Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12731

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 januari 2023 (UHT-DCH)

Hoorzitting: 12 juni 2025 om 13:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 17 november 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren in de onderhavige zaak ongegrond te verklaren en het bestreden besluit met kenmerk UHT-DCH in stand te laten. Tevens adviseert de Commissie het verzoek om vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 21.604,- over de maanden januari tot en met mei en december 2015 en het toeslagjaar 2016.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 18 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2013 tot en met 2015. In overleg met belanghebbende is dit verzoek gewijzigd naar de toeslagjaren 2014 tot en met 2017.
  • UHT heeft bij beschikking van 16 oktober 2021, met kenmerk UHT-B DMB2, aan belanghebbende medegedeeld dat zij wel in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,- (Catshuisregeling), maar dat de herbeoordeling nog niet klaar is.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 28 november 2022 aan UHT verstuurd. CvW heeft - kort samengevat - geoordeeld dat belanghebbende over het toeslagjaar 2014, de maanden juni tot en met november 2015 en toeslagjaar 2017 niet in aanmerking komt voor compensatie op basis van vooringenomen handelen of hardheid van het stelsel.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 januari 2023, met kenmerk UHT-DCH, aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van € 21.604,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 25 maart 2023, ingekomen op 25 maart 2023, bezwaar ingediend tegen deze beschikking.
  • UHT heeft op 5 september 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 12 juni 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Partijen hebben na de zitting gecorrespondeerd over de mogelijkheid tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Partijen moeten hiervoor nog bijeenkomen. De Commissie heeft besloten over te gaan tot advisering, zodat het advies kan worden meegenomen in de overwegingen rondom de vaststellingsovereenkomst.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaar ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

Ontbreken vooraankondiging

Belanghebbende stelt dat UHT ten onrechte geen vooraankondiging heeft verzonden, in strijd met de bepalingen uit de Wht. UHT stelt dat belanghebbende in bezwaar haar zienswijze alsnog naar voren heeft kunnen brengen. Het gebrek, ontstaan door het niet verzenden van de vooraankondiging, is volgens UHT hiermee hersteld.

Belanghebbende heeft geen vooraankondiging ontvangen, waardoor zij destijds niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. De Commissie overweegt dat, hoewel dat inderdaad niet de aangewezen gang van zaken is, belanghebbende in het kader van de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft gekregen en benut om haar bezwaren toe te lichten en te onderbouwen. Een eventuele tekortkoming is daarmee hersteld. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel

Belanghebbende stelt dat sprake is van schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikkingen behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.

Recht op compensatie

Belanghebbende stelt dat ten onrechte geen compensatie is toegekend en geen compensatieberekening is opgesteld voor toeslagjaar 2014, de maanden juni tot en met november 2015 en toeslagjaar 2017. De Commissie zal het recht op compensatie hieronder per toeslagjaar of periode behandelen.

Toeslagjaar 2014

Over toeslagjaar 2014 is de KOT eenmaal neerwaarts bijgesteld op 20 april 2018, van € 11.621 naar € 8.359. Deze neerwaartse bijstelling was het gevolg van informatie die belanghebbende op verzoek van de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) heeft aangeleverd. Uit deze informatie bleek dat belanghebbende recht had op een lagere KOT door een lager aantal opvanguren. Naar het oordeel van de Commissie was de neerwaartse bijstelling een reguliere correctie en is geen sprake geweest van vooringenomenheid over toeslagjaar 2014. Belanghebbende heeft ook geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die het toekennen van compensatie op grond van hardheid rechtvaardigen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Juni tot en met november 2015

UHT heeft eerder vastgesteld dat sprake was van vooringenomen handelen over toeslagjaar 2015. De KOT is op 29 december 2015 onterecht op nihil gesteld. B/T had destijds onvoldoende uitvraag bij belanghebbende gedaan voordat zij tot nihilstelling overging, waardoor zij haar recht op KOT onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken. UHT stelt dat over de maanden juni tot en met november 2015 sprake was van evident geen recht op KOT, omdat uit het door belanghebbende aangeleverde antwoordformulier van 1 februari 2016 blijkt dat belanghebbende geen opvang heeft afgenomen in de maanden juni tot en met november 2015. Naar het oordeel van de Commissie heeft UHT terecht geconcludeerd dat over de maanden juni tot en met november sprake was van evident geen recht op KOT, omdat geen kinderopvang is afgenomen in deze periode.

Belanghebbende komt hierdoor over deze periode niet in aanmerking voor compensatie. De Commissie adviseert het bezwaar ongegrond te verklaren.

Toeslagjaar 2017

De KOT over toeslagjaar 2017 is driemaal neerwaarts bijgesteld. De eerste neerwaartse bijstelling, van € 7.662 naar € 4.158, vond plaats op 21 februari 2017 en was het gevolg van een verlaging in het aantal opvanguren. De tweede verlaging, van € 4.158 naar € 756, was het gevolg van een stopzetting van de KOT per 1 april 2017 die belanghebbende zelf op 24 maart 2017 heeft doorgegeven. De laatste neerwaartse bijstelling, van € 14.384 naar € 12.987, vond plaats op 19 juli 2019. Deze bijstelling was het gevolg van een vermindering in het aantal opvanguren.

Naar het oordeel van de Commissie waren de neerwaartse bijstellingen reguliere correcties en is geen sprake geweest van vooringenomenheid over toeslagjaar 2017. Belanghebbende heeft ook geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die het toekennen van compensatie op grond van hardheid rechtvaardigen. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Compensatieberekening

Belanghebbende stelt dat de verschillende componenten in de compensatieberekening te laag zijn vastgesteld. Belanghebbende kan de bedragen onder de componenten niet controleren zonder het volledige dossier. Meer specifiek stelt belanghebbende dat belanghebbende ten onrechte geen vergoeding voor juridische hulp heeft ontvangen, omdat zij in het verleden in bezwaar is gegaan tegen (voorschot)beschikkingen KOT. Daarnaast stelt belanghebbende dat de vergoeding voor immateriële schade, de rentevergoeding over gemiste KOT en de aanvullende vergoeding van 1% te laag zijn vastgesteld.

De Commissie overweegt dat UHT met haar beschouwing, bijlage compensatieberekening en de ondersteunende producties de hoogte van de verschillende componenten voldoende heeft onderbouwd. De Commissie zal de hierboven genoemde specifieke componenten hieronder behandelen.

Vergoeding voor juridische hulp

Belanghebbende stelt dat zij ten onrechte geen vergoeding voor juridische hulp heeft ontvangen over de toeslagjaren 2015 en 2016. In de bestreden beschikking staat immers vermeld dat belanghebbende in bezwaar is gegaan en belanghebbende stelt dat zij externe hulp hiervoor heeft ingeschakeld. UHT stelt dat deze vergoeding terecht op € 0 is vastgesteld over de toeslagjaren 2015 en 2016, omdat belanghebbende geen juridische hulp heeft ingeschakeld met betrekking tot de KOT.

De Commissie overweegt dat uit het dossier niet blijkt dat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende juridische bijstand in het kader van haar bezwaar. De Commissie kan niet anders dan concluderen dat de vergoeding voor juridische hulp juist is vastgesteld en adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Vergoeding voor immateriële schade

Belanghebbende stelt dat de vergoeding voor immateriële schade ten onrechte is vastgesteld op € 7.500. Zij licht toe dat zij al vanaf 2014 problemen ervaart als gevolg van de toeslagenaffaire en dat vergoeding voor immateriële schade hierdoor ten minste moet worden vastgesteld op € 9.000. UHT reageert dat de verkeerde start- en einddatum zijn gehanteerd voor de berekening, maar dat dit in het voordeel van belanghebbende is. De juiste startdatum zou 29 december 2015 moeten zijn in plaats van 13 november 2015, omdat de KOT toen voor het eerst onterecht werd bijgesteld. De einddatum moet de dagtekening van de definitieve compensatiebeschikking zijn, 23 januari 2023. Voor de einddatum is echter 24 januari 2023 gehanteerd.

De Commissie overweegt dat de onjuiste datums in het voordeel van belanghebbende zijn en onderschrijft het standpunt van UHT dat deze datums gehanteerd moeten blijven. De Commissie adviseert de vergoeding voor immateriële schade in stand te houden en het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Rentevergoeding over gemiste KOT

UHT heeft toegelicht dat de rentevergoeding over gemiste KOT over de toeslagjaren 2015 en 2016 onjuist, maar in het voordeel van belanghebbende zijn berekend. UHT is voornemens deze berekeningen in stand te laten. De Commissie deelt het standpunt van UHT. De Commissie adviseert de berekening van de rentevergoeding over gemiste KOT in stand te laten en het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Aanvullende vergoeding van 1%

Belanghebbende stelt dat de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal hoger moet zijn, nu de overige componenten te laag zijn vastgesteld. UHT stelt dat deze vergoeding te hoog is vastgesteld, omdat de rentevergoeding over gemiste KOT onjuist te hoog was berekend. UHT is voornemens om de berekening van de aanvullende vergoeding van 1% in stand te laten.

De Commissie deelt het standpunt van belanghebbende dat de overige componenten te laag zijn vastgesteld niet. Naar het oordeel van de Commissie dient de berekening van de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal daarom in stand te worden gelaten. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding

Nu het bezwaar naar het oordeel van de Commissie ongegrond is en het bestreden besluit stand kan blijven, adviseert de Commissie om het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarprocedure met betrekking tot de beschikking met kenmerk UHT-DCH af te wijzen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar, gericht tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH, ongegrond te verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter