BAC 2023-12577
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Bestreden beschikking: 15 maart 2023 (UHT-DCH)
Hoorzitting: 24 februari 2025 om 10:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 2 mei 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de bestreden beschikking op onderdelen te herroepen, de compensatie opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
Onderwerp van advies
Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag.
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 22.231 voor de toeslagjaren 2012 en 2013 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2014 en 2016.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 3 februari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT). In overeenstemming met belanghebbende is een herbeoordeling uitgevoerd over de toeslagjaren 2012, 2013, 2014 en 2016.
- UHT heeft bij beschikking van 6 juni 2022 met kenmerk UHT CHR MGU aan belanghebbende meegedeeld dat zij niet in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 6 februari 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat gedurende de toeslagjaren 2014 en 2016 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden.
- UHT heeft bij vooraankondiging van 20 februari 2023 met kenmerk UHT-VCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €22.217.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 15 maart 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €22.231 voor de toeslagjaren 2012 en 2013 en geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2014 en 2016.
- Gemachtigde heeft bij brief van 14 maart 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft per e-mailbericht van 12 april 2024 het bezwaarschrift aangevuld.
- UHT heeft op 17 mei 2024 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
- Op 24 februari 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 14 maart 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 2 april 2025 op gereageerd.
- De Commissie, bestaande uit de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid, heeft de bezwaren behandeld en dit advies uitgebracht.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden beschikking
De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2012 en 2013 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming de toeslagjaren 2014 en 2016 af te wijzen.
Motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel
Met de door UHT in bezwaar ingediende beschouwing en de overgelegde stukken - waaronder een uitgebreide uitleg met behulp van de Landelijke Incasso Centrum (LIC) overzichten - en de overige producties, is in ieder geval thans geen sprake van strijd met de door belanghebbende genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De vraag of die strijd er wel was ten tijde van de bestreden beschikking behoeft in dit geval geen beantwoording. Wat nader is onderbouwd en uiteengezet omtrent de voorbereiding en motivering van de bestreden beschikking leidt immers niet tot het herroepen daarvan.
Compleetheid dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige ouderdossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De schriftelijke reactie en de onderliggende stukken zijn toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De hersteloperatie is bedoeld om belanghebbenden financieel te compenseren voor het leed dat hen is aangedaan en te proberen het vertrouwen in de overheid te herstellen. In de ogen van de Commissie worden deze belangen het beste gediend als een belanghebbende zo snel mogelijk inzicht krijgt in de informatie over zijn of haar situatie, in de vorm van een ouderdossier. Daarom staat de Commissie positief tegenover het ouderdossier en de spoedige verstrekking daarvan aan belanghebbende. Dat betekent echter niet dat daarom nu geconcludeerd moet worden dat het verstrekte bezwaardossier onvolledig is.
Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het ouderdossier moet worden afgewacht. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het zo kan zijn dat er nu relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren. Overigens is het wel zo, dat als uit latere stukken blijkt van nieuwe feiten op grond waarvan het bestreden besluit in het voordeel van belanghebbende moet worden bijgesteld, het aangewezen is dat UHT dat ook doet.
Rentevergoeding gemiste KOT
Belanghebbende voert aan dat niet inzichtelijk is hoe de rentevergoeding over gemiste KOT voor de toeslagjaren 2012 en 2013 is berekend. UHT stelt in haar schriftelijke verweer dat de rentevergoeding over de gemiste KOT onjuist is berekend.
De Commissie is van oordeel dat de rentevergoeding over de gemiste KOT onjuist is berekend en adviseert UHT de rentevergoeding voor het toeslagjaar 2013 aan te passen naar € 1.870. De Commissie adviseert de rentevergoeding voor het toeslagjaar 2012 niet aan te passen aangezien belanghebbende door het indienen van het bezwaar niet in een slechtere positie mag komen te verkeren (het zogenaamde verbod op reformatio in peius).
Aangezien het bezwaar gedeeltelijk gegrond is, dient de periode waarover de immateriële schade wordt berekend door te lopen tot de dagtekening van de beslissing op bezwaar. De aanpassing van de diverse componenten heeft ook gevolgen voor de aanvullende vergoeding van 1% van het subtotaal.
Toeslagjaar 2013
Belanghebbende stelt dat zij voor het toeslagjaar 2013 dient te worden gecompenseerd op grond van vooringenomenheid in plaats van hardheid. Daarnaast voert zij aan dat de KOT over dit jaar lager is vastgesteld dan waar zij recht op had en dat dit dient te worden herzien.
De Commissie overweegt hierover als volgt. De KOT over het toeslagjaar 2013 werd aan de kinderopvanginstelling uitbetaald, maar is bij belanghebbende teruggevorderd zonder dat eerst bij haar informatie is uitgevraagd. De omstandigheid dat de KOT werd uitbetaald aan de kinderopvanginstelling, terwijl uit de KOI-viewer niet volgde dat hier kinderopvang werd afgenomen, had voor B/T aanleiding moeten zijn om informatie uit te vragen bij belanghebbende. De Commissie is van oordeel dat het nalaten van het uitvragen van informatie duidt op vooringenomen handelen door B/T. De Commissie adviseert UHT daarom in de beslissing op bezwaar de compensatie toe te kennen op grond van vooringenomenheid in plaats van hardheid voor de maanden januari tot en met april 2013.
De Commissie overweegt verder dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte kwalificatie opzet/grove schuld (hierna: O/GS) en niet ziet op de herziening van definitieve KOT beschikkingen. Belanghebbende verzoekt onder meer om een aanpassing van de hoogte van de KOT over het toeslagjaar 2013 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Een beoordeling daarvan valt buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Herbeoordeling toeslagjaar 2015
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat alsnog een herbeoordeling moet plaatsvinden over het toeslagjaar 2015. In haar ogen moet dit gebeuren, omdat ook over dit toeslagjaar sprake was van KOT. Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie kinderopvang heeft aangevraagd, althans waarin de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: B/T) een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. Of dat laatste aannemelijk is, moet blijken uit alle omstandigheden van het geval, in samenhang beoordeeld, zoals de aanwezigheid van telefoonnotities, vastgelegde gesprekken en andere schriftelijke stukken.
De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op het toeslagjaar 2013. De persoonlijk zaakbehandelaar heeft het verzoek vervolgens na een gesprek met belanghebbende en haar gemachtigde uitgebreid met de toeslagjaren 2012, 2014 en 2016. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft het toeslagjaar 2015 in de herbeoordeling te betrekken en dat om die reden de bestreden beschikking moet worden herroepen. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om dit toeslagjaar (alsnog) in haar advisering te betrekken. De Commissie heeft goede nota genomen van de ter zitting gedane toezegging van UHT om het herbeoordelingsverzoek over dit toeslagjaar in behandeling te nemen. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie de behandeling van het bezwaar niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.
Toeslagjaar 2016
Belanghebbende stelt dat over het toeslagjaar 2016 sprake was van vooringenomen handelen of hardheid, omdat uit de systemen volgt dat zij recht had op meer KOT dan aan haar is toegekend. Zij stelt dat dit in haar voordeel moet worden herzien.
De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen adviseren dat er bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT over het toeslagjaar 2016 sprake is geweest van institutioneel vooringenomen handelen B/T dan wel hardheid van het stelsel. De verlaging van de KOT over dit toeslagjaar was gelegen in een te hoog voorschot, dat op basis van reguliere wijzigingen opnieuw is berekend. De KOT over het toeslagjaar 2016 is vastgesteld op basis van door belanghebbende doorgegeven wijzigingen van de kinderopvanggegevens en na een beoordeling van de door belanghebbende op 14 april 2016 verstrekte stukken. Uit de gegevens die de kinderopvanginstelling heeft verstrekt, zoals die zijn neergelegd in de KOI-viewer, volgt dat belanghebbende meer uren aan kinderopvang heeft afgenomen. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen oordelen dat het verlagen van de KOT op grond van de gegevens van belanghebbende het gevolg was van vooringenomen handelen van de kant van B/T. De bijstellingen zijn conform de wet uitgevoerd.
Dergelijke bijstellingen geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hier ten aanzien van belanghebbende anders over te oordelen. Verder is er ook geen sprake geweest van een onterechte O/GS-kwalificatie, zodat ook hierop geen aanspraak kan worden gemaakt. Belanghebbende verzoekt om een aanpassing van de hoogte van de KOT over het toeslagjaar 2016 zoals deze indertijd definitief is vastgesteld. Zoals eerder overwogen valt een advies daarover buiten de reikwijdte van de Wht. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.
Proceskostenvergoeding
Nu het bezwaar gericht tegen de beschikking met het kenmerk UHT-DCH naar het oordeel van de Commissie deels gegrond is, adviseert de Commissie UHT de kosten van rechtsbijstand in deze procedure te vergoeden. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van twee procespunten (bezwaarschrift en bijwonen hoorzitting). Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding toe te kennen met wegingsfactor twee.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en:
- de compensatie voor de maanden januari tot en met april 2013 toe te kennen op grond van vooringenomenheid;
- in de compensatieberekening de rentevergoeding over gemiste KOT voor het toeslagjaar 2013 aan te passen naar € 1.870;
- de vergoeding voor de immateriële schade opnieuw te berekenen en uit te gaan van de einddatum waarop de beslissing op bezwaar wordt genomen;
- de aanvullende vergoeding (1% van het subtotaal) aan te passen;
- een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter