Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12739

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 14 februari 2023 (UHT-DCH)

Overdracht advies aan UHT: 28 mei 2026

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking kinderopvangtoeslag (hierna: het bestreden besluit).

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend van € 13.860 voor het jaar 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010 en 2012 tot en met 2019.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 mei 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2019. Op verzoek van gemachtigde is deze periode gewijzigd in de jaren 2009 tot en met 2019.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 19 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat voor de jaren 2009, 2010 en 2012 tot en met 2019 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 13.860 voor het jaar 2011 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2009, 2010 en 2012 tot en met 2019. Het toegekende bedrag was lager dan het eerder toegekende bedrag van de Catshuisregeling.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 maart 2023 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 14 maart 2024 het bezwaar aangevuld.
  • UHT heeft op 16 oktober 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Gemachtigde heeft bij e-mail van 9 april 2026 aan de Commissie laten weten dat belanghebbende geen behoefte heeft aan een hoorzitting en dat het advies mag worden uitgebracht op basis van de stukken.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 5 mei 2026 het bezwaar aangevuld. De Commissie acht zich hiermee voldoende geïnformeerd en gaat over tot advisering.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor het jaar 2011 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2009, 2010 en 2012 tot en met 2019 af te wijzen.

(Persoonlijk) dossier

Belanghebbende verzoekt om toezending van haar (persoonlijk) dossier. De Commissie overweegt dat de schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, aan belanghebbende zijn toegezonden. Belanghebbende heeft geen duidelijk aanknopingspunt gegeven voor een reden waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken in dat dossier - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Afgewezen jaren

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over de toeslagjaren 2009, 2010 en 2012 tot en met 2019 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De KOT over de toeslagjaren is verlaagd op grond van reguliere wijzigingen.

Specifiek voor toeslagjaar 2010 wijst belanghebbende erop dat uit het RKT-bestand volgt dat er een aantekening is gemaakt waarin staat: ‘afblijven fraude‘. De Commissie constateert dat de KOT voor het toeslagjaar 2010 niet is verlaagd of teruggevorderd. De aantekening leidt daarom niet tot compensatie op grond van de Wht.

Belanghebbende vraagt zich verder af waarom er geen jaaropgaven in het dossier zijn opgenomen voor de toeslagjaren 2012, 2014, 2016, 2017, 2018 en 2019. De Commissie overweegt dat de verlagingen over de betreffende jaren niet hebben plaatsgevonden op basis van een jaaropgave.

Blijkens het ouderverhaal bij de integrale beoordeling heeft belanghebbende een aantal verlagingen van de KOT betwist over de toeslagjaren 2012, 2013 en 2015. Om die reden zal de Commissie deze verlagingen bespreken. Voor toeslagjaar 2012 heeft belanghebbende volgens het dossier de KOT op 13 maart 2012 per 16 mei 2012 stopgezet. Op basis van deze informatie heeft B/T de KOT verlaagd. Dit is een reguliere wijziging. Voor 2013 hebben er drie verlagingen plaatsgevonden. De eerste twee verlagingen vonden plaats omdat belanghebbende minder opvanguren doorgaf op respectievelijk 12 december 2012 en 17 juli 2013. De derde verlaging vond plaats naar aanleiding van de jaaropgave die belanghebbende op 26 maart 2015 aan B/T toestuurde. Voor toeslagjaar 2015 is de KOT eenmaal verlaagd op basis van de KOI-viewer. B/T mocht op deze informatie vertrouwen. De Commissie ziet geen aanknopingspunt om de juistheid van deze wijzigingen in twijfel te trekken.

Ook de overige bijstellingen over de toeslagjaren 2009, 2010 en 2012 tot en met 2019 zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd. Dit leidt daarom niet tot vooringenomenheid. Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen. De Commissie ziet voorts geen aanknopingspunt om te oordelen dat B/T jegens belanghebbende heeft gehandeld op grond van de ongerechtvaardigde aanname dat zij opzettelijke of met grove schuld onterecht teveel KOT heeft ontvangen, zodat er geen recht is op een daarop gebaseerde tegemoetkoming. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

O/GS- en FSV-stukken

Belanghebbende beroept zich op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3643. Zij verzoekt op grond van deze uitspraak om alle O/GS- en Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV)-stukken te overleggen.

De Commissie merkt op dat belanghebbende blijkens het dossier inzage heeft gekregen in de FSV-stukken.

De Commissie stelt verder vast dat zich in het dossier een stuk bevindt met als conclusie dat in het geval van belanghebbende geen sprake is van O/GS. De onderliggende stukken waaruit blijkt hoe deze vaststelling tot stand is gekomen ontbreken. De informatie op grond waarvan B/T heeft vastgesteld of belanghebbende in aanmerking komt voor compensatie, maakt onderdeel uit van de op de zaak betrekking hebbende stukken. B/T moet daarbij toelichten welke gegevensbronnen zijn geraadpleegd. Als de beoordeling van B/T (mede) rust op de vaststelling dat geen informatie beschikbaar is over de belanghebbende in een geraadpleegde gegevensbron, moet B/T deze vaststelling onderbouwen door bijvoorbeeld een schermafbeelding van de resultaten en geraadpleegde systemen. Naar het oordeel van de Commissie kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld hoe de conclusie is getrokken dat geen sprake is van een O/GS. B/T heeft onvoldoende toegelicht in welke systemen is gezocht en welke resultaten daarin zijn aangetroffen. Nu deze stukken in het dossier ontbreken, kan de Commissie niet vaststellen dat B/T op dit onderdeel de benodigde kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering. De Commissie verwijst hierbij mede naar de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1545, en de op 10 maart 2026 aangenomen motie van het lid Ergin (Kamerstukken II 2025/2026, 36 708, nr. 68). De Commissie adviseert UHT om voorafgaand aan het besluit op bezwaar, met inachtneming van het bovenstaande, aan belanghebbende inzage te geven in alle O/GS-stukken en om haar desgewenst de gelegenheid te geven hierop te reageren, eveneens voorafgaand aan de beslissing op bezwaar.

Datakluis

Belanghebbende verzoekt om alle stukken uit de datakluis, waarover de media berichtten op 15 april 2026, in het geding te brengen die haar direct of indirect raken. De schriftelijke reactie/beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. Belanghebbende heeft geen aanknopingspunten gegeven waarom de stukken uit de genoemde datakluis in dit geval moeten worden afgewacht. De enkele mogelijkheid dat - bij onbekendheid van de stukken uit de datakluis - nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. Wanneer UHT de onderliggende O/GS-stukken aan belanghebbende zal doen toekomen, vindt de Commissie dat UHT heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT om onder die omstandigheden dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Met de in bezwaar ingediende beschouwing en de overlegde stukken is het bestreden besluit in zoverre goed gemotiveerd en zorgvuldig tot stand gekomen. Zoals hiervoor overwogen, heeft belanghebbende geen inzage gekregen in de onderliggende O/GS-stukken. Op dit onderdeel berust het bestreden besluit op dit moment daarom niet op een deugdelijke motivering. Indien UHT ook de stukken O/GS ter inzage legt, is het gebrek in de motivering naar het oordeel van de Commissie hersteld. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar in dat geval op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Herziening

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van definitieve KOT-besluiten. Belanghebbende betwist voor een aantal toeslagjaren de vaststelling van het definitieve beschikkingsbedrag. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beoordeling per jaar

Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen, en voor andere jaren weer niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht aan de situatie van gedupeerde ouders. De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: “Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 36 151, nr. 3, p. 19). De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is. De stelling dat van vooringenomenheid sprake moet zijn geweest in andere toeslagjaren als eenmaal sprake is geweest van vooringenomen handelen door B/T of bijzondere omstandigheden acht de Commissie daarom in zijn algemeenheid onjuist. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Code ‘HOTHOR’ en discriminatie

Belanghebbende voert aan dat in het RKT-bestand staat dat zij in het HOTHOR (hoge toeslag, hoog risico) systeem is opgenomen, maar daarvan nooit in kennis is gesteld. Voorts verwijst belanghebbende met een link naar een publicatie van het College voor de Rechten van de Mens. Uit onderzoek zou blijken dat mensen van buitenlandse komaf aanzienlijk vaker werden geselecteerd voor een HOTHOR-signalering dan personen met een Nederlandse achtergrond. Volgens belanghebbende is zij daarom gediscrimineerd.

Als dat volgens B/T niet zo is, dan is het aan B/T om dit aan te tonen.

De Commissie ziet in het dossier niet terug dat in het geval van belanghebbende het kenmerk HOTHOR is toegevoegd en adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Verrekeningen

Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie van de schade die zij heeft geleden als gevolg van de verrekeningen van de terugvorderingen met de nadien toegekende toeslagen (waaronder de toegekende KOT). De nu voorliggende procedure heeft alleen betrekking op de toekenning van de standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Als belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de verrekeningen toekomt, kan zij een verzoek daartoe indienen op de website schadeherstel.toeslagen.nl. Gelet hierop adviseert de Commissie dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Artikel 19 Awir

Belanghebbende heeft aangevoerd dat B/T in strijd met het destijds geldende artikel 19 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) niet (tijdig) definitief heeft beslist over het recht op KOT in het betreffende toeslagjaar. Voor zover belanghebbende hiermee betoogt dat sprake is van vooringenomen handelen door B/T overweegt de Commissie als volgt. De Commissie meent dat het niet vaststellen van definitieve beschikkingen binnen de termijn van artikel 19 van de Awir op zichzelf, zonder andere bijkomende factoren, geen aanleiding is om vooringenomen handelen aan te nemen.

Informatie uit de KOI-viewer

Belanghebbende stelt dat B/T voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mag vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht zijn om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie gaat uit van de stelregel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie vanuit de KOI-viewer, tenzij er indicaties zijn die het tegendeel aannemelijk maken. Belanghebbende heeft geen informatie naar voren gebracht waaruit blijkt dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist is. De Commissie adviseert UHT dit bezwaaronderdeel ongegrond te verklaren.

Omissies / niet toegekende KOT

Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Registratie KOI

Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen. Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Werkelijke schade

Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij meer schade heeft geleden dan aan haar is vergoed. De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van de standaardvergoedingen (de zogeheten forfaitaire bedragen) en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Voor het vragen van aanvullende vergoeding van werkelijke schade kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheden, vermeld op www.schadeherstel.toeslagen.nl.

Compensatieberekening

De Commissie constateert dat UHT de compensatieberekening voor toeslagjaar 2011 opnieuw heeft uitgevoerd in de beschouwing van 16 oktober 2025. Uitkomst daarvan is dat de compensatieberekening voor toeslagjaar 2011 zal worden aangepast op onderdeel h. Hierdoor zullen de onderdelen j, s, t en u opnieuw worden berekend in de beslissing op bezwaar. De Commissie acht de berekening en de toelichting van UHT daarop navolgbaar en begrijpelijk. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt gegrond te verklaren en in haar beslissing op bezwaar de bedragen aan te passen overeenkomstig hetgeen zij daarover opmerkt in haar beschouwing.

Overige gronden

De Commissie is wat betreft de overige onderdelen van het bezwaar van oordeel dat deze, op zichzelf bezien noch in onderling verband gelezen, tot het door belanghebbende gewenste resultaat kunnen leiden.

Proceskosten

Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie tot toewijzing van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van een procespunt (bezwaarschrift) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen op de hierboven vermelde wijze.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter