Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12564

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 15 maart 2023 (UHT-DCHA; UHT-O OGS B)

Hoorzitting: 26 november 2025

Overdracht advies aan UHT: 6 december 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar ongegrond te verklaren.

Onderwerp van advies

De door de gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikkingen compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) enkel een tegemoetkoming op basis van een Opzet/Grove schuld-kwalificatie (hierna: O/GS-kwalificatie) toegekend voor een bedrag van €894,- voor het jaar 2010. Dit bedrag is aangevuld tot €30.000,- op basis van de Catshuis-regeling.

Voor zowel het jaar 2010 als 2011 is compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid afgewezen.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 20 januari 2021 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de jaren 2006 tot en met 2014. UHT heeft de herbeoordeling beperkt tot de jaren 2010 en 2011, omdat alleen in deze jaren sprake was van KOT.
  • UHT heeft bij besluit van 8 mei 2021 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van €30.000,-.
  • De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 1 maart 2023 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geadviseerd dat gedurende de jaren 2010 en 2011 geen sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of bijzondere omstandigheden. Voor het jaar 2010 dient volgens de CvW een O/GS-tegemoetkoming te worden verleend.
  • UHT heeft bij de bestreden besluiten met kenmerk UHT-O OGS B en UHT-DCHA en aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming verleend voor een bedrag van €894,- voor het jaar 2010. Voor zowel het jaar 2010 als 2011 is compensatie op grond van vooringenomenheid of hardheid afgewezen.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 15 maart 2023, ingekomen op 15 maart 2023, tegen deze besluiten afzonderlijk een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 16 juli 2024, ingekomen op dezelfde dag, de bezwaarschriften aangevuld.
  • UHT heeft op 7 augustus 2024 schriftelijk gereageerd op de bezwaarschriften.
  • Bij e-mail van 20 november 2025 heeft UHT een aanvullende productie overgelegd.
  • Op 26 november 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter en twee commissieleden.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende O/GS-tegemoetkoming voor het jaar 2010 op de juiste wijze heeft berekend en terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie of tegemoetkoming voor het jaar 2011 af te wijzen.

Op de hoorzitting heeft gemachtigde verklaard geen bezwaar te hebben tegen het toeslagjaar 2011 en zich kan vinden in de toelichting van UHT in de beschouwing. Gezien dit standpunt zal de Commissie dit toeslagjaar niet in haar advies betrekken.

Op de zaak betrekking hebbende stukken
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet.

De beschouwing en de stukken die daaraan ten grondslag liggen, zijn aan belanghebbende toegezonden. De Commissie vindt dat UHT met het toezenden van deze stukken heeft voldaan aan haar verplichting op grond van artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel
Belanghebbende betoogt dat sprake is van een schending van het zorgvuldigheids-beginsel en motiveringsbeginsel.

UHT stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit voldoende gemotiveerd en duidelijk is. De beslissing voldoet aan de eisen van motivering, zodat het bezwaar op dit punt ongegrond is. UHT stelt zich ook op het standpunt dat het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid. Alle relevante gegevens en eerdere besluiten zijn beoordeeld, evenals de door belanghebbende en Belastingdienst/ Toeslagen (hierna: B/T) aangebrachte wijzigingen en de onderlinge correspondentie.

Voor zover het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid of gemotiveerd, kan UHT naar het oordeel van de Commissie de gebreken herstellen aan de hand van wat daarover in haar beschouwing is opgemerkt. De Commissie adviseert UHT om het bezwaar op dit onderdeel ongegrond te verklaren.

Beoordeling toeslagjaar 2010
Belanghebbende stelt dat zij het oneens is met de berekening van de O/GS-tegemoetkoming over toeslagjaar 2010 en dat de opvanguren niet correct zijn berekend. Op de hoorzitting betoogt gemachtigde dat de stopzetting van de KOT in mei 2010 niet door belanghebbende of haar echtgenoot is ingediend, maar op basis van een telefoongesprek met een tussenpersoon van [naam kinderopvanginstelling].

Volgens gemachtigde had B/T aan belanghebbende moeten vragen of de doorgegeven wijzigingen wel correct waren, nu het ging om informatie die van derden afkomstig was.

UHT geeft aan dat de wijzigingen die door de partner van belanghebbende zijn verricht, in het dossier zijn opgenomen onder producties 31 tot en met 34.
De KOT is op 5 februari 2013 vastgesteld overeenkomstig de gegevens uit de jaaropgave en KOI-viewer (productie 21 en 36). Hierbij is rekening gehouden met de maximale uurtarieven en het maximum aantal opvanguren per maand (230 uur). UHT verwijst in dit verband naar beschikking T1061001 in het SAS-overzicht (productie 19). Hierbij is van belang dat de KOT naar beide kinderopvang-instellingen is overgemaakt, naast het deel dat aan belanghebbende is overgemaakt (productie 20).

Voorts heeft UHT op de hoorzitting toegelicht dat B/T mocht vertrouwen op de telefonische stopzetting, die overeenkomt met de KOI-viewer (productie 36).
UHT geeft aan dat bij [naam kinderopvanginstelling] opvang was tot eind mei 2010 en bij [naam kinderopvanginstelling] vanaf medio mei 2010, en vermoedt dat de wijziging is doorgegeven bij de wisseling van opvanglocatie. Volgens UHT is er geen aanleiding om van vooringenomenheid te spreken.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om te adviseren dat B/T bij de toekenning, aanpassing of terugvordering van de KOT voor het toeslagjaar 2010 institutioneel vooringenomen heeft gehandeld of dat het stelsel te hard heeft uitgewerkt. De verlaging van de KOT bij beschikking van 27 mei 2025, was gebaseerd op een telefonische stopzetting per 1 juni 2010, die op 14 juli 2010 is hersteld, omdat deze ‘niet door klant gedaan’ was. In het dossier bevindt zich een XML-bestand (p.141) van de telefonisch stopzetting met het sofinummer van de aanvrager (belanghebbende). Hieruit kan worden afgeleid dat belanghebbende zelf om de stopzetting heeft verzocht. Van vooringenomen handelen van B/T kan in dit geval niet worden gesproken.

Bij beschikking van 2 juli 2020 volgde wederom een verlaging van KOT, ditmaal gebaseerd op een wijziging in de opvanguren doorgegeven door [naam kinderopvanginstelling]. Op de juistheid van dit soort wijzigingen mag B/T in de ogen van de Commissie vertrouwen. Ook nu is geen sprake van vooringenomen handelen. Voor het overige is sprake van reguliere wijzigingen in de KOT.

Deze bijstellingen zijn in overeenstemming met de wet uitgevoerd en geven in beginsel ook geen aanspraak op een zogenoemde hardheidstegemoetkoming.

De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om hierover in het geval van belanghebbende anders te oordelen.

Ten aanzien van de berekening van de O/GS-tegemoetkoming overweegt de Commissie dat volgens artikel 2.6 lid 1 Wht een O/GS-tegemoetkoming wordt toegekend als blijkt dat B/T met betrekking tot een (terechte) terugvordering van KOT onterecht niet heeft meegewerkt aan een persoonlijke betalingsregeling.
Op grond van artikel 2.6 2 Wht bedraagt de tegemoetkoming 30% van het bedrag van de terugvordering.

De Commissie stelt vast dat aan belanghebbende een O/GS-tegemoetkoming van €894,-is toegekend (productie 7 en 23). Dit betreft 30% van de beschikking ter hoogte van €2.977,-. Het bedrag is vervolgens aangevuld tot €30.000,- op basis van de Catshuisregeling.

Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie aan UHT om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Niet herbeoordeelde jaren
Belanghebbende betoogt dat niet alle jaren zijn herbeoordeeld en dat gelet hierop ook compensatie verleend moet worden voor de overige jaren waarin sprake is geweest van KOT. De kinderen gingen volgens belanghebbende naar de buitenschoolse opvang (hierna: BSO).

UHT erkent het oorspronkelijke herbeoordelingsverzoek van belanghebbende dat zag op de jaren 2006 tot en met 2014 (productie 1). Uit de systemen is echter gebleken dat alleen over de jaren 2010 en 2011 KOT is aangevraagd en ontvangen. Dit volgt uit het aanvragenoverzicht in het SAS Klantbeeld (productie 35). UHT heeft in de systemen geen aanwijzingen aangetroffen dat de kinderen van 2005 tot en met 2014 naar de BSO zijn gegaan of dat voor de andere jaren dan 2010 en 2011 KOT is aangevraagd.

De Commissie stelt vast dat, hoewel het verzoek om herbeoordeling van belang-hebbende zag op de toeslagjaren 2006 en met 2014, UHT de herbeoordeling heeft beperkt tot de toeslagjaren 2010 en 2011 omdat enkel in die jaren sprake was van KOT (productie 35). De Commissie overweegt dat als uit de stukken niet blijkt en ook niet op een andere manier aannemelijk is geworden dat belanghebbende in voornoemde jaren aanspraak heeft gemaakt op KOT, belanghebbende voor die jaren geen beroep kan doen op de Wht. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

Werkelijk geleden schade
Gelet op het ouderverhaal van belanghebbende overweegt de Commissie dat indien belanghebbende van mening is dat haar aanvullende compensatie voor de werkelijke schade als gevolg van de terugvorderingen toekomt, zij een verzoek daartoe kan indienen bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS).

Proceskostenvergoeding
Het bezwaar is naar opvatting van de Commissie ongegrond. Er is geen aanleiding voor herroeping van het bij bezwaar bestreden besluit. De Commissie ziet, gelet op het bepaalde in artikel 7:15 lid 2 Awb, geen aanleiding om UHT te adviseren een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar ongegrond te verklaren.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter