Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12694

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluiten: 22 april 2022 met kenmerk UHT-DC-1 A

22 april 2022 met kenmerk UHT-DC I

22 april 2022 met kenmerk UHT-DH5 A

11 mei 2022 met kenmerk UHT-O OGS B

Hoorzitting: 8 april 2025 om 15:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 17 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar tegen de twee beschikkingen van 22 april 2022 met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DC-1 A en de beschikking van 11 mei 2022 ongegrond te verklaren. Met betrekking tot toeslagjaar 2011 adviseer de Commissie om in de beslissing op bezwaar een nieuwe berekening uit te voeren waarbij rekening wordt gehouden met de betaalde eigen bijdrage en of belanghebbende daarmee heeft voldaan aan het drempelbedrag van €1.500 voor de hardheidsregeling. Vooralsnog ziet de Commissie geen aanleiding om het bezwaar tegen de beschikking van
22 april 2022 met kenmerk UHT-DH5 A gegrond te verklaren en een kostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de volgende vier beschikkingen van UHT:

  1. Definitieve beschikking afwijzing compensatie kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) met kenmerk UHT-DC-1 A;
  2. Definitieve beschikking compensatie KOT met kenmerk UHT-DC I;
  3. Beschikking herbeoordeling KOT met kenmerk UHT-DH5 A ;
  4. Definitieve beschikking tegemoetkoming Opzet/Grove Schuld (hierna: O/GS) met kenmerk UHT-O OGS B.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Compensatieregeling CAF 11 en vergelijkbare (CAF-)zaken van 28 augustus 2020 (Stcrt. 2020, nr. 45904; hierna: Compensatieregeling) het compensatiebedrag voor toeslagjaar 2013 vastgesteld op €23.218. Het definitief toegekende bedrag van € 30.000 wijzigt hierdoor niet. Er wordt over de toeslagjaren 2011 en 2012 geen compensatie toegekend vanwege vooringenomenheid dan wel op grand van de hardheidsregeling. Over deze jaren komt belanghebbende wel in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming ter grootte van € 1.469.

Op 5 november 2022 is de Wet van 2 november 2022 houdende regels ten behoeve van de hersteloperatie toeslagen (Wet hersteloperatie toeslagen, hierna: Wht) in werking getreden. Gelet op het bepaalde in de artikelen 8.6 en 9.2 Wht moeten de bestreden beschikkingen geacht warden te zijn genomen op grand van artikel 2.1 en verder van de Wht.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 8 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de KOT over 2013. In overleg met de persoonlijk zaaksbehandelaar is de herbeoordeling aangepast naar de jaren 2011 tot en met 2013.
  • UHT heeft bij beschikking van 1 april 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van€ 30.000.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 18 februari 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2011 en 2012 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Belanghebbende komt over deze jaren wel in aanmerking voor een O/GS-tegemoetkoming.
  • UHT heeft bij vooraankondiging aan belanghebbende voor toeslagjaar 2013 een compensatie toegekend van€ 21.262.
  • UHT heeft met de eerste bestreden beschikking van 22 april 2022, met kenmerk UHT-DC-1 A, geen compensatie over de jaren 2011 en 2012 toegekend vanwege vooringenomen heid.
  • UHT heeft met de tweede bestreden beschikking van 22 april 2022, met kenmerk UHT-DC I, over toeslagjaar 2013 compensatie toegekend van€ 23.218.
  • UHT heeft met de derde bestreden beschikking van 22 april 2022, met kenmerk UHT-DH5 A, belanghebbende laten weten dat over de toeslagjaren 2011 en 2012 geen beroep kan op de hardheidsregeling kan warden gedaan.
  • UHT heeft met de vierde bestreden beschikking van 11 mei 2022, met kenmerk UHT-O OGS B, belanghebbende laten weten dat zij over de toeslagjaren 2011 en 2012 recht heeft op een O/GS-tegemoetkoming ter grootte van€ 1.469.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 19 april 2023 tegen de vier eerder genoemde beschikkingen een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 27 november 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 8 april 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Op 22 april 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingebracht.
  • Op 13 mei 2025 heeft gemachtigde op de beschouwing gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie zal eerst ingaan op alle op de zaak betrekking hebbende stukken.

Alle op de zaak hebbende stukken
Gemachtigde heeft verzocht om het bezwaardossier. Tijdens de hoorzitting heeft gemachtigde ingebracht dat het informatie- en beoordelingsformulier over toeslagjaar 2013 niet in het dossier is opgenomen. Ook ontbreken de stukken die zien op de O/GS-toetsing. Gemachtigde vindt het vreemd dat UHT in deze bezwaarprocedure verwijst naar het ouderdossier. Gemachtigde heeft het ouderdossier echter niet ontvangen.

UHT heeft tijdens de hoorzitting aangekondigd het ouderdossier naar gemachtigde te zullen sturen. In het ouderdossier zijn de ontbrekende documenten die voor deze bezwaarprocedure ook van belang zijn opgenomen.

De Commissie stelt vast dat het bezwaardossier en de schriftelijke beschouwing, met de bijlage van de compensatieberekening, van 27 november 2024 op 22 januari 2025 naar gemachtigde zijn verzonden.

Tijdens de hoorzitting van 8 april 2025 heeft de Commissie met gemachtigde vastgesteld dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken naar gemachtigde zijn gestuurd.

Voor de ontbrekende stukken heeft de Commissie UHT verzocht om onverwijld na de hoorzitting het ouderdossier naar de gemachtigde te sturen.

Op 22 april 2025 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingebracht waarin zij heeft verwezen naar de producties van het ouderdossier, te weten: 07.00001, 10.00001 en 12.11008.

De Commissie stelt op grond van het voorgaande vast dat belanghebbende en gemachtigde alle op de zaak betrekking hebbende stukken hebben ontvangen en dat daarmee voldaan is aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde verplichting. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Toeslagjaar 2011
Belanghebbende heeft in toeslagjaar 2011 gebruik gemaakt van twee kinderopvangorganisaties. Het gaat om kinderopvangorganisatie X van 1 januari tot en met 30 juni 2011 en kinderopvangorganisatie Y van 1 september tot en met 31 december 2011. UHT gaat ervan uit dat de totale opvangkosten € 12.051 bedroegen en dat € 8.913 aan de kinderopvanginstelling is betaald, en dat daarom geen beroep kan warden gedaan op de hardheidsregeling. UHT dient per kinderopvangorganisatie te beoordelen of aan de grens voor de hardheidsregeling van € 1.500 is voldaan. Daarbij dient ook rekening gehouden te warden met de betaalde "eigen bijdrage" door belanghebbende.

De Commissie heeft UHT naar aanleiding van de gemaakte afspraken op de zitting opgedragen om de stelling van belanghebbende nader te onderzoeken.
In de aanvullende beschouwing van 22 april 2025 heeft UHT toegelicht dat de totale opvangkosten bij kinderopvangorganisatie X € 7.913 bedroegen en dat de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) een bedrag van€ 8.913 aan kinderopvangorganisatie X heeft betaald. UHT heeft zich daarbij gebaseerd op het ingestuurde antwoordformulier kinderopvangtoeslag en het LIC-overzicht van 2011. Het verschil tussen deze bedragen is € 1.000 en dat is minder dan € 1.500, zodat het beroep op de hardheidsregeling niet slaagt. Uit het LIC-overzicht blijkt eveneens dat aan kinderopvangorganisatie Y, over de periode van 1 september tot en met 31 december 2011, geen KOT is overgemaakt.

Belanghebbende stelt in haar reactie van 13 mei 2025 dat er meer dan € 1.500 aan de kinderopvanginstelling is uitbetaald, en dat daarbij rekening moet worden gehouden met de eigen bijdrage die de ouder aan de kinderopvang heeft betaald. UHT heeft niet betwist dat belanghebbende een eigen bijdrage heeft betaald, aldus belanghebbende.

De Commissie overweegt hierover het volgende. Wanneer de KOT rechtstreeks is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling maar bij de ouder wordt teruggevorderd omdat het recht op KOT lager bleek te zijn, kan volgens vaste uitvoeringspraktijk - zoals opgenomen in het Handboek lntegrale Beoordeling Vaktechnisch van UHT - sprake zijn van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft tot recht op compensatie vanwege hardheid. Voor het aannemen van het bestaan van een bijzondere omstandigheid is, volgens die praktijk, niet voldoende dat bij de ouder een bedrag van ten minste € 1.500,-is teruggevorderd. Ook moet duidelijk zijn dat een bedrag van ten minste €  1.500,- teveel is uitbetaald aan de kinderopvanginstelling en niet ten goede aan belanghebbende is gekomen. De Commissie heeft in de Wht geen aanknopingspunten gevonden die zouden moeten leiden tot de opvatting dat deze praktijk zich niet met die wet zou verdragen of anderszins in strijd zou komen met een wet in formele zin of een rechtsregel van hogere orde. Evenmin acht de Commissie plaats voor de opvatting dat deze praktijk een toets aan het evenredigheidsbeginsel niet zou kunnen doorstaan.

De Commissie stelt op basis van het ingevulde antwoordformulier, de jaaropgave en het LIC-overzicht vast dat over toeslagjaar 2011 een bedrag van € 8.913 aan KOT aan kinderopvangorganisatie X is betaald. De werkelijke totale opvangkosten bij deze opvang bedroegen € 7.913, zodat het verschil tussen deze bedragen €1.000 bedraagt. Dat bedrag is lager dan de beleidsmatige drempel van € 1.500 die bij toepassing van de KOT naar KOi regeling door UHT in acht wordt genomen. Belanghebbende stelt zich echter op het standpunt dat dat zij ook een eigen bijdrage betaalde, zodat die eerst op het bedrag van de opvangkosten in mindering moet worden gebracht. UHT betwist dat, maar heeft nagelaten inhoudelijk te motiveren waarom dat zo is.

De Commissie merkt op dat de KOT naar KOi regeling ertoe lijkt te strekken compensatie te bieden in gevallen waarin de KOi teveel KOT ontving en ten onrechte onder zich hield. Dit laatste terwijl de ouder wel met een terugvordering werd geconfronteerd. Binnen het stappenplan dat UHT hanteert, wordt het bedrag van de teveel ontvangen KOT becijferd door het aan de KOi uitbetaalde bedrag aan KOT af te zetten tegen de werkelijke opvangkosten. Dat laatste bedrag bestaat in de regel echter uit een component KOT en een component eigen bijdrage. De Commissie ziet - zonder nadere toelichting - dan ook niet in waarom bij de KOT naar KOi regeling in beginsel geen rekening zou kunnen warden gehouden met het bedrag dat de KOi ontving in de vorm van de eigen bijdrage. Een vereiste is dan wel dat o.a. aannemelijk is dat die eigen bijdrage ook daadwerkelijk is betaald. Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting benadrukt de eigen bijdrage voor 2001 te hebben betaald en UHT heeft dat niet betwist zodat de Commissie geen aanleiding ziet om daaraan te twijfelen.

De Commissie is van oordeel dat UHT bij de vaststelling of de beleidsmatige drempel van € 1.500 wordt gehaald rekening dient te houden met de eigen bijdrage die belanghebbende aan de kinderopvanginstelling X heeft betaald. Daarbij zal van de werkelijk gemaakte opvangkosten ter grootte van € 7.913 de betaalde eigen bijdrage moeten warden afgetrokken. Zodat de rekensom dan als volgt luidt:

De betaalde KOT aan de kinderopvanginstelling - (de werkelijk gemaakte opvangkosten - betaalde eigen bijdrage door belanghebbende aan de kinderopvanginstelling).

Gelet op het vorenstaande is het de Commissie vooralsnog niet duidelijk of belanghebbende heeft voldaan aan de beleidsmatige drempel van € 1.500 en het beroep op de hardheidsregeling slaagt en daarmee in aanmerking komt voor een tegemoetkoming. De Commissie laat dan ook in het midden of het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking van 22 april 2022 met kenmerk UHT-DH5 A gegrond verklaard dient te worden.

De Commissie meent op grond van het voorgaande dat de bezwaren gericht tegen de beschikking van 22 april 2022 met kenmerk UHT-DC-I A geen doel treft.

Toeslagjaar 2013
UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 22 april 2025 toegelicht dat belanghebbende in toeslagjaar 2013 door B/T vooringenomen is behandeld. Belanghebbende is vooringenomen behandeld omdat B/T aan wel beschikbare informatie voorbij is gegaan, waaronder zelf aangeleverde stukken en informatie uit de Koi-viewer. Verder heeft B/T onvoldoende getracht om informatie in te winnen die noodzakelijk is voor de beoordeling. Ten onrechte is de nihil beschikking in stand gelaten. De Commissie kan zich vinden in deze uitleg en de conclusie dat vooringenomen is gehandeld en dat belanghebbende daarvoor gecompenseerd dient te worden.

In aansluiting op de voorgaande alinea ziet de Commissie zich voor de vraag gesteld of UHT de toegekende compensatie over toeslagjaar 2013, zoals blijkt uit de beschouwingen van 27 november 2024 en 22 april 2025, op de juiste wijze heeft berekend. Hierbij zal zij ingaan op de volgende componenten van de compensatieberekening:

UHT heeft in de aanvullende beschouwing van 22 april 2025 toegelicht dat belanghebbende in toeslagjaar 2013 door B/T vooringenomen is behandeld. Belanghebbende is vooringenomen behandeld omdat B/T aan wel beschikbare informatie voorbij is gegaan waaronder zelf aangeleverde stukken en informatie uit de Koi-viewer. Verder heeft belanghebbende onvoldoende getracht om informatie in te winnen die zij noodzakelijk achtte voor de beoordeling. Ten onrechte is de nihil beschikking in stand gelaten. De Commissie kan zich vinden in deze uitleg en de conclusie dat vooringenomen is gehandeld en dat belanghebbende daarvoor gecompenseerd dient te worden.

In aansluiting op de voorgaande alinea ziet de Commissie zich voor de vraag gesteld of UHT de toegekende compensatie over toeslagjaar 2013, zoals blijkt uit de beschouwingen van 27 november 2024 en 22 april 2025, op de juiste wijze heeft berekend. Hierbij zal zij ingaan op de volgende componenten van de compensatieberekening:

  • Rentevergoeding voor gemiste KOT en het gehanteerde rentepercentage;
  • Immateriele vergoeding voor schade.

Renteverqoedinq voor gemiste KOT en qehanteerde rentepercentaqe
Belanghebbende heeft tijdens de hoorzitting aangevoerd dat in de vooraan-kondigingsbeschikking van 22 september 2021 wordt uitgegaan van een rentepercentage van 4%. In de beschouwing van UHT van 22 april 2025, met de bijlage van de compensatieberekening en verwijzing naar de rentevergoeding voor gemiste KOT, wordt hiervan afgeweken. De eerdere toezegging dient nagekomen te worden. In reactie daarop heeft UHT gesteld dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. In de vooraankondiging gaat het om een algemene toelichting die van toepassing is voor alle ouders. Bovendien gaat het om een percentage dat in 2021 van toepassing is. Gemachtigde heeft in reactie daarop duidelijk gemaakt dat het niet gaat om een algemene toelichting en dat zij mocht vertrouwen op een rentepercentage van 4%.

De Commissie zal onderzoeken of het beroep van belanghebbende gehonoreerd dient te worden. Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel gaat het om drie stappen die doorlopen moeten worden. De eerste is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. In het kader van de derde stap zal de vraag moeten warden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.

Ten aanzien van de eerste stap stelt de Commissie vast dat er geen sprake is geweest van een toezegging van de zijde van B/T dat in afwijking van de van toepassing zijnde regelgeving met een rentepercentage van 4% zou worden gerekend. De toelichting "Uitleg berekening vooraankondiging compensatiebedrag kinderopvangtoeslag" in de vooraankondiging compensatie KOT van 22 september 2021, waar een rentepercentage van 4% wordt genoemd, dient te worden aangemerkt als algemene informatieverstrekking van B/T. Deze informatie van algemene aard zag op het op dat moment actuele rentepercentage in 2021 van 4% en is in zoverre niet volledig geweest, maar gaat niet specifiek in op de situatie van belanghebbende. Belanghebbende mocht dan ook geen vertrouwen ontlenen dat vanaf 12 november 2013, waarover rente verschuldigd was, met een rentevergoeding van 4% zou worden gerekend. Naar het oordeel van de Commissie is dan ook geen sprake geweest van een toezegging van de zijde van B/T. Aan een verdere inhoudelijke beoordeling voor een beroep op het vertrouwensbeginsel wordt dan ook niet meer toegekomen. Deze bezwaargrond treft geen doel.

Ingevolge artikel 2.2, aanhef onder g, van de Wht wordt over het niet uitgekeerde bedrag, vanwege het verminderen of niet toekennen van de KOT of het beëindigen van de voorschotverlening van de KOT, rente vergoed. De rente wordt berekend over het bedrag aan compensatie voor correctiebesluiten met overeenkomstige toepassing van artikel 27 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Ingevolge artikel 27 Awir wordt de rente berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli van het jaar volgend op het berekeningsjaar en eindigt op de dag van de dagtekening van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming.

De Commissie kan zich verder, rekening houdend met het hierboven genoemde wettelijk kader, vinden in de opnieuw gemaakte berekening van de rentevergoeding voor gemiste KOT. UHT heeft daarbij voldoende inzichtelijk gemaakt dat deze vergoeding te hoog is vastgesteld op € 7.207 en dat het bedrag € 6.763 had moeten zijn. In het kader van deze bezwaarprocedure wordt hierop niet ten nadele van belanghebbende teruggekomen.

Immateriële vergoeding voor schade
In artikel 2.3, vierde lid, van de Wht is bepaald dat voor de startdatum van deze vergoeding uitgegaan moet worden van de eerste neerwaartse correctie-beschikking. UHT is daarbij uitgegaan van de datum 12 november 2013, terwijl uitgegaan diende te worden van de datum 18 november 2013. Voor de einddatum is uitgegaan van een onjuiste datum, te weten 12 april 2022, terwijl de juiste datum 22 april 2022 is. Uitgaande van de juiste termijn levert dat geen verhoging op van deze vergoeding en blijft deze ongewijzigd op € 8.500.

De Commissie stelt vast dat de twee hierboven genoemde componenten niet leiden tot nieuwe rechtsgevolgen met betrekking tot de hoogte van het compensatiebedrag. Het bezwaar tegen de bestreden beschikking van 22 april 2022, met kenmerk UHT-DC I, dient daarom ongegrond te worden verklaard.

O/GS-kwalificatie
Het is de Commissie verder niet gebleken dat de vaststelling van de 0/GS-tegemoetkoming ter grootte van € 1.469, die ziet op de toeslagjaren 2011 en 2012, onjuist is vastgesteld. Gemachtigde heeft hiertegen geen bezwaargronden aangevoerd, zodat het bezwaar tegen de beslissing van 11 mei 2022 ongegrond moet warden verklaard.

Hardheidsclausule
Belanghebbende stelt dat, als zij niet als gedupeerde op grond van voorin-genomenheid of hardheid kan warden aangemerkt, zij recht heeft op compensatie op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1, lid 1, Wht. Op grond van artikel 9.1, lid 1, van de Wht kan UHT bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van artikel 2.1, voor zover toepassing van dit artikel gelet op het doel of de strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die heeft verzocht om de toekenning. Daarbij volgt uit de wetsgeschiedenis bij artikel 9.1 van de Wht dat de hardheidsclausule is bedoeld voor een bijzondere situatie waarin niet is voorzien en waarin toepassing van de wet tot een zeer onbillijke uitkomst leidt. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat vasthouden aan de toepassing van de desbetreffende bepaling voor degene die heeft verzocht om toekenning van een van de genoemde herstelregelingen, zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

De Commissie is van oordeel dat zo'n bijzondere situatie zich hier niet voordoet.
Zij ziet geen bijzondere omstandigheden in de situatie van belanghebbende die de toekenning van compensatie op grond van artikel 9.1, lid 1, Wht rechtvaardigen. Belanghebbende heeft ook verder niet onderbouwd en aannemelijk gemaakt waarom een beroep op artikel 9.1, lid 1, Wht gerechtvaardigd is. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert de primaire beschikkingen te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar tegen de twee beschikkingen van 22 april 2022 met de kenmerken UHT-DC I en UHT-DC-1 A en de beschikking van 11 mei 2022 ongegrond te verklaren. Met betrekking tot toeslagjaar 2011 adviseert de Commissie om in de beslissing op bezwaar een nieuwe berekening uit te voeren waarbij rekening wordt gehouden met de betaalde eigen bijdrage en of belanghebbende daarmee heeft voldaan aan het drempelbedrag van € 1.500 voor de hardheidsregeling. Vooralsnog ziet de Commissie geen aanleiding om het bezwaar tegen de beschikking van 22 april 2022 met kenmerk UHT-DHS A gegrond te verklaren en een kostenvergoeding toe te kennen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter