoek indienen bij CWS, waarna UHT na advies van CWS daarop zal beslissen.

Belanghebbende is daarnaast van mening dat de periode waarover de compensatie voor immateriële schade dient te worden verstrekt, in ieder geval moet doorlopen tot de datum van de beslissing op bezwaar. Op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht dient voormelde compensatie te worden berekend vanaf de eerste neerwaartse correctiebeschikking tot aan de definitieve compensatiebeschikking. Zoals UHT ter zitting heeft toegelicht, kan van de in de Wht bepaalde einddatum slechts worden afgeweken conform het beleid van UHT, inhoudende dat bij een (gedeeltelijk) gegrond bezwaar de datum van de beslissing op bezwaar als einddatum wordt gehanteerd. Ter zitting heeft gemachtigde de juistheid van dit standpunt van UHT erkend. Nu uit het voorgaande volgt dat de Commissie UHT zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren, is er geen aanleiding om de einddatum van de vergoeding aan te passen. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoedin
Aangezien de Commissie zal adviseren het bezwaar ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking dus niet te herroepen, komen de proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter