BAC 2023-12797
Publicatiedatum 04-08-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 9 maart 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 1 december 2025
Overdracht advies aan UHT: 6 januari 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, het bestreden besluit op onderdelen te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, hierna het bestreden besluit.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 28.477 voor de toeslagjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2016 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2010, 2011 en 2015.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 26 november 2019 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2007 tot en met 2014. In overleg met de persoonlijk zaakbehandelaar is het verzoek uitgebreid met de toeslagjaren 2015 en 2016.
- UHT heeft bij besluit van 1 april 2021 met kenmerk UHT-B DMB 2 aan belanghebbende meegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 25 oktober 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de toeslagjaren 2007, 2008, 2010, 2011 en 2015 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 28.477 voor de toeslagjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2016 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2010, 2011 en 2015.
- Gemachtigde heeft bij brief van 23 maart 2023, ingekomen op 23 maart 2023, tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 15 juli 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 1 december 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat aan het advies is gehecht.
- Op 1 december 2025 heeft UHT een aanvullende productie ingediend.
- Op 15 december 2025 heeft de gemachtigde een nadere schriftelijke reactie en een aanvullende productie ingediend. UHT heeft op 16 december 2025 daarop gereageerd. Gemachtigde heeft op 3 januari 2026 op de reactie van UHT gereageerd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid, tweede commissielid.
Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen
Niet in geschil is het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2016 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de toeslagjaren 2007, 2008, 2010, 2011 en 2015 af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van het bestreden besluit behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van het bestreden besluit leidt immers niet tot het herroepen daarvan. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of voldoende compensatie is toegekend. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Toeslagjaren 2007, 2008, 2010, 2011 en 2015
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2007, 2008, 2010, 2011 en 2015 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT over het toeslagjaar 2007 is overeenkomstig de aanvraag toegekend en niet verlaagd. De verlagingen van de KOT over het toeslagjaar 2008 waren het gevolg van wijzigingen in het aantal opvanguren en het uurtarief. De KOT is vastgesteld op grond van het door belanghebbende ingevulde antwoordformulier waarin zij de opvanguren heeft aangegeven die zij bij het kindcentrum heeft afgenomen. Belanghebbende stelt dat zij in het toeslagjaar 2008 naast de kinderopvang bij het kindcentrum ook kinderopvang bij het gastouderbureau [naam] heeft afgenomen. Zij heeft ter onderbouwing van haar standpunt een overeenkomst Gastouderopvang met nummer 173 overgelegd waarin is vermeld dat de ingangsdatum van de opvang 25 september 2008 zou zijn. Uit het door UHT overgelegde XML-bestand met betrekking tot de aanvraag voor de KOT voor de kinderopvang bij dit gastouderbureau volgt dat belanghebbende deze kinderopvang eerst op 16 april 2009 per 1 januari 2009 heeft aangevraagd. De Commissie heeft, mede gelet op de inhoud van de overgelegde overeenkomst, geen aanknopingspunten gevonden op grond waarvan zij kan oordelen dat het aannemelijk is dat belanghebbende ook voor het toeslagjaar 2008 (vanaf 25 september 2008) voor de kinderopvang bij het gastouderbureau een aanvraag voor KOT had ingediend. De Commissie neemt daarbij in aanmerking dat het in de overgelegde overeenkomst aantal opvanguren per week (33), het aantal weken (48) en het totale aantal uren opvang per jaar (1584) niet ziet op een aanvraag voor maanden september tot en met december. Belanghebbende heeft zich er bij die gelegenheid mee akkoord verklaard dat B/T de KOT voor 2009 rechtstreeks aan het gastouderbureau zou gaan betalen. Niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende is geraakt door de behandeling die het gastouderbureau [naam] in de jaren daarna heeft ondergaan, zoals deze naar voren komt uit het getuigenverhoor van de heer [naam], eigenaar van [naam], bij de Parlementaire Onderzoekscommissie op 26 september 2023.
De KOT over het toeslagjaar 2010 is verlaagd, omdat belanghebbende had doorgegeven dat per 1 februari 2010 de opvang van 50 uur per maand bij het kindcentrum niet meer werd afgenomen. De KOT over het toeslagjaar 2011 is verlaagd op grond van wijzigingen in het toetsingsinkomen. De KOT over het toeslagjaar 2015 is verlaagd, omdat uit de door belanghebbende overgelegde gegevens volgde dat zij in de maanden oktober tot en met december 2015 geen kinderopvang had afgenomen.
De KOT over deze jaren is dus verlaagd op grond van de vaststelling dat te hoge voorschotten waren toegekend. De voorschotten zijn door reguliere wijzigingen opnieuw berekend. Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidscompensatie. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. Er was ook geen onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (O/GS), zodat ook geen aanspraak bestaat op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening
Belanghebbende stelt dat het compensatiebedrag onjuist is vastgesteld. Zij stelt dat zij met betrekking tot alle betrokken toeslagjaren voor het indienen van de bezwaarschriften externe juridische hulp heeft ingeschakeld en dat zij hiervoor dient te worden gecompenseerd. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden dat belanghebbende bij het indienen van bezwaar met betrekking tot de KOT over de toeslagjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2016 gebruik heeft gemaakt van juridische hulp. Voor de overige toeslagjaren komt de Commissie niet toe aan advisering over deze kosten, omdat belanghebbende voor deze jaren niet als gedupeerde is aangemerkt.
De Commissie constateert dat de rentevergoeding wegens gemiste KOT voor de toeslagjaren 2009, 2012, 2013, 2014 en 2016 onjuist is vastgesteld. Deze vergoeding zal voor de toeslagjaren 2009 en 2012 bij de beslissing op bezwaar worden herzien. Voor de toeslagjaren 2013, 2014 en 2016 wordt deze vergoeding niet aangepast, omdat dit in het nadeel van belanghebbende zou zijn.
De Commissie merkt op dat de aanpassingen in de berekening tevens tot gevolg hebben dat ook andere bedragen wijzigen, namelijk de vergoeding van de immateriële schade en de aanvullende vergoeding van 1%. Beide posten dienen te worden doorberekend tot de datum van de beslissing op bezwaar.
De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar gegrond te verklaren en om aan haar toezeggingen uit de schriftelijke reactie gevolg te geven en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen in de beslissing op bezwaar.
Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:
- het bestreden besluit te herroepen en de compensatieberekening aan te passen met inachtneming van dit advies;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter