Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12775

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 16 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH

Hoorzitting: 23 januari 2025

Overdracht advies aan UHT: 13 maart 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten.
Ook adviseert de Commissie om het verzoek om toekenning van een proceskostenvergoeding af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT op 16 maart 2023 genomen beschikking met kenmerk UHT-DCH.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 19.518voor de periode januari tot en met juni 2009.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het toeslagjaar 2009.
  • Bij beschikking van 18 februari 2022 met kenmerk UHT CHR GU heeft UHT aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor € 30.000 op grond van de Catshuisregeling, maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 23 november 2022 aan UHT toegestuurd. CvW heeft geadviseerd dat ten aanzien van de periode juli tot en met december 2009 sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid, maar dat belanghebbende evident geen recht hadt op KOT en daarom geen recht heeft op compensatie over deze periode.
  • Bij beschikking van 16 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH heeft UHT aan belanghebbende compensatie toegekend van € 19.518 voor de periode januari tot en met juni 2009, waarvan € 766 is verrekend met de aanvulling op grond van de Catshuisregeling van de partner van belanghebbende, die gecompenseerd is over een ander kalanderjaar. Belanghebbende heeft derhalve € 18.752 aan compensatie uitbetaald gekregen. In de beschikking is vermeld dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie over de periode juli tot en met december 2009.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 april 2023, ingekomen op 24 april 2023, tegen deze beschikking bezwaar gemaakt, voor zover daarbij het verzoek compensatie toe te kennen over de periode juli tot en met december 2009 is afgewezen.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 20 maart 2024, ingekomen op 28 maart 2024, het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 16 oktober 2024 schriftelijk gereageerd.
  • Op 23 januari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter dit advies is gevoegd.
  • Ter zitting is door de Commissie aan zowel gemachtigde als aan UHT verzocht om nadere documentatie en informatie te verschaffen.
  • Op 27 januari 2025 heeft UHT gereageerd op dit verzoek. Op 30 januari 2025 heeft gemachtigde gereageerd op zowel de reactie van UHT als het verzoek van de Commissie. Op dezelfde dag heeft UHT hierop gereageerd met het verzoek om meer informatie te verschaffen. Op 13 februari 2025 heeft gemachtigde geantwoord dat hij niet meer aanvullende informatie heeft.
  • De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft het bezwaar van belanghebbende behandeld en het hierna volgende advies aan UHT opgesteld.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.

De Commissie kan UHT volgen in het ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van het besluit en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De Commissie is van oordeel dat door middel van het indienen van het schriftelijke verweer, een uitgebreide uitleg met behulp van een RKT-bestand, een SAS-overzicht, een overzicht van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC), een printscreen van de KOI-viewer, een XML-bestand en overige producties het bestreden besluit voldoende is onderbouwd. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2009
Belanghebbende stelt dat haar ten onrechte niet ook compensatie over de tweede helft van 2009 is toegekend. UHT heeft in de beschouwing van 16 oktober 2024 de situatie van belanghebbende opnieuw getoetst aan de herstelregelingen. UHT is van mening dat belanghebbende geen recht heeft op compensatie. Hoewel sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T met betrekking tot het toeslagjaar 2009, heeft belanghebbende evident geen recht op KOT over de periode juli tot en met december 2009 omdat niet is gebleken dat zij kinderopvang had afgenomen gedurende deze maanden. Belanghebbende heeft volgens UHT evenmin recht op compensatie op basis van hardheid omdat geen sprake was van bijzondere omstandigheden. Naar de mening van UHT heeft belanghebbende ook geen recht op een tegemoetkoming op grond van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS), omdat zij geen kwalificatie O/GS heeft ontvangen.

Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of van bijzondere hardheid. Toekenning van compensatie blijft ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht achterwege als sprake is van ernstige onregelmatig-heden die aan de ouder toerekenbaar zijn. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT was daarvan sprake in de tweede helft van 2009 nu belanghebbende in de maanden juli tot en met december 2009 geen gebruik heeft gemaakt van geregistreerde kinderopvang.

Ter zitting heeft belanghebbende aangevoerd dat zij wel degelijk gedurende het gehele toeslagjaar 2009 kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie heeft belanghebbende in de gelegenheid gesteld deze stelling te onderbouwen met stukken. Op 30 januari 2025 heeft belanghebbende een opleidingsverklaring over de jaren 2007/2008, een dwangbevel d.d. 14 februari 2013, een exploot d.d.
11 april 2017, een ongedateerde overeenkomst met gastouderbureau X en een voorloopbrief omtrent de facturen over het toeslagjaar 2009 overgelegd. UHT heeft daarop aangevoerd dat zij met deze documentatie niet tot een andere conclusie komt dan die zij eerder heeft getrokken dat er in de tweede helft van 2009 geen geregistreerde kinderopvang heeft plaatsgevonden.

De Commissie overweegt dat uit de ingediende documentatie niet voldoende aannemelijk wordt dat belanghebbende daadwerkelijk kinderopvang heeft genoten en betaald gedurende de periode juli tot en met december 2009.
Uit de overeenkomst met gastouderbureau X blijkt niet op welke periode de opvang betrekking had en facturen betreffende het tweede halfjaar van 2009 zijn niet overgelegd. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat belanghebbende recht had op KOT over genoemde periode en heeft zij dus ook geen recht op compensatie. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Belanghebbende heeft een verzoek gedaan tot vergoeding van de door haar gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Voor de kosten van de rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure heeft belanghebbende, nu de bezwaren naar het oordeel van de Commissie ongegrond zijn, geen recht op vergoeding.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om:

  • het bezwaar ongegrond te verklaren en het bestreden besluit in stand te laten;
  • het verzoek om toekenning van de vergoeding van de kosten voor juridische bijstand af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter