Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12636

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 22 februari 2023 (UHT-DCHA)

Hoorzitting: 19 februari 2025 om 13:15 uur

Overdracht advies aan UHT: 2 april 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie {hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag van 22 februari 2023. Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) geen compensatie toegekend voor de jaren 2013 en 2014.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft 16 augustus 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2013 en 2014.
  • UHT heeft bij beschikking van 24 juni 2022 aan belanghebbende medegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de betrokken jaren geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
  • UHT heeft bij bestreden beschikking van 22 februari 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat zij geen recht heeft op compensatie voor de jaren 2013 en 2014.Gemachtigde heeft bij brief van 31 maart 2023, ingekomen op diezelfde datum, tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • UHT heeft op 28 maart 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • UHT heeft op 18 februari 2025 enkele aanvullende stukken ingezonden, namelijk de KOI-viewer 2013 en 2014 en een notitie gedateerd 16 juni 2022.
    De betreffende stukken zijn aan het bezwaardossier toegevoegd.
  • Op 19 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Gemachtigde heeft in een e-mail van 19 maart 2025 aan de Commissie bericht dat hij geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om zich nader uit te laten over toeslagjaar 2014. UHT heeft, daartoe door de Commissie in de gelegenheid gesteld, geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te reageren op laatstgenoemd bericht van de gemachtigde.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid en algemene opmerkingen

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor de jaren 2013 en 2014 af te wijzen.

Volledig persoonlijk dossier, equality of arms
Belanghebbende verzoekt allereerst om haar (volledige) persoonlijk dossier.
Zij meent dat zij, zonder alle onderliggende stukken, de juistheid van het bestreden besluit niet kan controleren. Belanghebbende voert in dit verband verder aan dat UHT handelt in strijd met het beginsel van equality of arms. Zij wordt in haar procesbelang geschaad, omdat ze niet de beschikking krijgt over een volledig bezwaardossier en zij daardoor niet over de voor het voeren van bezwaar benodigde documenten beschikt. De Commissie overweegt hierover het volgende.

In deze bezwaarprocedure beoordeelt de Commissie of alle op deze zaak betrekking hebbende stukken zijn verstrekt overeenkomstig artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is een beperkter dossier dan het persoonlijk dossier dat alle gegevens van belanghebbende bevat, ook buiten de kinderopvangtoeslag. UHT heeft in de beschouwing aangegeven dat het verzoek van belanghebbende om verstrekking van haar persoonlijk dossier in behandeling is genomen.

Ten aanzien van de verstrekking van het bezwaardossier overweegt de Commissie dat een belanghebbende op grond van artikel 7:4 lid 2 Awb en artikel 5.2 leden 3 en 4 van de Wht voorafgaand aan de hoorzitting bij de Commissie recht op afschriften van de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft. De schriftelijke beschouwing van UHT, met alle van belang zijnde producties, is op 2 december 2024 aan gemachtigde toegezonden. De Commissie meent dat gemachtigde en belanghebbende daarmee kennis hebben kunnen nemen van de op de zaak betrekking hebbende stukken en gelegenheid hebben gehad om daarop te reageren. Uit de stellingname van belanghebbende en UHT volgt niet dat er in het aan de Commissie en belanghebbende beschikbaar gestelde bezwaardossier nog specifieke stukken zouden ontbreken die van enig belang kunnen zijn geweest voor de door UHT genomen besluiten. Naar het oordeel van de Commissie zijn er dan ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende in haar procesbelang is geschaad. De Commissie acht het bezwaar daarom op dit onderdeel ongegrond.

Schending motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Voor zover UHT de bestreden beslissing niet uitvoerig zou hebben toegelicht, is de Commissie van oordeel dat met het indienen van de schriftelijke beschouwing en alle daarbij overgelegde producties, waaronder ook de betalingsoverzichten van het Landelijk Incassocentrum (hierna: LIC-overzichten) over de jaren 2013 en 2014, het bestreden besluit voldoende is onderbouwd en zorgvuldig tot stand is gekomen. De in dit verband door belanghebbende opgeworpen bezwaren kunnen geen doel treffen.

Ten onrechte geen compensatie toegekend
Belanghebbende meent voorts dat B/T ten onrechte geen compensatie heeft toegekend over de jaren 2013 en 2014. UHT heeft dit standpunt weersproken.

De Commissie overweegt als volgt. Voor compensatie komt, ingevolge het bepaalde in de Wht, kortweg, in aanmerking de ouder waarvan aannemelijk is dat de vaststelling van zijn of haar aanspraak op KOT in enig jaar onderdeel is geweest van een institutioneel vooringenomen handelwijze van B/T of hardheid.

In het informatie- en beoordelingsformulier (productie 4) is voor de toeslagjaren 2013 en 2014 beschreven en toegelicht welke -neerwaartse en opwaartse- wijzigingen in de KOT hebben plaatsgevonden in de betrokken jaren.

Voor toeslagjaar 2013 is de KOT eenmaal neerwaarts gecorrigeerd (voorschotbeschikking van 10 april 2015) en vervolgens opwaarts gecorrigeerd bij de definitieve beschikking van 10 november 2017. Deze neerwaartse en opwaartse correcties zijn het gevolg geweest van wijzigingen in de vaststelling van het gezamenlijk toetsingsinkomen van belanghebbende en haar toeslagpartner en daarmee reguliere correcties.

Ten aanzien van het jaar 2014 is de KOT eenmaal neerwaarts gecorrigeerd, zijnde de nihilstelling van de KOT gedaan bij beschikking van 21 juni 2014 (productie 17). UHT heeft in dit verband in haar beschouwing uiteen gezet dat deze nihilstelling het gevolg is geweest van de stopzetting van de KOT die is gedaan op 22 mei 2014, met ingang van 1 januari 2014. UHT verwijst daarbij naar het document dat is overgelegd als productie 21 en waaruit, zo stelt UHT, blijkt dat belanghebbende de KOT telefonisch heeft stopgezet. Bij de melding is behalve de datum van 22 mei 2014 ook het exacte tijdstip weergegeven namelijk "14:31:51". Belanghebbende heeft verklaard (productie 4, pagina 3 van het informatie- en beoordelingsformulier) dat het mogelijk is dat de medewerker van B/T met wie belanghebbende (kennelijk) telefonisch contact heeft gehad over de stopzetting van de KOT haar verkeerd heeft begrepen. Dat er telefonisch contact is geweest tussen belanghebbende en een medewerker van B/T (hetgeen correspondeert met de telefoonnotitie van 22 mei 2014) wordt door belanghebbende in haar bezwaarschrift aldus niet betwist en met zoveel woorden ook erkend door belanghebbende in de hiervoor aangehaalde verklaring. Waar het volgens belanghebbende mis zou zijn gegaan, is dat (door de taalbarriere) een verkeerde stopdatum is genoteerd door de medewerker van B/T. Belanghebbende verklaart verder dat voor een deel van het jaar 2014 wel opvang is afgenomen, maar zij weet dat niet precies. Evenwel, belanghebbende heeft niet nader geconcretiseerd van welke stopdatum dan wel uitgegaan zou moeten worden.

Nu gemachtigde bij e-mailbericht van 19 maart 2025 aan de Commissie heeft bericht dat hij verder geen gebruik maakt van de hem geboden gelegenheid om zich uit te laten over toeslagjaar 2024 moet het er bij deze stand van zaken voor worden gehouden dat belanghebbende de KOT telefonisch heeft stopgezet met ingang van 1 januari 2014. Uit de overgelegde KOI-viewer over 2014 blijkt niet van geregistreerde opvang. Belanghebbende heeft ook geen enkele informatie aangeleverd waaruit zodanige opvang kan worden afgeleid.

Geplaatst tegen de achtergrond van deze feiten en omstandigheden overweegt de Commissie dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te oordelen dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor de toeslagjaren 2013 en 2014 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen door B/T dan wel hardheid van het stelsel. Ten slotte is het de Commissie ook niet gebleken dat sprake is geweest van een (onterechte) O/GS-kwalificatie over de jaren 2013 en 2014, zodat belanghebbende evenmin op die grondslag aanspraak maakt op een tegemoetkoming. Het bezwaar kan ook in zoverre geen doel treffen.

Hardheid vanwege beslagvrije voet
Belanghebbende voert aan dat zij in aanmerking komt voor een compensatie wegens hardheid. Zij voert daartoe aan dat B/T bij de verrekening van de terugvorderingen met de huurtoeslag en de zorgtoeslag van belanghebbende geen rekening is gehouden met de beslagvrije voet. UHT heeft dit standpunt gemotiveerd weersproken.

De Commissie overweegt dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j van het Wetboek van Rechtsvordering. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot uitbreiding van de beslagvrije voet is dat een bewuste keuze geweest die vooral gelegen is in het feit dat de KOT in zijn aard wezenlijk verschilt van de overige toeslagen. De KOT is namelijk juist gericht op de bevordering van arbeidsparticipatie, terwijl de overige toeslagen (huur- en zorgtoeslag, kindgebonden budget) een duidelijk inkomensondersteunend karakter hebben. De Commissie is van oordeel dat in dit geval niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van hardheid van het stelsel. De Commissie adviseert UHT dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Proceskostenvergoeding
Nu de Commissie niet adviseert het primaire besluit te herroepen, is er geen aanleiding een vergoeding van de proceskosten toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren en een vergoeding van de proceskosten af te wijzen.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter