BAC 2023-12733
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 20 februari 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 25 september 2025
Overdracht advies aan UHT: 16 oktober 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor de jaren 2014, 2017 en 2018 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2013, 2015 en 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 29 april 2021 verzocht om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 tot en met 2018.
- UHT heeft bij besluit van 31 augustus 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor betaling van € 30.000 (Catshuisregeling).
- UHT heeft op 1 december 2022 bij vooraankondiging met kenmerk UHT-VCH aan belanghebbende een compensatie toegekend van € 30.000.
- Gemachtigde heeft op 13 februari 2023 haar zienswijze op het voorgenomen besluit kenbaar gemaakt.
- UHT heeft op 20 februari 2023 bij het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 30.000 voor de jaren 2014, 2017 en 2018 en geen compensatie toegekend voor de jaren 2013, 2015 en 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 16 maart 2023, ingekomen op 16 maart 2023, tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
- Gemachtigde heeft bij brief van 20 februari 2024, ingekomen op 20 februari 2024, het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 10 juni 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift en de aanvulling daarop.
- Op 25 september 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Geen persoonlijk dossier en onvolledig bezwaardossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat zij niet de beschikking heeft over de volledige informatie, omdat zij niet de beschikking heeft over haar persoonlijk dossier en het volledige bezwaardossier.
De Commissie overweegt hierover het volgende. De Commissie is een onafhankelijke bezwaarschriftenadviescommissie in de zin van artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voor de procedure bij de Commissie gelden de procedurele waarborgen van de Awb en tegen beslissingen op bezwaar van UHT, zoals volgen op de adviezen van de Commissie, kan een belanghebbende rechtsmiddelen instellen bij de rechter. Op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht heeft een belanghebbende voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het verweerschrift van UHT met de bijbehorende producties is voorafgaand aan de hoorzitting naar gemachtigde gestuurd. Hierdoor hebben gemachtigde en belanghebbende kennis kunnen nemen van de stukken die ten grondslag liggen aan de bestreden besluiten. De Commissie is van oordeel dat het niet hebben van het persoonlijk dossier belanghebbende niet in de weg staat om op basis van het bezwaardossier inzicht te krijgen in hoe het compensatiebedrag tot stand is gekomen. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang zouden kunnen zijn geweest bij de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie is in voldoende mate invulling gegeven aan de procedurele waarborgen van de Awb. Het bezwaar is op dit punt dan ook ongegrond.
Gevolgen van de termijnoverschrijding door UHT
Belanghebbende verzoekt de Commissie advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen gevolgen van het overschrijden van de voor UHT geldende (beslis)termijnen. De Commissie gaat aan dit verzoek voorbij, nu de door UHT gehanteerde termijnen van beslissen buiten het kader van haar bevoegdheden vallen als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Bezwaarschriftenadviescommissie Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken en hardheid van het toeslagenstelsel.
Niet toegekende KOT
Volgens belanghebbende dient UHT de juistheid van de hoogte van de KOT zoals indertijd definitief vastgesteld te beoordelen. Zij is van oordeel dat de KOT over een aantal aan de orde zijnde jaren te laag is vastgesteld.
De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, van hardheid en/of van een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS). De Wht ziet niet op de herziening van in het verleden genomen definitieve KOT beschikkingen. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie laat daarom dit onderdeel van het bezwaar buiten beschouwing.
Registratie KOI
Belanghebbende heeft aangevoerd dat gebreken in de registratie van een kinderopvanginstelling (hierna: KOI) belanghebbende niet behoren te worden tegengeworpen.
Met UHT stelt de Commissie vast dat in het geval van belanghebbende niet is gebleken van gebreken in de registratie van de KOI waarvan belanghebbende gebruik heeft gemaakt. De Commissie adviseert UHT derhalve dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Informatie uit de KOI-viewer
Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) voor het vaststellen van de KOT niet blindelings op de KOI-viewer mocht vertrouwen, omdat kinderopvanginstellingen niet verplicht waren om de gegevens in de viewer in te vullen. De Commissie is van oordeel dat B/T en UHT mogen uitgaan van de informatie opgenomen in de KOI-viewer, tenzij er indicaties zijn die aannemelijk maken dat de gegevens in de KOI-viewer onjuist zijn. Belanghebbende heeft geen feiten genoemd waaruit, indien juist, zou volgen dat de informatie uit de KOI-viewer niet juist was. Deze bezwaargrond treft geen doel.
Bezwaarprocedures
Belanghebbende heeft aangevoerd dat voor alle jaren waarin bezwaar tegen beslissingen van B/T werd gemaakt en waarin op die bezwaren geen beslissing op bezwaar is genomen, vooringenomenheid dient te worden vastgesteld.
De Commissie overweegt dat belanghebbende haar stelling niet heeft onder-bouwd met een verwijzing naar bezwaren die zij in de door UHT onderzochte jaren zou hebben ingediend en waarop niet is beslist. Tegen deze achtergrond kan het bezwaar op dit punt niet slagen.
Artikel 19 Awir
Belanghebbende stelt dat de B/T op grond van artikel 19 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) destijds binnen een termijn van negen maanden definitief had moeten beslissen over de KOT, maar dat niet heeft gedaan. De Commissie is van oordeel dat dit bezwaar - wat daar verder ook van zij - buiten het bereik van deze (bezwaar)procedure valt en laat het daarom verder onbesproken.
Verrekeningen
Aan belanghebbende zijn de op de toeslagjaren die in deze procedure aan de orde zijn betrekking hebbende betaal-en verrekenoverzichten (LIC-Overzichten) verstrekt. Aldus is belanghebbende inzicht geboden in de verrekeningen die hebben plaatsgevonden. Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Vaststelling gedupeerdheid per jaar
Belanghebbende vindt het opmerkelijk dat voor sommige jaren vooringenomen handelen wordt aangenomen en voor andere jaren niet. Een selectie in jaren op basis van neerwaartse correcties of nihilstellingen doet geen recht doen aan de situatie van belanghebbende omdat de schade die door B/T in een jaar is veroorzaakt ook doorwerkte in de volgende jaren.
De Commissie wijst in dit verband op de wetsgeschiedenis van de Wht. In de Memorie van Toelichting wordt dit punt expliciet besproken: "Bij integrale beoordeling wordt vastgesteld wat er is misgegaan met de kinderopvangtoeslag bij een gedupeerde ouder en wordt per berekeningsjaar het herstelbedrag vastgesteld dat op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van dit wetsvoorstel wordt toegekend." (Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, p. 19).
De Commissie leidt hieruit af dat het kennelijk niet de bedoeling van de wetgever is geweest om de vaststelling van gedupeerd zijn van een toeslagouder automatisch door te trekken naar andere jaren. Volgens de Commissie zal daarom per jaar opnieuw moeten worden vastgesteld of sprake is geweest van vooringenomen handelen dan wel hardheid en of de werkwijze van UHT begrijpelijk en daarmee in overeenstemming is Dit onderdeel van het bezwaar acht de Commissie daarom ongegrond.
Opbouw compensatieberekening
Belanghebbende stelt dat UHT onvoldoende helder en begrijpelijk aan belanghebbende kenbaar heeft gemaakt hoe de componenten van de compensatieberekening zijn opgebouwd.
De Commissie kan UHT volgen in het door haar ingenomen standpunt ten aanzien van de motivering van de besluiten en de zorgvuldigheid van het hieraan ten grondslag liggende onderzoek. De compensatieberekening is vastgesteld aan de hand van de gegevens die UHT tot haar beschikking had en die blijken uit het bezwaardossier De bedragen zijn afkomstig van onder meer de voorschot-beschikkingen, definitieve beschikkingen en wijzigingsmeldingen van de KOT.
Voor zover UHT de bestreden beschikkingen bij het uitbrengen niet voldoende zou hebben toegelicht, impliceert dat niet dat van een gebrekkige motivering dan wel onzorgvuldigheid sprake is. De Commissie is van oordeel dat, met verwijzing naar de schriftelijke beschouwing met daarin per relevant toeslagjaar een toelichting voorzien van producties, de bestreden besluiten in de beslissing op bezwaar voldoende kunnen worden onderbouwd. Gelet hierop adviseert de Commissie UHT de bezwaren ten aanzien van dit punt ongegrond te verklaren.
Compensatieberekening component 'm': juridische hulp
Bij de berekening van de compensatie die belanghebbende toekomt is geen bedrag vastgesteld ter vergoeding van kosten voor juridische hulp. Belanghebbende stelt dat zij daarop wel recht heeft. De Commissie gaat aan deze stelling voorbij nu niet gebleken is dat belanghebbende in het kader van bezwaarprocedures tegen de vaststelling van de KOT in de jaren 2014 tot en met 2018, gebruik heeft gemaakt van professionele juridische hulp. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Hoogte materiële en immateriële schade
Belanghebbende is van oordeel dat de toegekende bedragen voor materiële en immateriële schade te laag zijn vastgesteld. De Commissie overweegt daaromtrent het volgende. Op grond van artikel 2.3 lid 3 Wht is de vergoeding voor materiële schade gelijk aan 25 procent van het bedrag dat als gevolg van de beschikking niet is toegekend of teruggevorderd. Op grond van artikel 2.3 lid 4 Wht is de vergoeding voor immateriële schade een forfaitaire vergoeding van € 500 voor ieder half jaar dat is verstreken tussen de dagtekening van een eerste beschikking als bedoeld in artikel 2.2, onderdeel a, en de dagtekening van de eerste beschikking tot toekenning van compensatie, waarbij een deel van een half jaar naar boven wordt afgerond op een half jaar. Het is op basis van de Wht niet mogelijk om af te wijken van deze systematiek en hogere schadevergoedingen toe te kennen. De onderhavige bezwaarschriftprocedure heeft alleen betrekking op de toekenning van genoemde forfaitaire (standaard) vergoedingen en niet op de vergoeding van eventuele hogere werkelijke materiele of immateriële schade.
Beoordeling per jaar
2013
Belanghebbende heeft aangevoerd dat zij ook over 2013 vooringenomen is behandeld. De Commissie volgt haar daarin niet. UHT heeft genoegzaam uiteengezet dat de neerwaartse bijstellingen van de KOT het gevolg waren van minder afgenomen opvanguren en een hoger toetsingsinkomen. Belanghebbende heeft de juistheid van het door UHT gehanteerde aantal uren en het in aanmerking genomen aantal uren niet betwist. De Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
2014
Belanghebbende stelt dat de compensatie over 2014 niet juist is berekend omdat onder component a (uw kinderopvangtoeslag voor het onderzoek) een te laag bedrag is opgenomen. Opgenomen is € 7.347 in plaats van € 9.071.
Ook hierin volgt de Commissie belanghebbende niet. Onder component a dient het bedrag te worden vermeld van de (voorlopig) vastgestelde KOT op het moment dat deze ten gevolge van een vooringenomen beslissing van B/T op nihil werd gesteld. Op dat moment was de KOT vastgesteld op € 7.347. Commissie adviseert dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
2015
UHT heeft onweersproken gesteld dat over 2015 geen neerwaartse correcties van de KOT hebben plaatsgevonden. Belanghebbende heeft dus geen recht op compensatie over dat jaar. De Commissie adviseert ook dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
2016
Belanghebbende meent dat zij ten aanzien van het toeslagjaar 2016 vooringenomen is behandeld omdat de KOT is stopgezet hoewel zij tijdig de gevraagde informatie had aangeleverd.
De Commissie stelt vast dat B/T weliswaar op 10 juli 2017 een stopzettingsbrief aan belanghebbende heeft verzonden wegens het ontbreken van een tijdige reactie op vraagbrieven met betrekking tot 2016. Aan die stopzettingsbrief heeft B/T evenwel geen gevolg gegeven, kennelijk omdat de gevraagde informatie alsnog was ontvangen. De KOT is niet stopgezet en er heeft ook geen terugvordering plaatsgevonden. Aldus is van vooringenomenheid geen sprake geweest. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
2018
Belanghebbende heeft in haar bezwaarschrift de vraag opgeworpen waarom er gedurende het toeslagjaar 2018 informatie bij haar is opgevraagd.
De Commissie overweegt dat niet aannemelijk is geworden dat B/T over het toeslagjaar 2018 meer of andere gegevens heeft opgevraagd dan noodzakelijk waren om het recht op KOT te kunnen vaststellen. Het instellen van een (extra) controle of het tussentijds opvragen van gegevens is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat B/T vooringenomen heeft gehandeld. Daarvoor is meer nodig. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.
Conclusie
Gelet het vorenstaande adviseert de Commissie UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter