Ga direct naar de inhoud Ga direct naar de filters Ga direct naar de footer

BAC 2023-12471

Advies van de Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen

Aan: Belastingdienst/Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (hierna: UHT)

Betreft: het bezwaarschrift van belanghebbende

Primair besluit: 23 januari 2023 (UHT-DC I)

Hoorzitting: 14 mei 2025

Overdracht advies aan UHT: 24 juni 2025

Samenvatting

De Bezwaarschriftenadviescommissie (hierna: de Commissie) adviseert UHT om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, de compensatieberekening aan te passen en een proceskostenvergoeding toe te kennen.

Onderwerp van advies

Het door gemachtigde namens belanghebbende ingediende bezwaarschrift is gericht tegen de door UHT genomen definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag.

Aan belanghebbende is met toepassing van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: Wht) compensatie toegekend voor een bedrag van € 42.634,- voor de jaren 2009, 2010 en 2012.

Procesverloop

  • Belanghebbende heeft op 9 juli 2020 verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag (hierna: KOT) over het jaar 2012. Op verzoek van belanghebbende is ook het jaar 2010 herbeoordeeld en UHT heeft ook het jaar 2009 herbeoordeeld.
  • UHT heeft bij beschikking van 23 januari 2023 (hierna: de bestreden beschikking) aan belanghebbende een compensatie toegekend voor een bedrag van
    € 42.634,-.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 23 februari 2023 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend.
  • Gemachtigde heeft bij brief van 17 oktober 2023 het bezwaarschrift aangevuld.
  • UHT heeft op 3 mei 2024 en 9 mei 2025 schriftelijk gereageerd op het bezwaarschrift.
  • Op 14 mei 2025 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt, dat achter het advies is gevoegd.
  • UHT heeft, daartoe door de Commissie ter zitting verzocht, op 27 mei 2025 een nadere schriftelijke reactie ingediend. Gemachtigde heeft daar op 13 juni 2025 op gereageerd.
  • Dit advies wordt uitgebracht door de voorzitter, eerste commissielid en tweede commissielid.

Ontvankelijkheid

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift ontvankelijk is.

Overwegingen ten aanzien van de bezwaren en het bestreden besluit

De Commissie ziet zich gesteld voor de vraag of UHT de toegekende compensatie op de juiste wijze heeft berekend.

Persoonlijk dossier
Belanghebbende stelt dat zonder het volledige persoonlijke dossier niet kan worden beoordeeld of alle relevante stukken er zijn. De Commissie volgt dit standpunt van belanghebbende niet. De beschouwing en de onderliggende stukken zijn toegezonden. De Commissie vindt dat met het toezenden van deze stukken is voldaan aan de in artikel 7:4 lid 2 Algemene wet bestuursrecht neergelegde verplichting om alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage te leggen. Dat kan anders zijn als de belanghebbende een duidelijk aanknopingspunt geeft waarom het persoonlijk dossier moet worden afgewacht. Dat is hier niet gebeurd. De enkele opmerking dat bij onbekendheid van de stukken in dat dossier het mogelijk is dat er nog relevante informatie ontbreekt, is niet voldoende. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Beslistermijn UHT beslissing op bezwaar
Belanghebbende heeft de Commissie verzocht om advies uit te brengen over de aan UHT op te leggen maatregelen vanwege de termijnoverschrijding bij het nemen van een beslissing op het bezwaar.

Het gevolg van een termijnoverschrijding is dat belanghebbende mogelijk recht heeft op een dwangsom. Hiertoe kan belanghebbende UHT in gebreke stellen en zo nodig in beroep gaan bij de rechter. Deze weg heeft belanghebbende ook bewandeld. De Commissie heeft geen bevoegdheid hierover een advies uit te brengen, omdat dit valt buiten het kader van haar bevoegdheden als bedoeld in artikel 3 van de Instellingsregeling Bezwaarschriftenadviescommissie hersteloperatie toeslagen.

Artikel 19 Awir, Compensatie voor discriminatie, FSV en O/GS
De Commissie stelt vast dat UHT erkent dat de Belastingdienst/Toeslagen (B/T) belanghebbende over alle herbeoordeelde jaren (2009, 2010 en 2012) vooringenomen heeft behandeld, waarvoor zij ook is gecompenseerd. Voor zover de bezwaargronden erop zijn gericht om vooringenomenheid aan te nemen, is dit al gebeurd, en laat de Commissie deze gronden onbesproken.

Voor zover UHT beschikt over een printscreen van de FSV-check, verzoekt de Commissie UHT deze ter informatie toe te sturen aan gemachtigde.

Herbeoordeling toeslagjaren 2011, 2013, 2014 en 2015
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat onduidelijk is waarom de toeslagjaren 2011, 2013, 2014 en 2015 niet zijn meegenomen in de herbeoordeling. In haar ogen had dit moeten gebeuren, omdat ook over deze toeslagjaren sprake was van KOT.

Uitgangspunt is dat een verzoek om herbeoordeling als hier aan de orde betrekking heeft op alle jaren voor 2020 waarin de aanvrager van compensatie KOT heeft aangevraagd, althans waarin de Dienst Toeslagen een beschikking daarover heeft gegeven, tenzij de aanvrager het verzoek heeft beperkt. De Commissie stelt vast dat het verzoek om herbeoordeling van belanghebbende alleen zag op het toeslagjaar 2012. De PZB heeft het verzoek na een gesprek met belanghebbende uitgebreid met de toeslagjaren 2009 en 2010. In dat licht kan niet worden geconcludeerd dat UHT nagelaten heeft toeslagjaren 2011, 2013, 2014 en 2015 in de herbeoordeling te betrekken. Nu het oorspronkelijke verzoek en de bestreden beschikking de omvang van de onderhavige bezwaarprocedure bepalen, ziet de Commissie geen mogelijkheden om deze toeslagjaren (alsnog) in haar advisering te betrekken.

De Commissie heeft kennis genomen van de aanvullende beschouwing van 9 mei 2025 waarin UHT stelt dat er waarschijnlijk reden is om belanghebbende ook over 2015 te compenseren. Ook heeft de Commissie kennis genomen van de ter zitting gedane toezegging van UHT om deze 4 toeslagjaren als aanvullend verzoek in herbeoordeling te nemen. Nu deze werkwijze, in de opvatting van UHT, kennelijk geen beperking van rechtsmiddelen voor belanghebbende met zich meebrengt, houdt de Commissie onderhavige bezwaarprocedure niet aan. Het bezwaar is op dit onderdeel ongegrond.

De compensatieberekening
De compensatieberekening is in het kader van de bezwaarprocedure ambtshalve door UHT getoetst op juistheid. UHT erkent in de beschouwing van 3 mei 2024 dat de rentevergoeding over gemiste KOT (onderdeel o) met betrekking tot toeslagjaren 2009 en 2012 niet juist is berekend. Het juiste bedrag voor 2009 is €1.923,- (in plaats van € 1.799,-) en het juiste bedrag voor 2012 is € 3.561,- (in plaats van € 2.801,-). Dit zal in de beschikking op bezwaar worden aangepast.

In de aanvullende beschouwing van 9 mei 2025 vult UHT aan dat voor 2010 de beschikking van 3 mei 2012 alsnog als uitgangspunt voor de compensatie-berekening wordt genomen. De grondslag van de compensatie over 2010 wordt daarmee € 817,-hoger. De rente gemiste KOT en de vergoeding voor immateriële schade (component n) worden naar aanleiding daarvan herberekend.

Verder zal door de gegrondverklaring van het bezwaar de vergoeding voor immateriële schade doorberekend worden tot aan de beslissing op bezwaar.
Gelet op het voorgaande zal ook de aanvullende vergoeding van 1% (onderdeel p) worden aangepast. De Commissie neemt hiervan met instemming kennis en zal dienovereenkomstig adviseren.

KOT onjuist vastgesteld
Belanghebbende stelt dat zij voor toeslagjaren 2009 en 2010 de vaststelling van KOT en daarmee component a niet kan beoordelen omdat de hiervoor benodigde informatie (jaaropgave of KOI-viewer) ontbreekt. Zij betwist de juistheid van component a voor deze jaren.

De Commissie overweegt dat de Wht is bedoeld voor herstel van vooringenomen handelen, hardheid of een onterechte O/GS-kwalificatie en niet betrekking heeft op de herziening van (definitieve) KOT-beschikkingen. Een beoordeling van de hoogte van de KOT over toeslagjaren 2009 en 2010 valt dus buiten de reikwijdte van de Wht en de bevoegdheid van de Commissie. De Commissie adviseert UHT daarom om dit onderdeel van het bezwaar ongegrond te verklaren.

Vergoeding juridische hulp
Belanghebbende betoogt dat zij meerdere procedures heeft gevoerd en dat haar ten onrechte geen vergoeding voor juridische hulp is toegekend. Op de hoorzitting heeft zij verwezen naar bijlage 4 van de aanvullende beschouwing van 9 mei 2025 waaruit blijkt dat voor 2012 bezwaar is gemaakt. Hiervoor heeft zij bijstand gekregen van het wijkteam, coaches, en daar zijn kosten voor gemaakt.

De Commissie stelt vast dat bijlage 4 van de aanvullende beschouwing een bericht bevat van B/T waarin staat: “Nav Bezwaar is KOT 2012 toegekend …”.
Hiermee staat naar de Commissie meent voldoende vast dat over toeslagjaar 2012 een bezwaarschrift is ingediend. Gelet op de verklaring van belanghebbende hierover, adviseert de Commissie UHT een 0,5 punt vergoeding met wegingsfactor 2 toe te kennen voor de bijstand die belanghebbende heeft ontvangen en de kosten die zij hiervoor onbetwist heeft gemaakt. De Commissie wijst hierbij op artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht dat bepaalt dat in bijzondere omstandigheden van de voorgeschreven bedragen kan worden afgeweken.

Voor aanvullende compensatie naar CWS
Belanghebbende betoogt dat de toegekende compensatie niet haar werkelijke schade dekt en in ieder geval haar immateriële schade veel groter is.

De Commissie overweegt dat deze bezwaarschriftprocedure alleen betrekking heeft op de toekenning van standaard vergoedingen en niet op de vergoeding van de werkelijke schade. Hiervoor is de procedure bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) bestemd. Gebleken is dat belanghebbende zich al tot CWS heeft gewend. Belanghebbende heeft over de jaren 2010 en 2012 gewezen op de verrekening van aanmanings- en dwangbevelkosten. Dit punt kan bij CWS aan de orde worden gesteld.

Proceskostenvergoeding
Nu het primaire besluit naar de mening van de Commissie dient te worden herroepen, adviseert de Commissie om het verzoek voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in deze bezwaarprocedure toe te wijzen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft belanghebbende recht op een forfaitaire vergoeding op basis van 2 procespunten (bezwaarschrift en verschijnen hoorzitting) met een wegingsfactor 2. Net als in eerdere zaken adviseert de Commissie daarbij de hoogste vergoeding per procespunt toe te kennen.

Conclusie

Samengevat adviseert de Commissie om het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren en om:

  • de compensatieberekening aan te passen conform de beschouwingen van 3 mei 2024 en 9 mei 2025;
  • voor toeslagjaar 2012 een vergoeding voor juridische hulp toe te kennen;
  • een vergoeding van de proceskosten voor de onderhavige bezwaarprocedure toe te kennen van twee procespunten met wegingsfactor twee voor het hoogste tarief.

[handtekening]

Secretaris

[handtekening]

Fungerend voorzitter