BAC 2023-12689
Publicatiedatum 08-09-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 30 maart 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 1 mei 2026 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 8 juni 2026
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, conform de toezegging van UHT alsnog compensatie te verlenen voor de maanden januari tot en met juni 2009, en om compensatie wegens vooringenomenheid te verlenen voor de maanden juni tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011 en 2012.
Verder adviseert de Commissie UHT om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen het door UHT op 30 maart 2023 genomen definitieve besluit kinderopvangtoeslag met kenmerk UHT-DCH (hierna: het bestreden besluit).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 39.607 voor de maanden januari tot en met september 2008, juli tot en met december 2009, en januari tot en met mei 2010. UHT heeft aan belanghebbende geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2007, de maanden oktober tot en met december 2008, januari tot en met juni 2009, juni tot en met december 2010, en de toeslagjaren 2011 en 2012.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 28 juni 2022 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). Na overleg tussen belanghebbende en UHT heeft de herbeoordeling zich uitgestrekt over de toeslagjaren 2007 tot en met 2012.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 14 december 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat de compensatieregeling van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht niet van toepassing is voor het toeslagjaar 2007, de maanden oktober tot en met december 2008, januari tot en met juni 2009, juni tot en met december 2010, en de toeslagjaren 2011 en 2012.
- UHT heeft bij het bestreden besluit aan belanghebbende compensatie toegekend voor een bedrag van € 39.607 voor de maanden januari tot en met september 2008, juli tot en met december 2009, en januari tot en met mei 2010 en geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2007, de maanden oktober tot en met december 2008, januari tot en met juni 2009, juni tot en met december 2010, en de toeslagjaren 2011 en 2012.
- Gemachtigde heeft bij brief van 3 mei 2023 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 1 juni 2023 het bezwaar aangevuld.
- UHT heeft op 14 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 29 april 2026 heeft UHT een aanvullende beschouwing ingediend.
- Op 1 mei 2026 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit
Onvolledig dossier
Belanghebbende voert in bezwaar aan dat het dossier onvolledig is. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke beschouwing en de onderliggende stukken zijn op 14 mei 2025 aan gemachtigde toegezonden.
De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Inhoudelijke bezwaren
Omvang van het geschil
Ter zitting heeft gemachtigde verklaard dat er geen bezwaren meer zijn met betrekking tot het toeslagjaar 2007. UHT heeft ter zitting toegezegd om ook voor de maanden januari tot en met juni 2009 compensatie te verlenen op grond van de reeds vastgestelde vooringenomenheid door de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T). De Commissie gaat ervan uit dat UHT haar toezegging op dit punt zal nakomen bij de beslissing op bezwaar en adviseert UHT om het bezwaar in zoverre gegrond te verklaren.
Beoordeling afwijzing compensatie
Naar aanleiding van het verhandelde ter hoorzitting ziet de Commissie zich, uitgaande van de gehandhaafde gronden van bezwaar en de inhoud van het bestreden besluit, nog gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming over de maanden oktober tot en met december 2008, mei tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011 en 2012 af te wijzen.
Oktober tot en met december 2008
Ter zitting heeft gemachtigde aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat na september 2008 opvang is afgenomen, nu in oktober en november 2008 KOT is uitbetaald aan belanghebbende. Voorts heeft gemachtigde betoogd dat belanghebbende in ieder geval recht heeft op compensatie over het volledige toeslagjaar 2008 vanwege onzorgvuldig handelen van B/T bij de automatische continuering van de KOT, waarbij in het toeslagjaar 2008 een aanzienlijk hoger bedrag is toegekend (€ 12.237) dan in het toeslagjaar 2007 (€ 4.606).
De Commissie overweegt als volgt. Het enkele feit dat in oktober en november 2008 betalingen van KOT hebben plaatsgevonden, is onvoldoende om aan te nemen dat in die maanden daadwerkelijk sprake is geweest van opvang.
Zoals UHT ter zitting heeft toegelicht, zijn deze betalingen verricht omdat de KOT nog niet was stopgezet. Ten aanzien van het gestelde onzorgvuldig handelen van B/T heeft UHT ter zitting toegelicht dat het voorschot in het toeslagjaar 2008 hoger was, omdat dat voor het volledige toeslagjaar is toegekend, terwijl de KOT in het toeslagjaar 2007 slechts was toegekend voor de periode van 16 augustus 2007 tot en met 31 december 2007. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden voor de opvatting dat deze toelichting van UHT onjuist is. UHT heeft aldus de grenzen van wat nog een zorgvuldige voorbereiding van een besluit kan worden genoemd niet genaderd, laat staan overschreden. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Juni tot en met december 2010, toeslagjaren 2011 en 2012
Niet ter discussie staat dat in de maanden juni tot en met december 2010 en in de toeslagjaren 2011 en 2012 sprake is geweest van een vooringenomen handelwijze van B/T. Ingevolge artikel 2.1, lid 1, van de Wht komt voor een compensatie in aanmerking de ouder van wie aannemelijk is dat de vaststelling van zijn aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van bijzondere hardheid of van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T. Toekenning van compensatie blijft, op grond van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, achterwege bij ernstige onregel-matigheden die aan de ouder kunnen worden toegerekend. Dit laatste is onder meer het geval in situaties waarin een belanghebbende evident geen recht had op KOT. Volgens UHT is dit laatste in de voormelde periodes het geval, omdat op basis van de KOI-viewer en de verklaring in het ouderverhaal, inhoudende dat na mei 2010 geen opvang meer zou zijn afgenomen, geen sprake zou zijn geweest van opvang. Belanghebbende heeft dit betwist en heeft aangevoerd dat zij vanaf juni 2010 wel degelijk opvang heeft afgenomen.
De Commissie wijst erop dat, gelet op het uitzonderingskarakter van artikel 2.1 lid 2 van de Wht, de bewijslast van het standpunt dat evident geen recht bestaat op KOT, bij UHT ligt. De Commissie wijst op het beleid in het Handboek Integrale Beoordeling Vaktechniek van UHT, versie 3.16, pagina 20: “Als je evident geen recht op KOT stelt moet je zeker weten dat er geen opvang is geweest over die periode of dat de ouder (of toeslagpartner) niet voldeden aan de eisen om KOT te ontvangen.” Geplaatst tegen die achtergrond overweegt de Commissie het volgende.
Naar de opvatting van de Commissie heeft UHT ten aanzien van de maanden juni tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011 en 2012 niet aan haar bewijslast voldaan. De omstandigheid dat met betrekking tot het kind van belanghebbende geen opvanggegevens in de KOI-viewer zijn geregistreerd in deze periode acht de Commissie onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van opvang en dat daarom geconcludeerd moet worden dat er “evident geen recht” op KOT bestond. Van de juistheid van het ontbreken van gegevens in de KOI-viewer kan, ook in het onderhavige geval, niet zonder meer worden uitgegaan. De gegevens werden namelijk op aanvraag door kinderopvanginstellingen verstrekt. Bovendien is de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden. Daarbij neemt de Commissie tevens in aanmerking dat belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat de in het ouderverhaal opgenomen passage dat vanaf juni 2010 geen opvang meer zou zijn afgenomen, niet juist is en dat in de desbetreffende periode wel degelijk opvang is afgenomen. Die opmerking vindt steun in de omstandigheid dat in de tijdlijn in het informatie- en beoordelingsformulier (pagina’s 21 tot en met 24 ouderdossier) verschillende kinderopvanginstellingen worden genoemd, waaronder in ieder geval de kinderopvanginstelling (hierna: KOI) “[naam KOI]” in de toeslagjaren 2010, 2011 en 2012. Naar de opvatting van de Commissie kan UHT dan ook niet met de vereiste zekerheid stellen dat belanghebbende in de maanden juni tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011 en 2012 niet voldeed aan de vereisten om KOT te ontvangen, zoals neergelegd in het hiervoor vermelde beleid (versie 3.16, pagina 20). Van omstandigheden op grond waarvan vorenvermeld beleid niet op het onderhavige geval van toepassing zou zijn, is naar de opvatting van de Commissie niet gebleken.
Gelet hierop adviseert de Commissie UHT om alsnog over te gaan tot compensatie aan belanghebbende voor de maanden juni tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011 en 2012, op grond van de door UHT reeds vastgestelde vooringenomenheid. Het bezwaar is in zoverre gegrond. Voor zover ter zitting door UHT nog is gewezen op onduidelijkheden met betrekking tot de rekeningnummers waarop in het toeslagjaar 2010 de KOT is uitbetaald, adviseert de Commissie UHT om deze omstandigheid nader te onderzoeken en bij de beslissing op bezwaar te betrekken.
Verrekeningen en beslagvrije voet
Belanghebbende stelt dat financiële problemen zijn ontstaan vanwege de verrekening van terug te vorderen bedragen met andere toeslagen en dat de beslagvrije voet niet is toegepast. De Commissie overweegt ter zake als volgt.
Bij de bepaling van de hoogte van de compensatie in de artikelen 2.2 en 2.3 Wht wordt aangesloten bij het bedrag van de weigering, terugvordering of stopzetting van KOT die een direct gevolg is van onder andere hardheid. De verrekening van een op zichzelf terechte terugvordering of stopzetting valt daar niet onder. B/T is daartoe bevoegd op grond van artikel 30 van de Awir. Niet is gebleken dat in dit geval niet van deze bevoegdheid gebruik had kunnen worden gemaakt.
De Commissie overweegt verder dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening
De Commissie ziet zich vervolgens gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de maanden januari tot en met september 2008, juli tot en met december 2009 en januari tot en met mei 2010 op de juiste wijze heeft berekend.
De Commissie overweegt dat belanghebbende met de schriftelijke beschouwing van UHT een nadere toelichting heeft ontvangen op de berekening van de compensatie. Daarbij is een per onderdeel uitgesplitste compensatieberekening verstrekt, zodat belanghebbende de juistheid van de berekening kan verifiëren. UHT heeft vastgesteld dat aanvankelijk is uitgegaan van een onjuiste einddatum voor de vergoeding van immateriële schade (component n). Dit leidt niet tot een wijziging van de vergoeding. Daarnaast is een onjuiste einddatum van de vergoeding voor de rente over gemiste KOT (component o) gehanteerd.
Daardoor is deze vergoeding aanvankelijk, in het voordeel van belanghebbende, onjuist vastgesteld. UHT heeft toegezegd het daarmee gemoeide bedrag, gezien het verbod op reformatio in peius, niet ten nadele van belanghebbende te zullen wijzigen. Tot slot heeft UHT ter zitting toegelicht dat bij component i (invorderingskosten en rente) in de bijlage bij de schriftelijke beschouwing abusievelijk € 0 is vermeld, terwijl het juiste bedrag ad € 263 is opgenomen in het bestreden besluit. Het bestreden besluit blijft op dit punt ongewijzigd.
De Commissie adviseert UHT om de compensatieberekening in lijn met de gedane toezeggingen, in stand te laten. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.
Werkelijke schade
Voor zover belanghebbende betoogt dat zij meer schade heeft geleden dan waarvoor aan haar compensatie is toegekend, overweegt de Commissie dat de wetgever de keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling te werken met een systeem van forfaitaire vergoedingen. De Commissie heeft in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om te komen tot het oordeel dat toepassing van het in de Wht neergelegde compen-satiestelsel in een geval als het onderhavige buiten toepassing zou moeten blijven. De Commissie verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en ECLI:NL:RVS:2023:852. Van belang hierbij is dat de Wht ook voorziet in vergoeding van de daadwerkelijke (im)materiële schade en dat in alle fases van toekenning in rechtsbescherming wordt voorzien. De Commissie stelt vast dat belanghebbende, blijkens de aanvullende beschouwing van UHT van 29 april 2026, reeds op 15 oktober 2024 een aanvraag bij de Commissie Werkelijke Schade heeft ingediend.
Zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen. Aangezien het bestreden besluit niet in stand kan blijven, zoals hiervoor overwogen, treft deze grond doel.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Nu het bezwaar naar de mening van de Commissie gedeeltelijk gegrond is en leidt tot herroeping van het bestreden besluit adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor twee. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie en advies
Samengevat adviseert de Commissie UHT, de hiervoor opgeworpen eerste vraag ontkennend en de tweede vraag bevestigend beantwoordend, om:
- het bezwaar tegen het besluit van 30 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren; en om:
- conform de door UHT gedane toezegging op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie aan belanghebbende toe te kennen voor de maanden januari tot en met juni 2009 en het bestreden besluit in zoverre te herroepen;
- op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor de maanden juni tot en met december 2010 en de toeslagjaren 2011 en 2012, en het bestreden besluit in zoverre te herroepen;
- het bezwaar voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter