BAC 2023-12526
Publicatiedatum 05-02-2026
Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen
Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)
Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende
Primair besluit: 26 januari 2023 (UHT-DCH)
28 februari 2023 (UHT-O OGS B)
Hoorzitting: 22 augustus 2025 om 14:00 uur
Overdracht advies aan UHT: 18 september 2025
Samenvatting
De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om de bezwaren tegen de beschikking van 26 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH en van 28 februari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B gedeeltelijk gegrond te verklaren en te herroepen, alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2010 op grond van vooringenomenheid. De Commissie adviseert tevens een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen.
Onderwerp van advies
De door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschriften zijn gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking herbeoordeling kinderopvangtoeslag van 26 januari 2023 (kenmerk UHT-DCH) en de definitieve beschikking tegemoetkoming opzet/grove schuld (hierna: O/GS) van 28 februari 2023 (kenmerk UHT-O OGS B).
Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 72.100 voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 op grond van vooringenomenheid, maar geen compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2010 en 2011. Voor de toeslagjaren 2010 en 2011 heeft belanghebbende wel recht op een O/GS-tegemoetkoming voor een bedrag van € 11.112.
Procesverloop
- Belanghebbende heeft op 28 december 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over de toeslagjaren 2008 tot en met 2011. Na overleg tussen UHT en belanghebbende is het toeslagjaar 2007 ook bij de herbeoordeling betrokken.
- UHT heeft bij beschikking van 18 februari 2021 met kenmerk UHT-B DMB2 aan belanghebbende medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een betaling van € 30.000.
- De Commissie van Wijzen (hierna: CvW) heeft haar beoordeling van het verzoek van belanghebbende op 3 november 2022 aan UHT toegestuurd. De CvW heeft geoordeeld dat de compensatieregeling van artikel 49b van de Awir en de hardheidscompensatie van artikel 49 van de Awir, zoals deze destijds golden, niet van toepassing zijn voor de toeslagjaren 2010 en 2011. Voor deze toeslagjaren komt belanghebbende wel in aanmerking voor een opzet/grove schuld (hierna: O/GS) -tegemoetkoming.
- UHT heeft bij de bestreden beschikking van 26 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van €72.100 voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 op grond van vooringenomenheid, maar geen compensatie toekend voor de toeslagjaren 2010 en 2011.
- UHT heeft bij bestreden beschikking van 28 februari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B aan belanghebbende voor het toeslagjaar 2013 een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 4.492.
- Gemachtigde heeft bij brief van 2 maart 2023, ingekomen op 6 maart 2023, tegen de beschikking met kenmerk UHT-DCH een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brief van 29 maart 2023 tegen de beschikking met kenmerk UHT-O OGS B een bezwaarschrift ingediend.
- Gemachtigde heeft bij brieven van 22 februari 2024 de bezwaren aangevuld.
- UHT heeft op 5 september 2024 schriftelijk gereageerd.
- Gemachtigde heeft bij brief van 11 augustus 2025 het bezwaar nader aangevuld.
- Op 22 augustus 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
- Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.
Ontvankelijkheid
Niet in geschil is dat de bezwaarschriften ontvankelijk zijn.
Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en de bestreden beschikkingen
Procedurele bezwaren
Belanghebbende heeft verzocht om inzage in het onderliggende dossier.
De schriftelijke beschouwing en de op de zaak betrekking hebbende stukken zijn op 10 juli 2025 aan de gemachtigde van belanghebbende toegezonden. De Commissie heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan te nemen dat hier niet is voldaan aan de in artikel 7:4, lid 2, Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting.
Beoordeling toeslagjaren 2007 tot en met 2011
De Commissie ziet zich, uitgaande van de gronden van bezwaar en de inhoud van de bestreden beschikking, gesteld voor de beantwoording van de vraag of UHT de toegekende compensatie voor de toeslagjaren 2007 tot en met 2009 op de juiste wijze heeft berekend. Voorts zal de Commissie de vraag beantwoorden of UHT, terecht en op goede gronden is gekomen tot haar beslissing om het verzoek van belanghebbende om compensatie voor de toeslagjaren 2010 en 2011, af te wijzen.
Beoordeling forfaitaire compensatieberekening toeslagjaren 2007 tot en met 2009
In de schriftelijke beschouwing op het bezwaar constateert UHT dat de berekening van de compensatie op een aantal punten moet worden aangepast. UHT heeft daartoe een aangepaste compensatieberekening opgesteld, waarin de voorgenomen correcties zijn opgesomd. UHT acht het bezwaar op dit onderdeel dan ook gegrond.
De Commissie sluit zich aan bij dit standpunt en adviseert om, in lijn met de door UHT gedane toezegging, het bezwaar op dit onderdeel gegrond te verklaren en de compensatieberekening dienovereenkomstig aan te passen. De (gedeeltelijke) gegrondbevinding van het bezwaar zal ook leiden tot aanpassing van alle, ingevolge de Wht daarmee samenhangende, vergoedingen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking komende vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2010
Belanghebbende voert aan dat zij recht heeft op compensatie voor het toeslagjaar 2010 wegens vooringenomenheid. Volgens haar heeft UHT ten onrechte geoordeeld dat geen sprake was van gekwalificeerde opvang. Zij stelt dat het ontbreken van een geldig LRK-nummer haar niet mag worden tegengeworpen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: AbRvS) (ECLI:RVS:2016:1572) en de publicatie in de Staatscourant 2010, nr. 13222 (26 augustus 2010). Daarnaast voert zij aan dat haar rechtspositie is verzwakt doordat het destijds ingediende bezwaarschrift door B/T nooit is behandeld.
UHT erkent dat sprake was van vooringenomenheid, omdat belanghebbende onvoldoende gelegenheid heeft gehad om haar recht op KOT aannemelijk te maken. Volgens UHT bestaat er echter geen recht op compensatie, aangezien geen gekwalificeerde opvang is afgenomen. Ter onderbouwing wijst UHT op een
e-mailwisseling tussen B/T en het gastouderbureau X, waaruit volgt dat de kinderen van belanghebbende daar niet bekend waren. Voorts verwijst UHT naar een door belanghebbende ingediende bezwaarschrift, waarin zij zelf zou hebben verklaard dat geen sprake is geweest van gekwalificeerde opvang. Daarmee is volgens UHT sprake van een situatie waarin evident geen recht op KOT bestond.
De Commissie overweegt dat UHT op grond van artikel 2.1, lid 1, van de Wht op aanvraag compensatie toekent als aan de toepassingsvereisten als bedoeld in dat artikellid wordt voldaan. Ingevolge artikel 2.1, lid 2, van de Wht wordt de compensatie echter niet toegekend indien de door de aanvrager van KOT geleden schade te wijten is aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn. De situatie van evident geen recht op KOT, waar UHT op doelt, valt onder artikel 2.1, lid 2, van de Wht. De Commissie overweegt dat de bewijslast hiervoor bij UHT ligt.
De Commissie is van opvatting dat UHT niet geslaagd is aan de op haar rustende bewijslast te voldoen en overweegt daartoe als volgt. Dat geen gegevens voorkomen in de KOI-viewer voor de toeslagjaren 2010 en 2011 is voor de Commissie onvoldoende om aan te nemen dat belanghebbende over die jaren geen gebruik heeft gemaakt van kinderopvang en dat daarom geconcludeerd moet worden dat "evident geen recht" op KOT bestond. Van de juistheid van de gegevens in de KOI-viewer mag in principe alleen worden uitgegaan wanneer zij daarin zijn opgenomen. De gegevens werden namelijk op aanvraag door de kinderopvanginstelling verstrekt. Bovendien is de Commissie bekend dat kinderopvanginstellingen tot 1 januari 2022 niet verplicht waren om gegevens aan te leveren voor de KOI-viewer. Het ontbreken van gegevens in dat systeem kan daarom niet zonder meer tot de conclusie leiden dat geen geregistreerde opvang heeft plaatsgevonden. De Commissie laat in dit verband tevens meewegen dat belanghebbende heeft aangevoerd dat 2010 een overgangsjaar was, waarin de verplichting voor gastouders om over een LRK-nummer te beschikken buiten werking was gesteld (vgl. Staatscourant 2010, nr. 13222). UHT heeft dit niet bestreden, noch duidelijkheid kunnen verschaffen over deze tijdelijke versoepeling van de registratieplicht voor gastouders in 2010. In samenhang hiermee weegt de Commissie ook mee dat de stellingname van UHT, namelijk dat uit e-mailwisseling tussen B/T en het gastouderbureau X zou volgen dat de kinderen van belanghebbende daar niet bekend waren, niet gemotiveerd is weerlegd in het licht van de reactie van belanghebbende, die betwist dat B/T contact heeft opgenomen met het juiste gastouderbureau, dan wel de juiste afdeling daarvan.
Bovendien volgt uit het destijds ingediende bezwaarschrift dat de kinderen van belanghebbende juist wel gebruik hebben gemaakt van kinderopvang.
De Commissie is concluderend van opvatting dat UHT op basis van de voorhanden zijnde gegevens en hetgeen ter zitting is aangevoerd, niet geslaagd is in het bewijs dat sprake is van een situatie waarin evident geen recht op Kot bestond.
Dat betekent dat de door UHT zelf aangenomen "vooringenomenheid", als bedoeld in het eerste lid van artikel 2.1 van de Wht, toepasselijk is.
Gelet op het voorgaande adviseert de Commissie UHT om alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2010 op grond van vooringenomenheid. Daarbij zal de reeds toegekende O/GS-tegemoetkoming worden verrekend. Het bezwaar is in zoverre gegrond.
De Commissie merkt nog op dat het beroep van belanghebbende op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:RVS:2016:1572) geen doel treft, nu in die uitspraak sprake is van een andere situatie dan in de onderhavige zaak.
Beoordeling afwijzing compensatie toeslagjaar 2011
Belanghebbende voert aan dat, naar aanleiding van de door haar zelf geïnitieerde stopzetting van de KOT voor het toeslagjaar 2011, ten onrechte geen betalingsregeling is getroffen en evenmin rekening is gehouden met haar beslagvrije voet. Zij stelt dat deze handelwijze heeft geleid tot onterechte verrekeningen, welke volgens haar aanleiding zouden moeten geven tot compensatie wegens vooringenomenheid, dan wel wegens hardheid.
De Commissie overweegt dat belanghebbende voor het toeslagjaar 2011 destijds ten onrechte een O/GS-kwalificatie had, waardoor het treffen van een betalingsregeling toen niet mogelijk was. Belanghebbende heeft hiervoor echter reeds een O/GS-tegemoetkoming ontvangen. Voor zover belanghebbende betoogt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met haar beslagvrije voet, overweegt de Commissie dat de KOT expliciet is uitgesloten van de beslagvrije voet in artikel 475c sub j Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De vraag of, en in hoeverre, rekening is gehouden met de beslagvrije voet bij verrekeningen met andere toeslagen, valt buiten de reikwijdte van de begrippen vooringenomen handelen en hardheid van het stelsel binnen het kader van de Wht en daarmee buiten de reikwijdte van de huidige bezwaarprocedure. De Commissie adviseert het bezwaar op dit punt ongegrond te verklaren.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Belanghebbende betoogt in algemene zin dat UHT bij de bestreden beschikkingen heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Aangezien de bestreden beschikkingen met kenmerk UHT-DCH en UHT-O OGS B niet in stand kunnen blijven, zoals volgt uit het voorgaande, staat vast dat de totstandkoming onvoldoende zorgvuldig is geweest en de motivering bij beslissing op bezwaar moet worden verbeterd.
Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand
Nu de bezwaren naar de mening van de Commissie, de hiervoor geformuleerde vragen ontkennend beantwoordend, gedeeltelijk gegrond zijn en leiden tot herroeping van de bestreden beschikkingen met kernmerk UHT-DCH en UHT-O OGS B adviseert de Commissie om de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (gegrond bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.
Conclusie
Samengevat adviseert de Commissie aan UHT om:
- het bezwaar tegen de beschikking van 26 januari 2023 met kenmerk UHT-DCH gedeeltelijk gegrond te verklaren;
- de rentevergoeding over de gemiste KOT aan te passen conform de bijlage compensatieberekening bij de schriftelijke beschouwing van 5 september 2024;
- alle, ingevolge de Wht, daarmee samenhangende, vergoedingen opnieuw te berekenen met inachtneming van dit advies, en daarbij, conform het door UHT zelf op dit punt gehanteerde beleid, de einddatum van de daarvoor in aanmerking te nemen vergoedingen vast te stellen op de datum tot aan de dagtekening van de beslissing op bezwaar en de bestreden beschikking in zo verre te herroepen;
- op grond van vooringenomenheid alsnog compensatie toe te kennen voor het toeslagjaar 2010;
- het bezwaar tegen de beschikking van 28 februari 2023 met kenmerk UHT-O OGS B gedeeltelijk gegrond te verklaren en de bestreden beschikking te herroepen;
- de bezwaren voor het overige ongegrond te verklaren;
- een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.
[handtekening]
Secretaris
[handtekening]
Fungerend voorzitter