Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12868

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV

Hoorzitting: 13 maart 2025

Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren ten aanzien van de rentevergoeding over de gemiste kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) en voor het overige ongegrond te verklaren. Ook adviseert de Commissie het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 14 februari 2023 genomen beschikking met kenmerk UHT-DCH ZV.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van in het totaal € 31.555 voor de toeslagjaren 2006, 2007, 2008, 2010 en 2011.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 23 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over de toeslagjaren 2006 tot en met 2014. In overleg met belanghebbende zijn de toeslagjaren 2018 tot en met 2020 toegevoegd aan de herbeoordeling.
  • Bij beschikking van 3 juni 2021 heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een vergoeding van € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 10 november 2022 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat ten aanzien van de toeslagjaren 2009, 2012 tot en met 2014 en 2018 tot en met 2020 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of hardheid.
  • Bij beschikking van 14 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH ZV heeft UHT aan belanghebbende compensatie toegekend van € 31.555. Omdat belanghebbende al € 30.000 had ontvangen, is haar nog € 1.555 uitbetaald.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 23 maart 2023 tegen deze beschikking bezwaar gemaakt.
  • UHT heeft op 15 augustus 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 13 maart 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • UHT heeft op 19 maart 2025, zoals door de Commissie verzocht, de stopzetting van de KOT in 2009 toegelicht.
  • Op 31 maart 2025 heeft gemachtigde op deze informatie gereageerd.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Compleetheid dossier en motivering besluit
Belanghebbende stelt dat de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden beschikking van 14 februari 2023 ontbreken. Derhalve is de bestreden beschikking onvoldoende gemotiveerd.

De Commissie onderschrijft het standpunt van UHT ten aanzien van de motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. Ter voorbereiding van de definitieve compensatiebeschikkingen zijn de bedragen in de compensatieberekening vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had. De gegevens zijn afkomstig van onder meer de voorschotbeschikkingen, herzieningsbeschikkingen, definitieve beschikkingen, SAS-overzichten en overzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC), RKT-bestanden, stopbrieven en uitdraaien van meldingen. De Commissie stelt vast dat belanghebbende inmiddels beschikt over de schriftelijke reactie van UHT en de bijbehorende stukken, die op 8 januari 2025 aan gemachtigde zijn verzonden. Op basis van de in dit dossier opgenomen stukken kon belanghebbende genoegzaam inzicht verkrijgen in de totstandkoming van de bestreden beschikking. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

Vooraankondiging en zienswijze
Belanghebbende stelt dat zij geen vooraankondiging heeft ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken.
De Commissie overweegt dat, hoewel dit inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen.
Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. Omdat verder niet is toegelicht welk nadeel belanghebbende van dit nalaten heeft gehad, laat de Commissie dit bezwaar verder buiten beschouwing. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 6 EVRM, recht op een eerlijk proces
Belanghebbende voert aan dat geen sprake is van 'equality of arms', zoals opgenomen in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat zij niet de beschikking heeft over haar volledige dossier.

De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de processuele waarborgen van de Awb. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb heeft belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Deze stukken heeft belanghebbende in de vorm van een bezwaardossier op
8 januari 2025 ontvangen en heeft zij de gelegenheid gekregen en daarvan gebruik gemaakt om haar standpunt uiteen te zetten. De Commissie acht het bezwaar op dit punt ongegrond.

De compensatieberekening
In haar bezwaar heeft belanghebbende een aantal componenten van de compensatieberekening aan de orde gesteld. Op deze bezwaren is UHT in haar Beschouwing uitvoerig ingegaan en heeft UHT toegezegd een aantal bedragen in de compensatieberekening te verhogen, waaronder de rentevergoeding gemiste KOT. Ter zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk verklaard haar bezwaren na de toelichting en toezegging door UHT niet langer te handhaven. Deze kunnen dus onbesproken blijven. De Commissie adviseert het bezwaar gegrond te verklaren met betrekking tot die componenten waarvan UHT in haar beschouwing heeft gezegd dat die onjuist zijn berekend.

Toeslagjaar 2009
Ter zitting heeft belanghebbende aangevoerd dat zij aanspraak maakt op compensatie over 2009 omdat zij voor haar oudste zoon in dat jaar geen KOT heeft gekregen maar wel kinderopvang heeft afgenomen. UHT stelt zich op het standpunt dat uit de KOI-viewer blijkt dat geen kinderopvang is afgenomen in 2009 en dat de desbetreffende kinderopvanginstelling eind 2008 heeft gemeld dat de kinderopvang is stopgezet voor de oudste zoon van belanghebbende.
Destijds heeft belanghebbende geen bezwaar gemaakt tegen de stopzetting van de KOT over 2009 en heeft ook zij verklaard dat zij haar oudste zoon op enig moment van de kinderopvang moest afhalen omdat sprake was van betalings-achterstanden. UHT heeft toegelicht dat de beoordeling van de KOT voor 2009 mede gebaseerd is op de behandelstap in het RKT-bestand over 2009.
Hierin staat dat de KOT in 2008 is stopgezet naar aanleiding van een melding van de kinderopvanginstelling.

De Commissie overweegt dat UHT heeft mogen uitgaan van de gegevens uit het RKT-bestand. Het feit dat belanghebbende destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen de stopzetting van de KOT in 2009, het feit dat uit de KOI-viewer niet is gebleken dat belanghebbende in 2009 kinderopvang heeft afgenomen, het feit dat zij zelf heeft verklaard dat zij haar oudste zoon in 2009 van de opvang heeft moeten afhalen en het feit dat de kinderopvanginstelling in 2008 de melding heeft gedaan dat de kinderopvang is gestopt, maken voor de Commissie aannemelijk dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang in 2009.
Daar komt nog bij dat belanghebbende geen informatie of stukken heeft overgelegd die het tegendeel aannemelijk maken. De Commissie acht dit onderdeel van het bezwaar daarom ongegrond.

Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar gedeeltelijk gegrond is, adviseert de Commissie het verzoek tot toekenning van een proceskostenvergoeding in deze procedure toe te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar tegen het bestreden besluit gegrond te verklaren ten aanzien van de rentevergoeding gemiste KOT;
  • het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
  • de compensatie opnieuw te berekenen en ook alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende vergoedingen (waaronder de vergoeding voor immateriële schade) opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter