BAC 2023-12870
Publicatiedatum 09-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 maart 2023 (UHT-DCH ZV)
Hoorzitting: 1 mei 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 24 juni 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH ZV deels te herroepen en opnieuw te beslissen met inachtneming van dit advies. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten toe te wijzen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking beoordeling kinderopvangtoeslag van 20 maart 2023 (DCH ZV).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 44.512 over de toeslagjaren 2007, 2009 en 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 15 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2007 tot en met 2009. In overleg met belanghebbende is dit verzoek gewijzigd naar de toeslagjaren 2006 tot en met 2012.
- UHT heeft bij beschikking van 26 april 2021, met kenmerk UHT, aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
- UHT heeft bij beschikking van 3 juni 2021, met kenmerk UHT-B DMB 2, aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 7 maart 2023 aan UHT verstuurd. CvW heeft - kort samengevat - geoordeeld dat belanghebbende over de toeslagjaren 2006, 2008, 2010 en 2011 niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 20 maart 2023 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 44.512 wegens vooringenomenheid over de toeslagjaren 2007 en 2009 en hardheid over het toeslagjaar 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 26 april 2023, ingekomen op 26 april 2023, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 26 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 1 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 22 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar niet op gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Doorbetaling dwangsom
Belanghebbende stelt dat het besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt,
nu het besluit alleen naar belanghebbende en niet haar gemachtigde is verzonden. Hierdoor is belanghebbende van mening dat de dwangsom blijft doorlopen, ten minste tot aan de datum van de bezwaarschriften. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar - wat daar verder ook van zij - buiten de reikwijdte van deze (bezwaar)procedure valt en laat dit bezwaar daarom verder onbesproken.
Compleetheid dossier en motivering besluit
Belanghebbende stelt dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe UHT tot het compensatiebedrag van € 44.512 is gekomen. Belanghebbende merkt daarbij op dat zij niet het volledige dossier heeft ontvangen en verzoekt specifiek om de tijdlijn, het informatie- en beoordelingsformulier en de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT.
De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Voor zover sprake is van onzorgvuldige voorbereiding of gebreken in de motivering van het bestreden besluit, kan dat in de beslissing op bezwaar door UHT worden hersteld aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt.
Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van 'equality of arms', zoals opgenomen in artikel 6 van het EVRM, omdat zij niet de beschikking heeft over zijn volledige dossier. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadvies-commissie in de zin van artikel 7:13 Awb. Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op 17 oktober 2024 ontvangen en zij heeft de gelegenheid gekregen om haar standpunt verder uiteen te zetten. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2006
Belanghebbende stelt dat zij over toeslagjaar 2006 KOT heeft moeten terugbetalen. Daarnaast merkt zij op dat de KOT vier maanden te laat is uitbetaald. Hierdoor is volgens belanghebbende sprake van vooringenomenheid of hardheid. UHT stelt dat de latere uitbetaling, hoe vervelend ook, geen hardheid oplevert. UHT ziet geen reden om compensatie toe te kennen over toeslagjaar 2006.
De Commissie overweegt dat over toeslagjaar 2006 één neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden. De KOT is op 8 april 2008 verlaagd van € 2.595 naar € 2.317 als gevolg van een stijging in het toetsingsinkomen. Naar het oordeel van de Commissie is hier geen sprake van vooringenomenheid. De Commissie betreurt dat belanghebbende problemen heeft ondervonden als gevolg van het laat uitbetalen van de KOT, maar ziet geen aanleiding om compensatie toe te kennen op grond van hardheid. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2008
Belanghebbende stelt dat zij wel recht heeft op compensatie over toeslagjaar 2008 op grond van vooringenomenheid. Zij stelt dat zij in dit toeslagjaar betrokken is geweest bij een groepsgewijs CAF-onderzoek. Daarnaast stelt zij dat zij de wijziging in de KOT over toeslagjaar 2008 niet zelf heeft doorgegeven. De kinderopvang zou dit hebben gedaan. Belanghebbende ziet de kinderopvang ook vermeld in het XML-bestand van deze wijziging.
UHT stelt dat over toeslagjaar 2008 één neerwaartse bijstelling heeft plaatsgevonden. De KOT is op 10 maart 2008 verlaagd van € 13.132 naar € 10.254 als gevolg van een wijziging in het aantal opvanguren die belanghebbende zelf op 26 februari 2008 heeft doorgegeven. Volgens UHT is dus geen sprake van vooringenomenheid.
De Commissie ziet in het dossier geen aanwijzingen waaruit valt op te maken dat belanghebbende over toeslagjaar 2008 onderdeel was van een groepsgewijs CAF-onderzoek. De Commissie merkt op dat de naam van de kinderopvang te lezen is in het XML-bestand van de wijziging over toeslagjaar 2008. Naar het oordeel van de Commissie is dit onvoldoende bewijs om ervan uit te gaan dat de kinderopvang de wijziging heeft doorgevoerd. De Belastingdienst/Toeslagen mocht destijds van deze doorgevoerde gegevens uitgaan. De Commissie ziet geen aanwijzingen voor het vaststellen van vooringenomenheid. Verder heeft belanghebbende geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die het toekennen van compensatie op grond van hardheid rechtvaardigen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2009
Belanghebbende stelt dat over toeslagjaar 2009 uit moet worden gegaan van €25.130 als de hoogte van de KOT voorafgaand aan de vooringenomen handeling. In de bestreden beschikking is uitgegaan van € 22.499. Volgens belanghebbende is de verlaging van € 25.130 naar € 22.499 doorgevoerd in het kader van een fraudeonderzoek.
UHT stelt dat belanghebbende over toeslagjaar 2009 in bezwaar is gegaan. In die bezwaarprocedure heeft belanghebbende verklaard dat zij geen opvang heeft genoten in januari 2009. Volgens UHT is de verlaging van € 25.130 naar € 22.499 dus terecht doorgevoerd.
De Commissie overweegt dat belanghebbende bij haar bezwaarschrift van
30 november 2012, waarmee zij in bezwaar ging tegen de beschikking van
17 november 2012, jaaropgaves voor haar beide kinderen heeft gevoegd.
Uit deze jaaropgave valt op te maken dat belanghebbende vanaf 9 februari 2009 opvang heeft genoten. De Commissie is van oordeel dat de verlaging van € 25.130 naar € 22.499 daarmee op juiste gronden is doorgevoerd en dat het bedrag van
€ 22.499 aan KOT terecht als uitgangspunt is genomen voor de berekening van compensatie over toeslagjaar 2009. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat in het LIC-overzicht van toeslagjaar 2010 te zien is dat de KOT op 13 april 2010 naar € 0 is verlaagd, maar dat op het LIC-overzicht is aangemerkt dat dit geen nihilbeschikking is. In het RKT-bestand over toeslagjaar 2010 ziet belanghebbende een behandelstap staan waar belanghebbende is behandeld aan de hand van een 'signaallijst fraudepost'. Zij vraagt zich af waarom zij als fraudeur behandeld is en waarom de beschikkingen van € 0 geen nihilbeschikkingen zijn. Zij stelt dat een neerwaartse bijstelling geen vereiste is voor vooringenomenheid.
UHT stelt dat opname op de 'signaallijst fraudepost' niet automatisch vooringenomen handelen oplevert. De beschikkingen van € 0 op het LIC-overzicht zijn volgens UHT niet daadwerkelijk afgegeven. Dit betekent dat er geen neerwaartse bijstellingen hebben plaatsgevonden over toeslagjaar 2010.
De Commissie overweegt dat belanghebbende over het toeslagjaar 2010 geen schade heeft geleden. De KOT is immers alleen opwaarts bijgesteld.
Naar het oordeel van de Commissie is over toeslagjaar 2010 geen sprake van vooringenomenheid of hardheid. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Toeslagjaar 2011
Belanghebbende stelt dat uit de door haar aangeleverde jaaropgave over toeslagjaar 2011 staat vermeld dat zij opvang heeft genoten van 4 januari 2011 tot en met 30 december 2011, terwijl de KOT over 2011 maar is toegekend over de periode oktober tot en met december.
De Commissie overweegt dat uit het dossier onvoldoende duidelijk volgt waarom de KOT is toegekend over de periode oktober tot en met december 2011 en niet de periode van 4 januari 2011 tot en met 30 december 2011. De Commissie adviseert UHT om in de beslissing op bezwaar toe te lichten waarom de KOT over toeslagjaar 2011 niet over de periode van 4 januari 2011 tot en met 30 december 2011 en of dit recht op compensatie oplevert.
Toeslagjaar 2012
Ten aanzien van toeslagjaar 2012 bestaan geen verschillen van mening.
Vergoeding voor juridische hulp
Belanghebbende stelt dat zij in bezwaar en beroep is gegaan tegen beschikkingen KOT over toeslagjaar 2009 met behulp van beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand. Zij stelt ten onrechte geen vergoeding voor juridische hulp te hebben ontvangen.
UHT stelt in de nadere schriftelijke beschouwing dat belanghebbende inderdaad recht heeft op een vergoeding voor het indienen van een beroepschrift en het bijwonen van de zitting bij de rechtbank. Volgens UHT heeft belanghebbende in de bezwaarfase geen gebruik gemaakt van beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand.
De Commissie onderschrijft het recht van belanghebbende op een vergoeding voor juridische hulp voor het indienen van een beroepschrift en het bijwonen van de zitting bij de rechtbank. Naar het oordeel van de Commissie is onvoldoende aannemelijk geworden dat belanghebbende reeds beroepsmatig door een derde verleende rechtsbijstand heeft gehad bij het indienen van het bezwaarschrift.
De Commissie adviseert UHT, conform haar eigen standpunt, om een vergoeding voor juridische bijstand toe te kennen voor het indienen van een beroepschrift en het bijwonen van de zitting bij de rechtbank. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.
Rentevergoeding over gemiste KOT
Belanghebbende stelt dat zij niet kan controleren of de juiste aanvangsdata zijn aangehouden voor de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT. UHT heeft de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT gecontroleerd ter gelegenheid van de behandeling van het bezwaar. Hierbij is gebleken dat de rentevergoeding over gemiste KOT over de toeslagjaren 2007 en 2009 onjuist en in het nadeel van belanghebbende is berekend en dat de juiste (hogere) bedragen van respectievelijk € 4.165 en € 10.359 in de beslissing op bezwaar zullen worden opgenomen. Over toeslagjaar 2012 is een te hoog bedrag aan rentevergoeding over gemiste KOT berekend. UHT is voornemens de berekening van deze component over toeslagjaar 2012 in stand te laten. De Commissie neemt met instemming kennis van het standpunt van UHT, adviseert de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT over de toeslagjaren 2007 en 2009 bij het nemen van de beslissing op bezwaar te corrigeren overeenkomstig de nieuwe berekeningen en het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.
Vergoeding voor immateriële schade
Belanghebbende stelt dat zij niet kan controleren of de juiste aanvangsdatum is aangehouden voor de berekening van de vergoeding voor immateriële schade.
Nu UHT het bezwaar met betrekking tot de rentevergoeding over gemiste KOT gegrond acht, is zij voornemens om de vergoeding voor immateriële schadevergoeding door te berekenen tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar. De Commissie adviseert overeenkomstig het standpunt van UHT om de einddatum van de vergoeding voor immateriële schade vast te stellen op de datum van de beslissing op bezwaar en het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren.
Aanvullende vergoeding van 1%
Nu de Commissie adviseert tot gegrondverklaring van de bezwaargronden met betrekking tot de rentevergoeding over gemiste KOT en de vergoeding van de immateriële schade, hetgeen tot een hogere compensatie zal leiden, adviseert de Commissie om de berekening van de aanvullende vergoeding van 1% aan te passen in de beslissing op bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is en het bestreden besluit dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCH ZV toe te wijzen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om:
- Het bezwaar, gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH ZV, gegrond te verklaren in die zin dat:
- Een vergoeding voor juridische hulp als hierboven omschreven wordt toegekend;
- De rentevergoeding voor gemiste KOT over de toeslagjaren 2007 en 2009 wordt aangepast;
- De vergoeding voor immateriële schade wordt doorberekend tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar;
- De aanvullende vergoeding van 1% wordt aangepast;
- Een proceskostenvergoeding wordt toegekend.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter