BAC 2023-12785
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 21 februari 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 27 januari 2025 om 11:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 25 april 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gegrond te verklaren, een compensatie wegens vooringenomen-heid toe te kennen voor het toeslagjaar 2014 en voor de maanden januari en februari 2016, de compensatie opnieuw te berekenen en een proceskosten-vergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door mevrouw gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 24.370,- voor het jaar 2015. Er is voor de jaren 2014 en 2016 geen compensatie toegekend.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 12 oktober 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2014 tot en met 2016.
- UHT heeft bij beschikking van 2 maart 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000,-.
- Volgens de Commissie van Wijzen heeft de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) zich terecht op het standpunt gesteld dat de compensatieregeling en de hardheidscompensatie niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2014 en 2016. Volgens het voorlopige oordeel van B/T is de compensatieregeling voor het toeslagjaar 2015 wel van toepassing.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 21 juli 2022 met kenmerk UHT-VC I over het jaar 2015 aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 23.469,-.
- UHT heeft bij de definitieve beschikking van 21 februari 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 24.370,-.
- Gemachtigde heeft bij brief van 13 maart 2023 tegen deze beschikking met kenmerk UHT-DCH een bezwaarschrift ingediend.
- UHT heeft op 5 april 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH.
- Gemachtigde heeft bij brief van 2 december 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- Op 27 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft op 17 februari 2025 een aanvullende beschouwing ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 17 maart 2025 schriftelijk gereageerd op de aanvullende beschouwing.
- UHT heeft op 31 maart 2025 een tweede aanvullende beschouwing ingediend.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Tussen partijen is niet in geschil dat B/T over het toeslagjaar 2015 vooringenomen jegens belanghebbende heeft gehandeld. Hiervoor heeft UHT bij beschikking met kenmerk UHT-DCH, volgens de daarvoor geldende forfaitaire regeling van de Wht, belanghebbende een definitief compensatiebedrag toegekend van € 24.370.
Het compensatiebedrag is vastgesteld aan de hand van een compensatie-berekening.
Toeslagjaar 2014
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij recht heeft op compensatie over het toeslagjaar 2014. Belanghebbende heeft meerdere procedures gevoerd, tot aan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State toe. Met betrekking tot het toeslagjaar 2014 oordeelde de rechtbank dat B/T het herzieningsverzoek van belanghebbende ten aanzien van de definitieve beschikking 2014 terecht heeft afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Volgens de rechtbank bestond er geen aanspraak op kinderopvangtoeslag omdat er geen schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 1.52 Wet kinderopvang aan de kinderopvang ten grondslag lag in de periode van 1 oktober tot en met
31 december 2014. De plaatsingsovereenkomst, die pas op 5 januari 2015 was getekend, kon niet dienen als bewijs van kinderopvang in genoemde periode. Volgens belanghebbende was deze uitspraak in lijn met de tot eind 2019 gevoerde 'harde lijn' van de 'Afdeling'.
Op basis van hetzelfde bezwaardossier kan nu echter worden vastgesteld, zo stelt belanghebbende, dat deze specifieke afwijzingsgrond niet langer kan worden tegengeworpen nu UHT de verklaring van belanghebbende, dat de overeenkomst was kwijtgeraakt, geloofwaardig acht. UHT erkent nu weliswaar dat belang-hebbende destijds door B/T vooringenomen werd behandeld maar kent toch geen compensatie toe, omdat zij een beroep doet op de exceptie van artikel 2.1, lid 2, Wht: geen compensatie wordt toegekend indien sprake is van schade die te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan de aanvrager toerekenbaar zijn. UHT stelt in dat kader dat belanghebbende geen recht had op kinderopvangtoeslag omdat zij niet kan aantonen dat zij in 2014 inkomsten uit arbeid had. Dit acht belanghebbende onjuist, zij heeft aangifte inkomstenbelasting gedaan voor het jaar 2014 en daarin arbeidsinkomsten aangegeven. Belanghebbende legt als productie de aangifte inkomstenbelasting en aanslag voor het jaar 2014 over. Belanghebbende heeft destijds tevens haar urenadministratie en de stortingen op haar bankrekening overgelegd om aan te tonen dat zij sinds oktober 2014 werkzaam was als schoonmaakster voor diverse particuliere huishoudens. Belanghebbende stelt dat zij daarmee heeft voldaan aan de op haar rustende last aannemelijk te maken dat zij in het betreffende toeslagjaar inkomsten uit werkzaamheden verwierf. Voor zover al geoordeeld zou kunnen worden dat belanghebbende niet in staat is gebleken om de volledige omvang van haar arbeidsuren aan te tonen (hetgeen zij betwist), dan kan die constatering niet tot de conclusie leiden dat dit een ernstige onregelmatigheid betreft die aan haar toerekenbaar is.
UHT stelt dat er voor het toeslagjaar 2014 sprake was van vooringenomenheid, omdat er niet voldoende door B/T was uitgevraagd vóór de stopzetting van de kinderopvangtoeslag. Belanghebbende komt echter niet in aanmerking voor compensatie. Het is juist dat er kinderopvang is geweest van oktober tot en met december 2014. Op grond van artikel 1.6 Wet kinderopvang heeft een ouder aanspraak op kinderopvangtoeslag indien er sprake is van, voor zover hier van belang, er inkomsten uit werkzaamheden zijn. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in de maanden oktober tot en met december 2014 inkomsten uit werkzaamheden verwierf. Hierdoor voldoet belanghebbende niet aan de voorwaarden om aanspraak te maken op kinderopvangtoeslag en is er sprake van evident geen recht. Belanghebbende heeft bij haar bezwaar de aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2014 gevoegd. Bij het inkomen staat 'inkomen uit overige werkzaamheden'. Dit betreft het totaalbedrag van de opbrengsten van verrichte werkzaamheden. Niet duidelijk wordt met de urenstaten van belanghebbende wat zij in de maanden oktober tot en met december heeft verdiend. Verder zijn de overgelegde urenstaten door belanghebbende zelf opgesteld en alleen door haar ondertekend. Er zijn geen facturen aanwezig of stortingen op haar bankrekening die overeenkomen met facturen. UHT stelt niet objectief vast te kunnen stellen welke uren en voor welke bedragen belang-hebbende heeft gewerkt, mede niet vanwege het feit dat de urenstaten niet met de bankstortingen overeenkomen en omdat belanghebbende ook vaak contant is betaald.
Overwegingen van de Commissie
De Commissie deelt het standpunt van UHT dat B/T in beginsel vooringenomen heeft gehandeld, nu B/T heeft nagelaten nogmaals een verzoek te sturen aan belanghebbende om aanvullende informatie voordat B/T de kinderopvangtoeslag mocht stopzetten. De Commissie deelt het standpunt van UHT niet dat er sprake is van evident geen recht voor het toeslagjaar 2014. De Commissie is van mening dat belanghebbende wel heeft aangetoond dat zij inkomsten uit werkzaamheden verwierf in de toeslagperiode oktober tot en met december 2014.
Hierna zal de Commissie haar standpunt onderbouwen.
Belanghebbende heeft haar aangifte inkomstenbelasting 2014 overgelegd alsmede urenstaten en bankafschriften met betalingen van haar klanten. Zij heeft toegelicht dat zij niet al haar uren met bankafschriften kon aantonen omdat zij werkte als schoonmaakster en ook contant betaald kreeg. De contante ontvangsten heeft zij echter wel opgegeven, zo blijkt ook uit het door haar aangegeven inkomen voor 2014, dat overeenkomt met haar urenstaten.
De boekhouder van belanghebbende heeft in het bezwaar van 2 november 2016 toegelicht dat belanghebbende in de periode van 7 oktober tot en met
31 december 2014 een inkomen had van € 6.330,- en een uurtarief tussen de
€ 9,50 en € 11,50 in rekening bracht. Daaruit kan worden afgeleid dat belanghebbende in die periode meer dan 40 uur in de week werkte. De Commissie stelt zich op het standpunt dat belanghebbende hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de in geschil zijnde periode inkomen uit werkzaamheden verwierf en hoeveel uur zij werkte. Voorwaarde voor het recht op kinderopvang-toeslag is dat een ouder inkomen moet hebben, waar ook inkomsten uit andere werkzaamheden onder vallen. De urenomvang moet aannemelijk worden gemaakt met een deugdelijke urenadministratie. Aan die voorwaarde heeft belang-hebbende naar vermogen voldaan door een urenregistratie te overleggen, die de Commissie, gegeven de door haar verrichte schoonmaakwerkzaamheden, deugdelijk acht.
De conclusie is dan ook dat UHT onterecht evident geen recht heeft aangenomen, zodat belanghebbende recht heeft op compensatie.
Toeslagjaar 2016
Belanghebbende stelt dat haar argumentatie voor het toeslagjaar 2014 ook van toepassing is op het toeslagjaar 2016. De volledige kinderopvangtoeslag die op haar naam is toegekend, is teruggevorderd. Aan de hand van de stukken kan niet worden geconcludeerd dat er in de maanden januari en februari 2016 sprake is geweest van een aan haar toerekenbare ernstige onregelmatigheid. Zij komt dus in aanmerking voor compensatie.
UHT stelt dat er in beginsel door B/T vooringenomen is gehandeld vanwege het nihilstellen zonder uitvraag, maar ook voor het toeslagjaar 2016 niet objectief vastgesteld kon worden hoeveel uren er gewerkt was en voor hoeveel uren er dus recht was op kinderopvangtoeslag in de maanden januari en februari 2016.
De conclusie van UHT is dan ook evident geen recht.
Overwegingen van de Commissie
Voor het toeslagjaar 2016 staat vast dat B/T vooringenomen heeft gehandeld omdat B/T, voorafgaand aan de nihilbeschikking van 22 februari 2016, geen uitvraag heeft gedaan. De Commissie deelt het standpunt van UHT niet dat er evident geen recht bestond voor de maanden januari en februari 2016. Belanghebbende heeft naar vermogen aannemelijk gemaakt met de door haar overgelegde bewijsstukken dat zij in voormelde periode met werkzaamheden inkomsten heeft verworven en hoeveel uren daarmee gemoeid gingen.
De Commissie acht het handelen van B/T met betrekking tot het toeslagjaar 2016 vooringenomen en belanghebbende dient te worden gecompenseerd.
Vergoeding juridische hulp toeslagjaar 2015
Belanghebbende stelt dat UHT ten onrechte de mondelinge behandeling bij zowel de rechtbank (8 oktober 2018) als bij de Afdeling (2 september 2019) niet heeft meegenomen in de berekening van de vergoeding voor juridisch hulp.
De vergoeding dient met twee procespunten te worden uitgebreid tot 7, met een wegingsfactor van 2. UHT heeft in haar tweede aanvullende beschouwing van
31 maart 2024 alsnog 7 punten toegekend. De Commissie zal dienovereenkomstig adviseren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie het bezwaar gegrond acht, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij uit te gaan van de hoogste vergoeding per procespunt.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en om:
- een compensatie wegens vooringenomen handelen toe te kennen voor het toeslagjaar 2014;
- compensatie wegens vooringenomen handelen toe te kennen voor de maanden januari en februari 2016;
- component m met betrekking tot het toeslagjaar 2015 aan te passen en alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter